+ Meer informatie

Naarde katechisatie

6 minuten leestijd

119

HET GELOOF (7)

b) het toestemmen des geloofs.

Zo hebben we dus met elkander bezien, waarin de KENNIS in het geloof bestaat en wezenlijk onderscheiden is van een alleen verstandelijk weten over hetgeen God geopenbaard heeft in Zijn Woord. Dit verstandelijk weten is wel van betekenis, ja, is noodzakelijk tot onderscheiding van alle leugenleer. Maar het is niet genoeg tot zaligheid. Daartoe is nodig een ZALIGMAKENDE kennis, welke in het hart van de zondaar wordt gewerkt door de Heilige Geest.

Toch moeten we nog enkele dingen opmerken ten opzichte van deze kennis.

De kennis des geloofs doet de zondaar door ontdekkend licht des Geestes verstaan zijn diepe rampzaligheid buiten God en Christus. Gods Geest laat zien de onmogelijkheid om door eigen werken, door eigengerechtigheid met God verzoend te worden. Hij ziet zijn vloek- en strafwaardigheid in het licht van Gods heiligheid en rechtvaardigheid. Die kennis dringt zó in het hart door, dat zij een droefheid naar God verwekt, een hartelijk schuldbesef en een dorst en honger naar den Heere en naar verzoening, welke de Heere vervult uit de ontsluiting van de mogelijkheid van zalig te kunnen worden uit vrije genade, door de weg der verlossing, in de belofte van het Evangelie geopenbaard. Naar mate de kennis toeneemt, verkrijgt de ziel licht over het volkomen Borgwerk van Christus, waardoor Jezus noodzakelijk, dierbaar, gepast en algenoegzaam wordt en Zijn Gerechtigheid albedekkend, om, door beoefening van het rechtvaardigend geloof Christus aan te nemen en met Job te mogen getuigen: „Ik weet, mijn Verlosser leeft.”

Steeds dieper dringt de kennis des geloofs door tot de heilgeheimen der zaligheid bij het opwassen in de genade en kennis van den Heere Jezus Christus. Deze kennis doet ook opwassen, zij het in de weg van strijd, in de beoefening van de vreze des Heeren. Spr. 1 : 7: „De Vreze des Heeren is het beginsel der wetenschap.” En Spr. 2 : 6: „Want de Heere geeft wijsheid, uit Zijn Mond komt kennis en verstand.”

Wanneer we het Hebreeuwse woord voor „kennen” (jada) raadplegen, blijkt, dat het kennen bij de Israëliet subjectief van aard is. Hij geeft weer, wat hij persoonlijk gehoord, gevoeld, gedacht en ondervonden heeft gedurende de ontmoeting met het voorwerp van zijn onderzoek. Zo ook bij de vromen onder Israël ten opzichte van de kennis van God. Daarbij is opmerkenswaard, na te gaan, hoe men over de werkelijkheid der dingen, over de waarheid oordeelde.

De eeuwige, boventijdelijke, onzichtbare dingen treden in de ZICHTBARE dingen op hem toe. God handelt in de zichtbare werkelijkheden. HIJ ontmoet en ervaart God in de geschiedenis, in de uittocht van Israël uit Egypte o.m., in Gods oordelen en zegeningen enz. Dit wil met zeggen, dat men niet erkent de onzichtbare, eeuwige dingen. Integendeel. Maar die worden openbaar in de zichtbare dingen. Doch, weer goed verstaan: niet op pantheistische manier: éénwording van God en het schepsel.

Me dunkt, de betekenis van het Hebreeuwse woord heeft toch wel veel te zeggen voor de dwaasheden van de moderne theologie en haar opvattingen over Genesis twee en drie, enz. Doch ter zake.

In de betekenis van het Hebreeuwse woord voor „weten”, „kennen” komt ook uit, dat het kennen der dingen tevens bevat het element van erkennen. God kennen moet gepaard gaan met Hem te erkennen.

