+ Meer informatie

MOET MEN VAN OPHOUDEN WETEN?

8 minuten leestijd

Onze kerken teilen heel wat emeritus-predikanten, ruwweg zo’n vijf en dertig. Daarmee mogen we als kerken gelukkig zijn. Het is een verheugende zaak als predikanten zowel fysiek als psychisch in gezonde staat de eindstreep van hun actieve ambtsperiode mogen halen. Het is niet het deel van alle dienaren van het Woord. Bij de een meer dan bij de ander, afhankelijk van wat op hun ambtelijke gang door de kerken hen af kwam, kan de ambtelijke loopbaan enerverend zijn geweest en een grote wissel op de gezondheid hebben getrokken. Soms zijn er in het leven van predikanten al in een eerder stadium gezondheids-problemen, zonder direct aanwijsbare oorzaken van buitenaf. Degenen die we op dit moment in zulke omstandigheden weten, mogen wel voortdurend in de gedachten en gebeden van de kerken worden aanbevolen.

Er is overigens nog een reden om met veel emeritus-predikanten als kerken gelukkig te zijn. Wie de regionale kerkbladen met regelmaat op de predikbeurten doorneemt, komt daarbij veel namen van geëmeriteerde predikanten tegen. Zij worden door of namens veel kerkenraden nog graag voor een preekbeurt uitgenodigd. En aan die uitnodigingen wordt in de regel graag gevolg gegeven, allereerst omdat de drang tot verkondiging van het Evangelie bij de emeritaatsverlening niet ophoudt, terwijl voor sommigen onder de emeritus-predikanten het honorarium van een preekbeurt hier en daar een welkome, zij het bescheiden aanvulling op de emeritaatsuitkering kan zijn. Zou het ‘bestand’ van onze emeritus-predikanten kleiner zijn dan nu het geval is dan zouden in de kerken heel wat meer leesdiensten moeten worden gehouden. In een regionale samenkomst van ambtsdragers waarin ik enkele weken geleden te gast mocht zijn, bleek nog weer eens hoezeer door ouderlingen die taak als moeilijk wordt ervaren, niet in de laatste plaats vanwege de geringe beschikbaarheid van echt goed leesbare preken in ‘de Levensbron’l Zo ontbreekt het ook te veel aan preken die gericht zijn op de voorbereiding voor de viering van het heilig avondmaal. Wat hiervan zij, in de kerken is men zeer dankbaar voor de bereidheid van emeriti onder de predikanten om in de zondagse samenkomsten voor te gaan. Van velen onder hen geldt dat aan die boodschap dikwijls inhoud en diepte wordt gegeven op een wijze waaruit inzicht, lange pastorale ervaring en vooral ook persoonlijke doorleving van de geloofsgeheimenissen spreekt. Over hun Verdiensten in de sfeer van bijstand in het pastoraat in vacante gemeenten is dan nog niet gesproken.

Tot wanneer gaan emeritus-predikanten door met preken?

Onze kerken kennen daarvoor geen regels. Misschien wel ongeschreven wenselijkheden, maar geen bepalingen die bindend kunnen worden opgelegd. In de Nederlandse Hervormde kerk is voorgeschreven dat men op 65-jarige leeftijd met emeritaat gaat. Wie als predikant daarna in georganiseerd verband nog dienstbaar aan de kerk wil zijn, bijvoorbeeld met bijstand in het pastoraat, heeft er mee te rekenen dat dit ophoudt bij het bereiken van de 70jarige leeftijd. De Christelijke Gereformeerde kerken kennen de 65-jarige leeftijd als het moment waarop men van zijn emeritaatsrechten gebruik kan maken (eerdere emeritering door daartoe dwingende omstandigheden daargelaten). Verder heeft de generate synode van onze kerken ook uitgesproken en in een besluit vastgelegd, dat het bereiken van de 70-jarige leeftijd het moment moet zijn waarop men activiteiten in de deputaatschappen staakt. Op deze regel zijn in bijzondere omstandigheden misschien uitzonderingen te maken, bijvoorbeeld door het lidmaatschap van een deputaatschap om te zetten in een adviseurschap, maar de algemene regel is dat men op 70-jarige leeftijd terugtreedt. Ongeacht hoe groot de actie-radius in denken en doen op dat moment bij de terugtredende functionaris misschien nog is. Ook jongeren moeten per slot van rekening hun taak en plaats kunnen krijgen. Wat de dienst in de zondagse verkondiging betreft is bij predikanten de duur daarvan aan geen leeftijd gebonden. Sommige dienaren van de kerk is het gegund deze dienst tot op zeer hoge leeftijd te verrichten, zo niet elke zondag, dan toch met zekere regelmaat. Als tweemaal voorgaan een te grote fysieke inspanning vraagt of een te zware mentale belasting vormt, houdt men het op één dienst per zondag. Een enkele dienaar van het Woord zou er misschien mee willen doorgaan tot de dood er op volgt. Van wijlen professor G. Wisse is bekend dat het zijn begeerte was in het harnas, waarmee wat hem betreft de preekstoel werd bedoeld, te mogen sterven. De diepste intentie van deze wens is niet te onzen beoordeling. Van hemelswege werd in ieder geval anders bepaald. Wisse stiert in de stilte van het door hem bewoonde rusthuis in Doom, weliswaar slechts enkele dagen nadat hij in een volle kerk zijn laatste tijdrede had uitgesproken. De volle kerk is de consternatie van zo’n gebeurtenis gelukkig bespaard gebleven.

