+ Meer informatie

CHRISTUS-BELIJDENDE KERKEN ZIJN IN EEN MULTICULTUREEL NEDERLAND

20 minuten leestijd

In deze lezing wil ik graag een aantal kerngedachten uiteenzetten over kerk zijn in de 21e eeuw, in een multicultureel Nederland. Het is niet mijn bedoeling om dit onderwerp, of zelfs belangrijke aspecten daarvan, uitvoerig te bespreken. Ik hoop wel dat de kerngedachten u stimuleren om er verder over na te denken, er over te discussiëren, er over te lezen, en in verband ermee te bidden! Praten en lezen zonder bidden, dat doen we te veel als gereformeerden…

Laat ik beginnen door te zeggen dat ik zelf een voorbeeld ben van een “multiculture-le” factor in de Nederlandse samenleving! Ik ben een Amerikaan, zonder Nederlandse afkomst, nu predikant van een Nederlandstalige kerk. Verder is onze gemeente in Den Haag actief op het gebied van evangelisatie onder allochtonen. Onze evangelist br. Sylvador Abdel Rahman, een voormalige imam uit Soedan, nu overtuigd christen, is dagelijks bezig om het evangelie uit te dragen onder Arabisch sprekende mensen in onze omgeving. Een unieke situatie in Nederland, voor zo ver ik weet. Een wonder van Gods genade, onze br. Sylvador. Dat kun je wel zeggen. We zijn diep onder de indruk van de wijze waarop God ons wil gebruiken om verloren mensenkinderen tot geloof in Jezus Christus te brengen.

De uitdagingen voor het christendom in Nederland van onze tijd en van de toekomst zijn enorm. De kerken verliezen jaarlijks tienduizenden leden. Zelfs bijbelgetrouwe kerken vinden het moeilijk om hun eigen leden vast te houden. De secularisatie dendert voort, ondanks opiniepeilingen die aanwijzen dat er bij velen een honger naar diepere zingeving bestaat, en zelfs naar spirituele antwoorden op hun vragen. Tegelijkertijd zien we de snelle groei van de islamitische bevolking, vooral Turken en Marokkanen. Als deze trend zich voortzet zullen er binnenkort meer moslims dan christenen in Nederland zijn.

Christus belijden

In Matteüs 10:32 en 33, staan de aangrijpende woorden van onze Heiland: “Een ieder dan, die mij belijden zal voor de mensen, hem zal ook Ik belijden voor mijn Vader, die in de hemelen is; maar al wie Mij verloochenen zal voor de mensen, die zal ook Ik verloochenen voor mijn Vader, die in de hemelen is.” Of, in de woorden van de Groot Nieuws Bijbel: “leder die tegenover de mensen er openlijk voor uitkomt dat hij bij Mij hoort, voor hem zal ik hetzelfde doen tegenover mijn Vader in de hemel. Maar wie tegen de mensen zegt Mij niet te kennen, over hem zal ik hetzelfde zeggen tegen mijn Vader in de hemel.”

Als wij het hebben over de vraag hoe wij ons als Christus belijdende kerken tegenover een multiculturele samenleving moeten opstellen, zijn deze woorden alles bepalend. Het gaat er in de eerste plaats om dat wij, ieder voor zich, en samen als gemeenten, “er openlijk voor uitkomen” dat wij bij Christus horen. Belijdend christen en belijdend kerk zijn, zijn geen vanzelfsprekendheden, geen automatismen vanuit onze persoonlijke levensloop en vanuit onze eigen kerkgeschiedenis, maar een blijvende, actuele roeping van onze opgestane Here.

De eschatologische ernst van deze woorden kunnen we niet missen. Het gaat hier over hemel of hel, eeuwige zegen of eeuwige straf. Mensen die zich discipelen van Jezus noemen, toen en nu, staan telkens weer voor een ontzagwekkende keus: òf hun Verlosser en Koning belijden, òf Hem verloochenen. Een derde mogelijkheid is er niet. Wij als christenen, als ambtsdragers, als kerken kunnen proberen ons geloof te camoufleren. Ons zo aanpassen aan onze omgeving dat niemand merkt dat we discipelen van Christus zijn. Onzichtbare discipelen. Een comfortabel leven zoeken, met alle gerieflijkheden van onze moderne verzorgingsstaat, en alle mogelijk conflict uit de weg gaan. Maar, zegt de Here Jezus in de volgende verzen van deze passage in Matteüs 10, voor ware belijders van zijn naam zal dat onmogelijk zijn. “Meent niet, dat Ik gekomen ben om vrede te brengen op aarde; Ik ben niet gekomen om vrede te brengen, maar het zwaard. Want ik ben gekomen om tweedracht te brengen tussen een man en zijn vader en tussen een dochter en haar moeder en tussen een schoondochter en haar schoonmoeder; en iemands huisgenoten zullen zijn vijanden zijn” (vs.34,35).

