+ Meer informatie

De Christinnereis is voor jong en oud

7 minuten leestijd

40.

Gekomen in het huis van Gajus werd Kleinmoedig van alle kanten omringd met zegeningen. Allen waren blij met elkander in de Heere. Hij kwam Zijn hand tot een kleine te wenden, op te halen uit een ruisende kuil en op een rotssteen te stellen.

Op de vraag van de oude Eerlijk: „Hebt ge vroeger ook een zekere Vreesachtig gekend, een pelgrim evenals wij?” antwoordde Kleinmoedig: „Wel zeker heb ik hem gekend! Hij was geboortig uit de stad Stompzinnigheid, enige uren ten noorden van de stad Verderf en even ver verwijderd van de plaats vanwaar ik afkomstig ben. Wij kenden elkander zeer goed, want hij was mijn oom, een broeder van mijn vader. Er was een grote overeenkomst tussen ons, wat het karakter betreft, en ik geloof ook dat wij uiterlijk enige gelijkenis hadden”.

Eerlijk: „Nu bespeur ik het ook en ik kan volkomen begrijpen dat gij met elkander verwant zijt, want gij hebt dezelfde bleke gelaatskleur, dezelfde oogopslag en ook uw spraak heeft veel overeenkomst met de zijne”.

Kleinmoedig: „Velen, die ons beiden gekend hebben, beweren dit, en daarbij allerlei hoedanigheden die ik in hem heb opgemerkt, heb ik in mijzelf ook waargenomen”.

Hier wordt dus van tweeërlei familieband gesproken. De eerste van Adamswege en de tweede van Christuswege. Gelijk de geboorteplaatsen niet ver van elkander verwijderd lagen, is er ook maar weinig verschil te bemerken tussen Stompzinnigheid en Onzekerheid. Beiden missen van huis uit een vaste en scherpe gedachtengang, want het denken vanuit de mens is stompzinnig en onzeker, daar hij verduisterd is in zijn verstand. Maar van Christuswege hebben zij door Zijn Geest een scherpe en vaste gedachtengang. Zij hebben een wijs hart van de Heere ontvangen. Geleerd van de Heere, hebben zij tot roem van Zijn genade een gezonde kennis van geestelijke zaken.

„Kom mijn vriend”, zei de trouwe Gajus, „wees welgemoed, gij zijt welkom in mijn huis! Begeer maar wat gij verlangt en wat gij behoeft, en als mijn dienstboden iets voor u kunnen doen, zijn zij geheel .tot uw. dienst”. ..Welk een ongedachte gunst valt mij te beurt”, zei Kleinmoedig, „het is als de zon, die door de donkere wolken heenbreekt. Moest de aanval van de reus nu daartoe leiden, dat ik hier zulk een welkom onthaal vinden mag?”

Nauwelijks had hij deze woorden geuit, of één der huisgenoten kwam haastig binnengelopen en deelde mee, dat op een uur afstands een zekere pelgrim Nietrecht door de bliksem getroffen was en op de plaats dood was gebleven.

„Ach”, zei Kleinmoedig, „is hij gedood? Een paar dagen voor ik hier kwam, had hij mij ingehaald en wilde mijn reismakker zijn. Toen Verdelger de reus ons overviel, was ook hij bij mij. Hij was echter vlug ter been en ontsnapte. Maar het schijnt dat hij ontsnapte om te sterven en dat ik gegrepen werd om te leven”.

Wat rechtstreeks scheen te leiden tot de dood. Bevrijdt ons dikwijls uit de bangste nood, Beschikkingen, waar we als de dood voor beven Verstrekken vaak de nederigen ten leven.

Ik werd gegrepen; hij ontkwam en vlood,

Maar kruislings ging ’t, ik ’t leven, hij de dood.

Een bericht dat tot nadenken stemt. Elk ogenblik kan onze levensdraad afgesneden worden. Kennen wij de Heere zoals Hij gekend moet worden tot zaligheid? Kunnen wij Hem ontmoeten, of ligt er nog een onverzoende schuld op onze konsciëntie? Laten wij ons innerlijk toch met ernst beproeven aan de proefsteen van Gods getuigenis. Maar desniettemin gaat de gang van het leven door.

Weldra naderde de tijd waarop het huwelijk tussen Mattheüs en Barmhartigheid werd voltrokken, en ook gaf Gajus zijn dochter Phebe ter vrouw aan Jacobus: daarna vertoefden zij nog enkele weken in het huis van Gajus, en brachten de tijd door naar het gebruik der pelgrims. Toen de dag van het vertrek bepaald was, bereidde de heer des huizes een feestmaal en zij aten en dronken en verheugden zich in eenvoudigheid des harten.

