+ Meer informatie

DE ROEM DER HOOP

7 minuten leestijd

„In welke wij staan en roemen in de hoop der heerlijkheid Gods". (Rom. 5 : 2b)

De apostel Paulus wijst in bet tekstverband op drie uitnemende voorrechten, zó groot, dat zij wat betreft de inhoud niet te peilen zijn. Ze zijn het deel van alle ware lidmaten van Christus.

Is er grote rijkdom: Wij dan, gerechtvaardigd zijnde uit het geloof? Het is niet minder dan uit dc staat der verdoemenis overgezet te zijn in een staat van verzoening met God. Waardoor ten tweede een zalige vrede, vriendschap en rust door Christus met God, in God het hart vervult. Door welke wij ook de toeleiding hebben door het geloof, tot deze genade, waaruit de roem der hoop voortkomt als een dierbare genade. Ja, hoop heeft een wortel, waaruit ze opkomt en daarom is zij een levende hoop, in tegenstelling van een valse hoop, welke wortelt in het bedrieglijk mensenwerk.

Hoeveel werk hadden zij verricht in Gods zichtbare kerk, namelijk degenen waarvan Christus sprak in Matth. 7 : 22 en 23: Velen zullen te dien dage tot Mij zeggen: eere, Ileere! hebben wij niet in Uw Naam geprofeteerd en in Uw Naam duivelen uitgeworpen en in Uw naam vele krachten gedaan? En dan zal ik hun openlijk zeggen: k heb u nooit gekend."

Neen, de ware hoop heeft een fundament, gelijk de voorzichtige man, die zijn huis op een steenrots gebouwd heeft. Dat huis der hope moge schudden en beven vanwege de slagregen en waterstromen der verzoekingen en beproevingen, doch vallen.... neen! want het is op de steenrots, de Enige, ware Steenrots gegrond. Ware hope is gewrocht door de Heilige Geest, welke onderwerpelijk in het hart geen ander fundament legt dan Christus en Die gekruisigd en door zijn ontdekkende, ontblotende en ouderwijzende werking alle grond wegneemt, zodat alle hoop buiten Christus ons ontvalt. Hij doet de hope van Gods kinderen als een anker der ziel ingaan in het binnenste heiligdom, waar de Voorloper is ingegaan, namelijk Christus. Alzo is het geloof een vaste grond der dingen die men hoopt en een bewijs der zaken die men niet ziet. Deze hope heft het hoofd van Gods kinderen boven water. Het doet ze zingen:

Mijn God, waar was mijn hoop, mijn [moed gebleven? Ik was vergaan in al mijn smart [en rouw!

De ware hoop is een dierbare genade, onlosmakelijk verbonden met gelopf en liefde. Ze kan sterk zijn in lijdzame verwachting, hopende op "s Heeren woord, gelijk bij Job: Ziet, zo Hij mij doodde, zou ik niet hopen? Ze is een genade, welke zich, werkzaam zijnde, uitstrekt naar de door het geloof aanschouwende Enige ankergrond der hope en kan alleen met blijdschap rusten op dat fundament, dat van géén wankelen weet. Deze hope kan niet beschamen, omdat de liefde Gods in de harten van Zijn kinderen is uitgestort door de Heilige Geest, die hun is gegeven. Deze genade nu is gericht op de heerlijkheid Gods, naar het getuigenis in onze tekst.

Naar de zienlijke of tijdelijke dingen strekt de levende hope van Gods volk zich niet uit. Veelal onthoudt de Heere Zijn volk de aardse rijkdom, om wijze redenen. Het zijn volgens de Schrift: Niet vele rijken, niet vele edelen, maar het arme en onedele der wereld heeft God uitverkoren. De rijkdom hunner blijdschap en zaligheid is de heerlijkheid Gods. O, hoe groot is toch het goed, dat de Heere weggelegd heeft voor degenen, die Hem vrezen!

Let allereerst op de plaats waar God Zijn heerlijkheid het meest openbaart. Het is de derde hemel; het huis des Vaders, met zijn vele woningen. Daar is het geloof verwisseld in aanschouwing van Hem, Die op de troon zit en het Lam.