De sjalom die Christus geeft is geen verdovend middel dat de mensheid in slaap sust. Deze sjalom roept tegenstand op, schept tweedracht, veroorzaakt conflict, stoort telkens weer de schijnvrede van een wereld onder de macht van de boze. Tot en met de intiemste kringen van je eigen familie. Het evangelie, zegt Paulus in 1 Kor.1, is nog altijd een skandalon, een aanstoot voor Joden, voor niet-Joden een dwaasheid, maar voor hen, die geroepen zijn, Joden zowel als Grieken, de kracht en de wijsheid van God (1 Kor. 1.23,24).

Het is de kracht van dit evangelie dat ons leven wil transformeren. Een kracht die Christus mensen geeft zodat ze Hem gaan liefhebben zelfs boven vader of moeder, zoon of dochter. Mensen beginnen hun kruis op te nemen en achter Jezus aan te gaan. Hij zegt in vers 39 van Maft. 10: “Wie zijn leven vindt, zal het verliezen, maar wie zijn leven verliest om Mijnentwil, zal het vinden.”

Deze roeping van de Here Jezus is de roeping, nogmaals, om Hem te belijden “voor de mensen” (vs.32). Ook voor de mensen van onze multiculturele, diverse maatschappij. Publiek. Openlijk. Duidelijk. Met eeuwige consequenties als we dat niet doen. Ik ben er van overtuigd dat we niet in staat zullen zijn goed en vruchtbaar om te gaan met onze multiculturele samenleving van nu en straks, als we dit belijden vermijden of laten vervagen.

Wie is Jezus?

Een aantal hoofdstukken verder in Matteüs, in Matt.16, daagt de Here Jezus Zijn dis-cipelen uit. Mensen zeggen verschillende dingen over Jezus. Hij zou Johannes de Doper zijn, teruggekeerd uit de dood, of Elia, of Jeremia, of één van de profeten. “Maar jullie, wie zeggen jullie, dat Ik ben?” Petrus geeft als antwoord: “U bent de Christus, de Zoon van de levende God!” (vs. 16) De Here Jezus is blij met dit antwoord. “Zalig ben jij, Simon Barjona! Want mensen van vlees en bloed hebben je dat geheim niet onthuld, maar mijn Vader in de hemel”.

Christus belijden, als individu, of als kerk, is niet alleen maar zeggen dat je een volgeling van de Here Jezus bent, maar een concrete benaming van Wie Jezus Christus is. Sinds de 18e eeuw is het mode geworden in protestantse theologische kringen om de opvatting van Lelio en Fausto Socinus uit de 16e eeuw te volgen, waarbij Jezus gezien wordt als niet meer dan een mens. Een mens, een profeet, weliswaar die dicht bij God leefde en die ons in contact met God kan brengen, maar niet meer dan een mens. Zelfs een belangrijke, en zeker niet extreem vrijzinnige theoloog uit het midden van de Hervormde kerk, H. Berkhof, kon het volgende zeggen in zijn dogmatisch werk, Christelijk Geloof. “Jezus de Zoon (is) de nieuwe scheppingsinzet van God…, de eigenlijke mens naar zijn beeld…” (4e druk, p.307). Berkhof wijst de klassieke christelijke leer over de drie-eenheid ondubbelzinnig af, en daarmee Jezus’ identiteit als tweede persoon in de drie-eenheid. Tegelijkertijd probeert hij Jezus te waarderen als Zoon van God in de zin van verbondspartner bij uitstek van God (p.305).