Moet men van ophouden weten?

Ja, maar de heilige drang om de boodschap van het Evangelie door te geven, soms doortrokken van een stukje geldingsdrang die ons mensen toch ook een beetje eigen kan zijn, kan zo sterk zijn dat het moment waarop men van ophouden zou moeten weten niet wordt opgemerkt of wil worden onderkend. En in de meeste gevallen zal de onderkenning van dat moment toch een zaak van de betrokkene zelf moeten zijn. Anderen zullen het in de regel een te gevoelige om niet te zeggen pijnlijke zaak vinden predikanten met een eerbiedwaardige staat van dienst te wijzen op signalen, die het gewenst maken om te gaan denken aan het afbouwen van de taak die misschien lange jaren met zoveel liefde en toewijding moest worden vervuld.Een emeritus-predikant vertrouwde mij eens toe dat hij zijn kinderen en een enkele goede vriend nadrukkelijk had gevraagd hem er op te willen wijzen als hij bij het voorgaan in de woordbediening tekenen van onzekerheid, onduidelijkheid, verwardheid en van neiging tot herhaling zou gaan vertonen. Dan houd ik er onmiddellijk mee op, stelde hij. Een goede afspraak, hoewel voor degenen met wie zij werd gemaakt moed en voorzichtigheid nodig is om dat precaire moment tot onderwerp van gesprek te maken. Waar voor oude(re) dienaren van de kerk wat het spreken betreft de eindstreep staat, is een vraag die niet van een algemeen en voor iedereen geldend antwoord kan worden voorzien. Het is allereerst een zaak die zij in gebed tot hun hemelse Opdrachtgever onder ogen moeten zien. Maar ook vanuit de kerken kunnen enkele richtgedachten worden aangereikt. Met een zekere ingehoudenheid wil ik er enkele noemen.

1. Het mag als een groot voorrecht gelden als predikanten tot op hoge leeftijd zowel lichamelijk als geestelijk nog over zoveel energie beschikken, dat zij de kerken in Woordbediening en eventueel in bediening van de sacramenten op adequate wijze van dienst kunnen zijn.

2. Met de woorden “op adequate wijze” wordt bedoeld dat in de samenkomsten van de gemeente, waarin naar gereformeerde opvatting Christus zelf in het gewaad van de Heillige Schrift tegenwoordig is, het Woord op weloverwogen, overtuigende en gezagvolle wijze dient te worden verkondigd. Om de Schriften naar inhoud en bedoeling, op geordende en inzichtelijke manier aan de gemeente voor te houden is de aanwezigheid van voldoende mentale kracht een wezenlijke voorwaarde.

3. Die mentale kracht neemt bij ieder mens bij het ouder worden af. Het is maar weinigen gegeven er tot op zeer hoge leeftijd over te beschikken. Predikanten vormen daarop geen uitzondering. Zij behoren er zich dan ook voordurend op te toetsen of de voortbrengselen van hun bezinning op het Woord van God nog wel in overeenstemming zijn met het niveau waarop men met dat Woord in de samenkomsten van de gemeente bezig dient te zijn. Gelukkig de predikant die mensen in liefde en vriendschap om zich heen heeft die de moed en het vermogen hebben hem op respectvolle wijze bij die toetsing te helpen.

4. Het getuigt van werkelijkheidszin en moed wanneer men als predikant zelf de streep trekt en dat niet door de kerken laat doen. Het laatste kan gebeuren als vanuit de gemeente, waar hij lange tijd een welkome gast was, steeds minder preekverzoeken op hem toekomen. Bekend is van van predikanten uit het verleden, die om aanwijsbare redenen in zo’n situatie terechtkwamen, zichzelf ’in de aanbieding deden’ en op pijnlijke wijze moesten ervaren dat de ruimte voor hun bijdrage aan het zondagse gebeuren in de kerken steeds kleiner werd. Alleen nog gevraagd worden om in een noodsituatie een gat te vullen -en dat komt voor-moet de eer van een dienaar van het Woord te na zijn.

5. Tenslotte: zou de Here der kerk zijn oude dienaren niet ook in deze hun rust gunnen? Dat zij in de jaren die hen nog worden gegund op de zondagen het Woord uit de mond van hun collegae mogen aanhoren en daarbij misschien dingen aangewezen krijgen die zij zelf in al die jaren nog niet hadden opgemerkt? En dat dan zonder op de kerkbank ongeduldig heen en weer te schuiven…

De vraag die het thema van deze bijdrage vormt werd op de tafel van de redactie gelegd en vervolgens in mijn richting geschoven. Ik heb mij daaronder nogal ongemakkelijk gevoeld. De dingen waarover het hier ging zijn nogal precair en subtiel. Onder het schrijven heb ik mij maar voorgehouden dat ik gerekend naar mijn leeftijd misschien de eerst aangewezene was om er op enigszins evenwichtige wijze iets over op papier te zetten.

Moge de Here God al onze predikanten, zowel persoonlijk als in hun ambtelijk bezig zijn, ook als zij tot algehele rust gedwongen zijn, zeer nabij zijn.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.