Nu was de ure van scheiden gekomen, waarom Stoutmoedig om de rekening vroeg. Maar Gajus wilde daarvan niets horen, en zeide, dat bij hem als vaste regel gold, dat pelgrims nooit het geringste mochten betalen voor hun onderhoud. Steeds stond zijn huis voor hen open, en hij wachtte zijn betaling van de Barmhartige Samaritaan, die hem beloofd had, dat hij bij zijn wederkomst alles zou vergoeden wat hij aan hen zou ten koste leggen. Toen zei Stoutmoedig tot hem: „Geliefde, gij doet trouwelijk in al hetgeen gij doet aan de broeders en aan de vreemdelingen, die getuigd hebben van uw liefde in de tegenwoordigheid der gemeente; welke indien gij geleide doet, gelijk het Gode waardig is, zo zult gij weldoen”.

Toen nam Gajus hartelijk afscheid van allen, inzonderheid van zijn kinderen en van Kleinmoedig, wie hij voor de reis nog enige versterkingen meegaf.

En Gajus deed geleide, hij gaf hun blijken en bewijzen van zijn liefde bij het afscheid, die ook dienden tot herinnering op de weg. Het was alsof hij met zijn hart en gebed deze reizigers vergezelde naar Sion.

Hierin werd de onderhouding van de gemeenschap der heiligen bestendigd. Het was dus in de grond der zaak een voorthelpen op de weg, een verstrekken van hetgeen men daartoe nodig had. En daarin werd de zorgende liefde van Gods barmhartigheid gesmaakt.

Nadat zij de huisdeur waren uitgegaan, scheen het dat Kleinmoedig in de zin had achter te blijven. Zodra Stoutmoedig dit bespeurde, zei hij: „Kom, broeder Kleinmoedig, gij moet met ons meereizen, ik zal uw leidsman zijn en wij zullen lief en leed samen delen”.

Kleinmoedig: „Ach, ik heb een reismakker nodig, die geheel en al bij mij past. Gij allen zijt levenslustig en sterk, maar ik zoals gij ziet, ben zwak. Liever wil ik dus, om mijn vele zwakheden, achteraan komen, ten einde niet mijzelf en u tot last te zijn. Ik ben, zoals gij weet, van zeer gevoelige en zwakke aard, en wat vele anderen kunnen dragen, zal mij hinderen en aanstoot geven. Ik houd niet van vrolijk lachen, van fraaie klederen, van nutteloze vragen. Ik ben zo zwak, dat het misschien mij ergert, waarin anderen geen bezwaar vinden. Ik weet al de waarheid niet, ik ben nog maar een zeer onkundige pelgrim. Het gebeurt wel eens dat ik zie hoe een ander zich verblijdt in de Heere, en dan ben ik enkel onrust, omdat ik zijn blijdschap niet kan delen. Ik gevoel mij als een zwakke onder de sterken, als een kranke temidden van gezonden, een verachte fakkel, naar de mening desgenen die gerust is, zodat ik niet weet wat te doen”.

„Maar broeder”, sprak Stoutmoedig, „ik heb in opdracht de kleinmoedigen te troosten en de zwakken te ondersteunen. Het is goed voor u indien gij met ons gaat; wij zullen onze voetstappen richten naar de uwe, en u helpen, wij zullen onszelf verloochenen om uwentwil, zowel wat onze meningen als wat onze daden betreft. Wij zullen niet spreken in uw bijzijn over twijfelachtige punten, wij zullen trachten u in allen alles te wezen, liever dan dat gij bij ons zoudt achterblijven”.

Alles wordt in het werk gesteld door Stoutmoedig om Kleinmoedig er bij te houden. Door aan zijn redenering toe te geven zou de man wel een zonderling kunnen worden, terwijl pelgrims zich als mens onder de mensen hebben te gedragen. Pas heeft hij zo loffelijk gesproken van de Heere, gezongen van Zijn daden in de onderhouding van de gemeenschap der heiligen en nu wil hij zich weer terugtrekken om gedurig in zelfbeklag neder te zitten, tot grote schade van zijn innerlijk leven. De Heere wil dat wij als gast en vreemdeling op de aarde, de dingen zoeken die boven en eeuwig zijn. Het pelgrim zijn is mens worden door te leren leven vanuit de Schrift. „Opdat de mens Gods volmaakt zij, tot alle goed werk volmaaktelijk toegerust”. Maar gelukkig stelt Stoutmoedig alles in het werk Kleinmoedig er bij te houden, naar de opdracht van zijn Meester en de liefde tot zijn persoonlijk leven als kind des Heeren.

Nijkerk

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.