Met alle respect voor Berkhofs kennis, denkvermogen, en vrome intentie, dit is niet wat wij belijden als kerken van Christus over onze Here Jezus! Met de oude kerk uit de 4e eeuw na Christus belijden we in de woorden van de geloofsbelijdenis van Ni-cea: “Wij geloven… in één Here Jezus Christus, de eniggeboren Zoon van God, geboren uit de Vader vóór alle eeuwen, God uit God, Licht uit Licht, waarachtig God uit waarachtig God; geboren, niet geschapen, één van wezen met de Vader; door Hem zijn alle dingen geworden.” Dit oecumenisch belijden wordt herhaald in onze belijdenissen uit de 16e eeuwse Reformatie. In art. 10 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis staan de volgende woorden: “Wij geloven dat Jezus Christus naar zijn goddelijke natuur de eniggeboren Zoon van God is, van eeuwigheid voortgebracht.… Hij is Gods Zoon, niet alleen sinds Hij onze natuur heeft aangenomen, maar van alle eeuwigheid.” Daarna volgen “getuigenissen” uit het Oude en Nieuwe Testament die de bijbelse basis vormen van deze belijdenis dat Jezus Gods Zoon is. Helder en majestueus staat er in Joh.1.1 : “In het begin was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God (Grieks: kal theos ên ho logos).” Met Petrus, met Nicea, met de Hervormers, Luther en Calvijn, en met zo veel andere trouwe belijders van Christus door de eeuwen heen, moeten wij als Christus-belijders doorgaan in dit spoor!

In het kader van een mogelijke ontmoeting en dialoog met vertegenwoordigers van de islam zou het verleidelijk kunnen zijn om op dit punt vaag en ontwijkend te zijn. We lezen immers in de Koran telkens weer dat Allah zelf zegt dat Jezus een grote profeet was, maar zeker niet zijn zoon. In Soera 4 (“Vrouwen”), vers 171, bijvoorbeeld, van de Koran, lezen we: “Gelooft dan in God en zijn gezanten en zegt niet: <Drie.> Houdt daarmee op, het is beter voor jullie. Immers, God is één God. Geprezen zij Hij! Dat Hij een kind zou hebben!” (implicerend: dat kan niet! J.M.B.) (De Koran: een weergave van de betekenis van de Arabische tekst in het Nederlands door Fred Leemhuis (10e druk, 2002), p.76). Bij zo’n dialoog zou er tijd genomen moeten wor-den om duidelijk te maken dat de christelijke belijdenis dat Jezus Gods Zoon is, niets te maken heeft met een biologische verwekking of iets dergelijks. Maar het zal elke keer wel nodig zijn om te benadrukken dat wij als christenen, vanuit de bijbel, ervan overtuigd zijn dat Jezus Christus God en mens is. Zoals we belijden in de Geloofsbelijdenis van Athanasius: “God is Hij uit het wezen van de Vader, voortgebracht vóór de tijden, en mens is Hij uit het wezen van zijn moeder, geboren in de tijd” (art.29).

Voor de mensen: missionair

Christus roept ons op om ‘Voor de mensen” (Grieks: emprosthen tôn anthrôpôn) ons geloof in Hem te belijden. Deze uitdrukking komen we verschillende keren tegen in Matteüs. Bijvoorbeeld, eerder in Matt.5.16, in de Bergrede. Daar zegt de Here Jezus: “Laat zo uw licht schijnen voor de mensen (Grieks: emprosthen tôn anthrôpôn), opdat zij uw goede werken zien en uw Vader, die in de hemelen is, verheerlijken.” Of zoals de Groot Nieuws Bijbel die laatste woorden vertaalt: “…Dan kunnen zij het goede zien dat u doet, en zullen zij uw Vader in de hemel eer bewijzen.” We letten op de verschillende uitwerkingen van zo’n belijden en goede werken doen. Spreken en leven als christen, dat zal aan de ene kant tweedracht scheppen, zoals we in Matt. 10 zagen (vs. 32-36). Maar volgens Jezus hier in Matt.5 zal dat spreken en leven ook een transformerend effect hebben op sommige mensen die het waarnemen (Matt. 5.16). Deze mensen zien het licht van Jezus in het leven van zijn volgelingen, en zij beginnen de hemelse Vader van deze christenen te verheerlijken, Hem eer te bewijzen!

Het is opvallend vanuit deze en andere passages dat de Here Jezus een kerk “Voor de mensen,” “tegenover de mensen,” de mensen van de wereld, wil scheppen. Niet naar binnen gekeerd, met alleen een boodschap voor zichzelf, en met alleen activi-teiten voor zichzelf, maar naar buiten gericht, naar de (nog niet gelovige) mensen toe. Belijden is niet alleen maar een soort heldendaad, waardoor je bewijst dat je trouw bent aan je Heer. Het is een belijden vergezeld van een levensstijl, die je Heer wil gebruiken om die anderen, de buitenstaanders, te bereiken en te veranderen door Zijn liefde en genade. Ook als ze misschien eerst supervijandig zijn. Denk aan Paulus, die eerst alle christenen wilde doden, en later de grote apostel en zendeling werd in de multiculturele samenleving van het Romeinse rijk. “Voor de mensen”, dat is heel breed en zonder onderscheid: in de context van het Nieuwe Testament Joden of niet-Joden; in onze context autochtonen of allochtonen, westerlingen of oosterlingen, producten van jaren van secularisatie of van een recente immigratie naar Nederland.