Wie God kent is niet iemand, die zonder meer veel van God weet, maar die God vreest, door Hem te ERKENNEN.

Dit brengt ons tot de bespreking van het tweede element in het zaligmakend geloof: het toestemmen des geloofs.

Deze toestemming van wat God in Zijn Woord geopenbaard heeft is ook weer niet een uiterlijk instemmen met de waarheid. Maar zij heeft verzegelende kracht. Het wijst op „aannemen” van het Woord des Heeren. Zo lezen we van de 3000, die op de Pinksterdag te Jeruzalem werden toegebracht (Hand. 2 : 41) „Die dan zijn woord gaarne aannamen, werden gedoopt.”

Vooral ook I Joh. 5 : 9 en 10 wijst duidelijk op het „toestemmen” des geloofs. We lezen daar: „Indien wij de getuigenis der mensen aannemen, de getuigenis van God is meerder; want dit is de getuigenis van God, welke Hij van Zijn Zoon getuigd heeft. Die in de Zoon van God gelooft, heeft de getuigenis in zichzelf. Die God niet gelooft, heelt Hem tot een leugenaar gemaakt, dewijl hij niet gelooft de getuigenis, die God getuigd heeft van Zijn Zoon.”’

De toestemming des geloofs is een „amen” zeggen op wat God zegt in Zijn Woord, met volkomen verloochening van eigen waardigheid en kracht.

We hebben een vrouw gekend, die reeds vele jaren voor Gods Troon juicht, maar die op krachtdadige wijze is getrokken uit een modern, ijdel leven. Zij ging nog gezond voor een paar weken naar een pension van een Godvrezende zuster. Zij werd echter ziek, zeer ernstig. Op een morgen vroeg zij tot verbazing aan de pensionhoudster om een Bijbel. Zij kreeg deze direkt. Een paar dagen daarna vernam de pensionhoudster waarom zij om een Bijbel vroeg. Zij zei: o vrouw, toen ik de Bijbel las, opende God mijn blinde zielsogen en toen zag ik, dat al de vloekspraken mij golden. En zij moest amen zeggen op deze. Maar zij heeft ook amen mogen zeggen op de aan haar toegepaste belofte van het Evangelie van Gods genade. Die twee weken zijn geworden, naar ik meen, twee jaren in datzelfde pension. Ruim is zij mogen heengaan naar haar eeuwig tehuis! „Heilig zijn, o God, Uw wegen!”

In dit „toestemmen” des geloofs wordt dus de zekerheid van de waarheid gekend en erkend. Maar hoe komt het dan, dat somtijds bij de gelovigen nog zulke twijfelingen kunnen opkomen?

Deze twijfelingen bestaan echter niet uit een bezwijken van het gelóóf zelf, maar zij vinden haar oorzaak in de gelovigen, in Gods kinderen, zélf. Onkunde, ongeloof, bestrijdingen kunnen nog zulke parten spelen in hen. Denk maar aan Petrus, toen hij, wandelend over de golven, tot Jezus wilde gaan. „Maar ziende de sterke wind, werd hij bevreesd.” Toch was zijn geloof niet weg. Dat kan ook niet. „En als hij begon te zinken, riep hij, zeggende: Heere, behoud mij!” En wanneer later Petrus op de zee van satan zal geworpen worden en Zijn Heere driemaal kwam te verloochenen, had Jezus ’t hem al verzekerd: „Maar Ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet ophoude.” En die beproefde vader sprak eens. „ik geloof, Heere! kom mijner ongelovigheid te hulp.” Hij wilde zeggen: het ongeloof is van mij, dwaze.

Lezer (es) kent u iets van die ware kennis, waaraan ten nauwste verbonden is de toestemming? Kent u ook die bestrijdingen? Want het ware leven en de geloofsoefeningen worden bestreden. De duivel komt nooit op een leeg schip af, maar wel op een vol schip. Urk.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.