Sions Borg heeft cle weg tot die plaats der heerlijkheid gebaand door Zijn komst en Middelaarswerk. Hij, de Eersteling, is door de hemelen doorgegaan en is gezeten in de plaats der heerlijkheid aan de rechterhand des Vaders. Daar zijn de heilige Troongeesten en zingen met de triumpherende Kerk het lied der heerlijkheid. O, hoe onuitsprekelijk is toch deze heerlijkheid, waar de hoop zich naar uitstrekt! Daar zal geen inwoner meer zeggen: Ik ben ziek; daar geen stekende doornen en leeddoende distelen. Daar is de heerlijkheid Gods tot verzadiging Zijner uitverkorenen, liet is de stad die fundamenten heeft, welks Kunstenaar en Bouwmeester God is; het hemelse Jeruzalem en de vele duizenden der engelen. Het is het va-

clerland voor de ware gasten en vreemdelingen op aarde. Het behaagt de Heere somtijds enkele Zijner kinderen op te heffen in de derde hemel, gelijk de apostel Paulus, welke de hemelse heerlijkheid gezien, gehoord en gesmaakt heeft. Hij getuigde er van dat zij het begrip des mensen in deze bedeling zeer ver te boven gaat, ja, dat in onze taal deze heerlijkheid niet kan worden uitgesproken. Reeds hier zijn enkele Elimshoogten, waarop de Heere Zijn kinderen brengt en hun door het geloof een blik vergunt in de heerlijkheid Gods, opdat de hope wederom wordt verlevendigd, zelfs om te leren roemen in de verdrukking, ja, dezelve als licht te achten en zeer haast voorbijgaande, werkende een gans zeer uitnemend gewicht van heerlijkheid.

Let vervolgens op het gezelschap in die heerlijkheid. Het zijn de geesten der volmaakt rechtvaardigen; eeuwig genietende de heerlijkheid Gods door aanschouwen. Daar is twist en wrok voor eeuwig verdwenen; daar loven en prijzen zij de Drieënige God als de bewegende, verdienende, bewerkende en voltooiende oorzaak van hun zijn vóór de troon. Daar zingen ze: En mij hiertoe door U bereid. O, mijne nieren verlangen zeer in mijn schoot! Ontbonden te worden en met Christus te zijn is zeer verre het beste!

Wat zal Gods strijdende kerk straks voor eeuwig afleggen, verlost uit het lichaam dezes doods en bezitten volkomen zaligheid, die geen oog gezien, noch ooigehoord heeft, noch in geen mensenhart opgeklommen is en dat, om God daarin eeuwiglijk te prijzen. Reeds in dit leven roemt Gods volk, staande in de hoop, de heerlijkheid Gods. Deze roem is geen ijdele en lichtvaardige roem, want komt voort uit het werk Gods. Dit volk heb Ik mij geformeerd, zij zullen Mijn lof vertellen. Het vloeit uit de levende ervaring van Gods vrije gunst, door Christus verworven. Hij zong de lofzang vóór en mèt Zijn volk in de Paaszaal en ging uit naar de plaats van zieledroefheid, lijden en dood, om de roem der hoop voor Zijn volk te verwerven.

Daarom is de roem der hope geen hoge roem; ze woont in dc laagte. Haar metgezellen zijn nederigheid des harten en ootmoed. Met verwondering zingt ze: Niet ons, o Heere! niet ons, maar Uwen Naam geeft eer, om Uwer goedertierenheid, om Uwer waarheid wil!

Mijn medereiziger naar de eeuwigheid, bemerk toch hoe arm ons leven is buiten en zonder God, wijl wij van nature deze hoop missen en daarom geen grond hebben om te staan en te roemen in de hope der heerlijkheid Gods. Onze diepe val in Adam heeft ons van alle Godprijzende gaven beroofd en onszelf toegevallen zijnde, beogen, bedoelen en prijzen wij onszelf, bedekt of openlijk. Hoe noodzakelijk toch is het levend-makende, overtuigende en ontdekkende werk des Geestes, opdat wij onszelven leren afvallen en als doodschuldigen God toevallen, ons in een weg van recht behouden te worden in en door Christus, Die alleen onze Hope zijn kan.

Kinderen Gods, verblijdt U in de hope. De Heere geve ons daartoe nieuwe mededelingen van genade uit de volheid van Christus. Dan alleen mogen we bij vernieuwing ons hoofd weer omhoog heffen uit de gebreken. Dan worden onze, door veel verdrukking neergebogen harten, weer verlevendigd om te zingen:

Wacht op dc IJccr, Godvruchte schaar [houdt moed, Ilij is getrouw, dc Bron van alle Goed; Zo daalt zijn kracht op U in zwakheid [neer, Wacht dan, ja wacht, verlaat U op dc [Heer!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.