Verder, in het licht van Pinksteren weten we met extra zekerheid dat de kerk een kerk is met een boodschap voor de wereld. De wereld van mensen waar ze zich ook bevinden. De opgestane Jezus Christus zei in Matt.28.19: “Gaat dan heen, maakt al de volken tot mijn discipelen…” En in Hand. 1 en 2 zien we hoe Christus de kerk kracht geeft om deze opdracht uit te voeren. Hand. 1.8: “…u zult kracht ontvangen, wanneer de Heilige Geest over u komt, en u zult mijn getuigen zijn te Jeruzalem en in geheel Judea en Samaria en tot het uiterste van de aarde.” We zien de vervulling van deze profetie in Hand.2, als de Geest neerdaalt op de discipelen, vrouwen en mannen, uit de handen van Christus in de hemel. De Heilige Geest is een missionaire Geest!

Drs. C.J. (Kees) Haak is universitair docent missiologie aan de (vrijgemaakt) Gereformeerde Theologische Universiteit in Kampen. In 1999 verscheen zijn boekje, Kerk in de 21e eeuw. Hij schrijft daar: “(We moeten) Niet langer alleen kijken welke voordelen de kerk te ontvangen heeft uit de leer van de genade, maar ook op zoek gaan naar de voordelen voor de wereld. Er moet een wereld-gerichte studie van de Schriften komen. En in het verlengde daarvan, een wereld-gerichte belijdenis. Een belijdenis voor ui Pro vobis, pro mundis. Voor de wereld. Belijden met het oog op de wereld, op mensen buiten de kerk. Niet ons, maar ú!… Ik bedoel een belijdenis pro vobis, die de wereld aanspreekt, ontmaskert, concreet oproept, tegemoet treedt met het kruis, aandringt en bekering vraagt, ja… eist. Die de confrontatie opzoekt en aangaat, om een reddende hand uit te steken naar een wereld in nood” (p.26). Dat werk van opnieuw belijden met het oog op de multiculturele wereld om ons heen, misschien een nieuw belijdenisgeschrift voor de Nederlandse kerk van de 21e eeuw, ligt nog voor ons. Wie pakt het op?

Haak schrijft dat het evident is geworden dat we niet meer leven in een tijd waarin de kerk een bevoorrechte positie heeft. Wij, zeker wij orthodox-gereformeerden, zijn een kleine minderheid geworden. Het is tijd om te ontdekken dat de kerk, Christus belijdend, en gevuld door de Heilige Geest, meer en meer missionair moet worden. Dat was altijd zo. Maar het werd niet altijd goed gezien. Nederland is een zendings-veld geworden. Door de geestelijke afval van decennia, eigenlijk drie eeuwen. Door de komst van niet-christelijke bevolkingsgroepen naar Nederland.

Als het zo is dat Nederland een zendingsveld is geworden, is het handig om opnieuw te kijken naar het werk van theologen en missiologen uit het verleden. Zij schreven over zending “ver weg,” in landen zoals Indonesië, maar openen een verrassend perspectief over kerk zijn in Nederland in de 21e eeuw.

In het boekje van de beroemde missioloog dr. Hendrik Kraemer, Waarom Zending juist nú, uit 1936, vond ik de volgende tekst: “Zending, d.i. getuigenis aangaande Jezus Christus tot alle menschen en alle volkeren, is een kwestie van leven en dood voor de Christelijke Kerk. Volgens het Nieuwe Testament doet God de supreme daad Zijn heilswil over de menschen en over de wereld in vleesch en bloed kenbaar te maken in de verschijning, het leven, sterven en opstaan van Jezus Christus. De verkondiging van deze daad was de eerste opdracht die de discipelen kregen, en ook de eerste opdracht, die zij uitvoerden als apostelen. De uitvoering van die opdracht was het leven en de zin van de gemeenschap der geloovigen… Met de uitstorting des Heiligen Geestes wordt de gemeente en wordt tevens de Zending geboren. De gemeente is niet in de eerste plaats een gemeenschap van gelijkgezinden en gelijkden-kenden, maar een apostolische gemeenschap, de geroepen draagster van een Boodschap, de geroepen verkondigster van Gods openbaring” (p.46).

Zending is niet alleen iets voor landen ver weg. Zij is voor hier, in Nederland, nú, in het jaar 2003. Dit perspectief kan niet anders dan grote gevolgen hebben voor de vraag hoe we kerk zijn in de tijd die, in Gods plan, ons gegeven wordt. Onze kerkdiensten, onze taken als predikanten, ouderlingen en diakenen, onze vormen van verenigingen, bijbelstudies, gebedsgroepen, gemeentevergaderingen, onze financiële prioriteiten, onze theologische universiteiten, onze academies en scholen, moeten meer en meer gericht zijn op deze nieuwe situatie. Dit is nog niet echt tot ons doorgedrongen!

De Nederlandse kerken moeten in de jaren die komen enthousiaste, missionaire gemeenten worden. Haar geloof belijden, leven uit dat geloof, dat geloof verkondigen in de kracht van de Heilige Geest aan alle mensen in onze omgeving.

Onze multiculturele context

Het is niet als een alternatief voor onze missionaire taak, maar juist als onderdeel daarvan, dat we graag niet alleen een boodschap willen communiceren naar het Nederland van nu, maar ook in gesprek willen gaan met verschillende gesprekspartners om die boodschap over te brengen. Dezelfde Hendrik Kraemer die zo gepassioneerd kon opkomen voor de verkondiging van het evangelie, kon ook spreken over de noodzaak van een “ethic of dialogue,” een ethiek van de dialoog (zie N.J. Woly, Meeting at the Precincts of Faith: A Study on Twentieth Century Christian and Muslim Views on Interreligious Relationships and Its Impact on Missiology (diss. Theol. Universiteit Kampen (Oudestraat), 1998), p. 47). Een gesprek met niet-christenen is een noodzaak, als je echt contact met hen wilt hebben.

“Voor de mensen,” tegenover de mensen present zijn, bij het belijden van Christus, bij het verkondigen van Hem, je leven laten observeren door hen, brengt niet altijd direct verzet of geloof. God geeft vaak eerst de ruimte van het gesprek. Dat zien we in de evangeliën, waar de Here Jezus in gesprek gaat met de Samaritaanse vrouw in Joh.4. Dat zien we in het boek Handelingen, waar Paulus voortdurend in gesprek is met Joden en niet-Joden in verschillende steden. Zelfs Paulus’ rede op de Areopagus in Hand. 17 heeft de vorm van een soort dialoog met zijn Griekse culturele omgeving, waardoor hij de godsdienstige uitingen van de Atheners noemt en Griekse filosofen citeert. “Want in Hem (God) leven wij, bewegen wij ons en zijn wij, gelijk ook enige van uw dichters hebben gezegd: Want wij zijn ook van zijn geslacht” (Hand.17.28).

Typerend voor Paulus in Hand. 17 is dat hij positief gebruik kan maken van Grieks-filosofische uitspraken om uiteindelijk te zeggen dat ook de Grieken zich moeten bekeren en Jezus Christus aanvaarden als hun opgestane en terugkomende Rechter en Verlosser (Hand.17.30,31) Het is ook duidelijk dat Paulus direct in gesprek gaat met de mensen waar ze zijn, in de synagoge of op de markt. De weg van het evangelie “voor de mensen” is niet van een veilige afstand, maar van kwetsbaar dichtbij. Emotioneel verzet kan ontstaan (Matt.10), maar ook geloof in de Here Jezus (Matt. 5), als zo’n persoonlijk gesprek plaatsvindt (Joh.4, Hand.17).

Over de gesprekspartners gesproken, we moeten niet vergeten dat we in Nederland hoofdzakelijk te maken hebben met een geseculariseerde autochtone bevolking. Deze groep moet benaderd worden, zoals Kees Haak laat zien in zijn publicaties, niet vanuit de traditionele ecclesiologie, maar met de hulp van de missiologie, de zendingswetenschap, oud en nieuw. Ik denk ook dat de apologetiek, het verdedigen en uitdragen van het christelijk geloof met kennis van de vooronderstellingen van de niet-christelijke drijfveren van onze westerse cultuur, meer beoefend in de Angelsaksische wereld dan in Nederland, onmisbare diensten kan bewijzen. De recente oprichting van een netwerk van apologetische centra in Nederland, met als motor daarachter drs. Wim Rietkerk (van L’Abri en Nederlands Gereformeerde predikant), is een positief teken voor de toekomst. Rietkerk spreekt over de “machteloze gesprekken op de TV met mevrouw Catharine Keyl” als een bewijs dat bijbelse apologetiek broodnodig is in Nederland.

Als we de allochtone bevolking in beeld proberen te krijgen, moeten we eerst een paar misverstanden opruimen. Ten eerste, het zijn niet alleen moslims die hier zijn komen wonen. Een substantieel deel van de Surinaamse immigranten is hindoe. En let op de christenen die naar Nederland zijn gekomen! De Molukse gemeenschap is vitaal aanwezig. Er zijn veel Surinamers met een katholieke of protestantse achtergrond. Chinese en Koreaanse kerken zijn actief in de grote steden. Verder, een hele golf van immigratie naar Nederland is gaande vanuit Afrika, met daaronder veel Afrikaanse christenen. In Den Haag zijn er al verschillende Ghanese, evangelische kerken bijvoorbeeld, die hun diensten houden in het Engels. Één van de blij makende verrassingen van de toekomst zal de ontdekking zijn dat we veel broeders en zusters in Christus hebben uit allerlei landen die zich hier in Nederland hebben gevestigd. Zullen wij vormen van samenwerking kunnen treffen met zulke groepen en kerken?

Islam

Last but not least, de uitdaging van de islam in Nederland. Het is een psychologisch zeer precair moment. De grote meerderheid van de moslims, Arabisch sprekend of niet, is er diep van overtuigd dat Amerika, in een complot met Israël, de moslims in de wereld wil onderwerpen aan hun macht, zo niet vernietigen. Naar hun oordeel is de oorlog in Irak alleen maar de voorbode van een reeks oorlogen in de toekomst, waardoor het hele Midden-Oosten een Amerikaanse kolonie zal moeten worden. Verder zien ze op dit moment alle christelijke kerken als vijanden van hun geloof, ondanks de uitspraken van de Paus en de Wereldraad van kerken. Hoe is het mogelijk om zulke diep wantrouwende mensen te bereiken met het evangelie? Menselijkerwijs gesproken heeft het geen enkele zin.

En toch! Net zoals Hendrik Kraemers boekje over Zending-in-het-algemeen verrassend actueel is geworden, zo is zijn boekje over de Islam uit 1938, De Islam als Godsdienstig- en als Zendingsprobleem dat ook. In dat boekje beschrijft Kraemer een strategie om de harten van moslims te bereiken. Hij zegt: “het eigen streven moet gericht zijn op de duidelijke verkondiging van het Evangelie, zonder het negatieve begeleidingsverschijnsel van ‘aanval op den Islam,’ en dat het vooral gaat om het treffen van hart en geweten… het moderne wereldverkeer, de groote hergroepeering en de verschuivingen, welke de wereld doormaakt, brengen de Christelijke en de Moehammedaansche volken in nauw contact met elkaar. De Christelijke Kerk mag zich èn om de op haar rustende getuigenisplicht èn om deze wereldhistorische aanraking met elkander niet aan haar getuigenisplicht onttrekken” (p.48). Terwijl Kraemer de ontmoeting tussen de christelijke kerk en de islam alleen buiten Europa zag gebeuren in de jaren ’30 van de 20e eeuw, zien we nu deze ontmoeting, tenminste de mogelijkheid van een ontmoeting ook binnen Europa en binnen Nederland plaatsvinden. Verschillende zendingsvelden hebben zich op eigen initiatief naar Nederland overgeplaatst. Een wending, in Gods voorzienigheid, van enorme betekenis.

Tot nu toe is zo’n ontmoeting, inclusief de Kraemeriaanse “ethiek van de dialoog,” in Nederland niet echt op gang gekomen. Voornamelijk omdat wij als kerken onze omgeving niet als een zendingsveld hebben geëvalueerd. Maar, we zijn nu gemotiveerd door de nieuwe inzichten in Gods Woord en in de wereld waar God ons geplaatst heeft. We zien nu hoe de kerk primair missionair is en moet zijn. We zien hoe Christus ons roept om Hem te belijden, zijn heil te verkondigen, uit zijn liefde en kracht te leven voor de ogen van alle mensen die we tegenkomen. We mogen hopen en bidden dat zo’n ontmoeting in de toekomst een werkelijkheid mag worden.

Christus-belijdende christenen en kerken zijn in onze multiculturele samenleving, “voor de mensen,” tegenover alle mensen in onze samenleving, dát is onze hoge roeping. God in zijn soevereine genade geve ons de kracht om die roeping in geloof gehoor te geven!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.