+ Meer informatie

Kerk, vrije tijd, recreatie II

10 minuten leestijd

De maanden juli en augustus geven in de plaatsen, waar men graag zijn vakantie doorbrengt, een drukte van belang. Stromen van toeristen bevolken er de straten, doen er hun inkopen. Files motorvoertuigen kruipen voort op de toegangswegen, ’s Avonds zijn cafe’s en eetgelegenheden overvol. Dit jaar voor het eerst begint een zekere vakantiespreiding door te werken. Hetgeen wil zeggen, dat niet meer alles tegelijk komt in een paar topweken, met de vermaarde „bouwvakvakantie” als climax. Voor het eerst spreidt zich de verplaatsingsrage over een week of zes. Wat overigens nog geen rustige vakantie garandeert. Om de veertien dagen trekken honderduizenden werknemers, er collectief met hun vervoermiddelen en gezinnen op uit. Bouwvak-zuid, bouwvak-noord, de metaalbewerkers. Daartussendoor bewegen zich nog weer eens honderdduizenden, die iets vrijer zijn in hun keuze, doch gebonden blijven aan de periode van de schoolvakanties. En tenslotte zijn er de buitenlandse gasten, waarvoor weer andere spreidingsschema’s gelden. Ook voor hen zijn de Nederlandse stranden en bossen bijzonder aantrekkelijke recreatiegebieden.

Deze opeenhopingen zijn mede een gevolg van de toeneming van de vrije tijd, waaraan we in ons eerste artikel aandacht schonken. Een aaneengesloten vakantie van tenminste twee weken behoort voor iets meer dan de helft van onze 12 miljoen Nederlanders tot de verworvenheden. De overigen moeten het met een kortere periode doen, doch onder hen is slechts 12 procent geheel van vakantie verstoken.

In 1964 kon van 43 procent van de vakantie-genieters worden vastgesteld, dat zij deze vrije tijd thuis doorbrachten. De resterende 57 procent trekt erop uit voor een verblijf van gemiddeld tien dagen buiten de eigen woonplaats. Tot deze laatstgenoemde groep behoren maar liefst ly^ miljoen Nederlan-ders, die gaan kamperen; alleen om hen onder te brengen worden elk jaar meer dan 300.000 tenten opgezet.

Ziehier het vakantiebeeld. Behalve de vakanties zijn er het gehele jaar door de vrije weekenden. In die weekenden brengen 2J^ miljoen Nederlanders bezoeken aan bossen, parken, plantsoenen, zwembaden, speelweiden, sportvelden etc. in de eigen woonplaats, nog eens bijna twee miljoen begeeft zich buiten de woonplaats. Dit weekendverkeer strekt zich overigens niet uit over grote afstanden. 90 procent van de weekendgangers komt niet verder dan op zijn hoogst 30 kilometer van huis.

Al dat gereis en getrek wordt, vooral in de gebieden waarop de stroom zich richt, nogal eens met een zekere verwondering, zelfs wel met enig misprijzen, bezien. Wat hebben ze eraan en wat beweegt ze ertoe, vraagt men zich daar af. En nog sterker wordt de negatieve benadering wanneer men bemerkt, dat velen van deze recreanten niet komen om van de stilte en de natuur te genieten. Ze schijnen ook buiten bij voorkeur weer de samenscholingen te zoeken. Bermtoeristen, soms met duizenden opeen langs de kanten van autowegen, massavakantiekampen met orgieën van geluid, eindeloos geflaneer in de hoofdstraten van geijkte recreatiecentra. Waarom niet in de steden gebleven, als men toch kennelijk mensen wil zien en een bepaald soort gezelligheid zoekt?

Zij, die zo oordelen, hebben waarschijnlijk niet voldoende besef van de aard van het woonklimaat, waarin deze duizenden massa-recreanten dagelijks verkeren. Zij realiseren zich te weinig wat het voor acht van de twaalf miljoen Nederlanders betekent te moeten leven in steden of op het verstedelijkt platteland: Met een gezin van vijf of zes personen opgeborgen zijn in een moderne vierkamerflat, in sommige gevallen op de achtste of tiende woonlaag. Of ergens een etage bewonen in de monotone rijen van de huurkazernes, die men tussen de eerste en de tweede wereldoorlog placht te bouwen. Woonkamer met twee of drie slaapkamers waar het gehele gezinsleven zich moet afspelen. Daar is voor vader het rustpunt na een dag van hard werken in de fabriek met al zijn geluiden. Rustpunt met de voortdurende achtergrondmuziek van tenminste één radio of t.v., een piano, een saxofoon, een elektrische boor of ander hobby-werktuig van de buren. Daar zijn de spelende kinderen in de trapopgang, de nozems die beneden hun brommers laten uit-razen. Daar zijn de ruzies en de ongelukken, de kleine verplichtingen, die het opeengepakte wonen met zich brengt. Is het een wonder, dat de stedeling op een mooie dag het gevoel heeft er eens uit te moeten? Is het een wonder, dat dan zelfs het met duizenden anderen op weg of weer-bijeen zijn voor hem toch nog een weelde van vrijheid inhoudt? Is het een wonder, dat dan een prachtig maar eenzaam bospad in de Kroondomeinen bij Apeldoorn deze stedeling toch wel een beetje griezelig-stil voorkomt? Met iets minder verontreinigde lucht, met de mogelijkheid een heel eind te kunnen gaan wandelen als hij zou willen is de stadsbewoner al meer dan tevreden. Vandaar dat hij zich in de tussenstaat van de massarecreatie, met toch nog mensen om zich heen èn de gelegenheid om zich op elk moment van hen te bevrijden, volledig op zijn gemak gevoelt. Van overheidswege worden de laatste jaren in hoog tempo voorzieningen getroffen om de groeiende stroom van recreanten op te vangen. Staatsbossen worden opengelegd, van picknickplaatsen en kampeerterreinen voorzien. Bij de ruimtelijke indeling van de nieuwe IJsselmeerpolders wordt rekening gehouden met de recreatiebehoefte. In vanouds bekende recreatiegebieden, zoals op de Veluwe en langs de Veluwerandmeren worden plaatsen gereed gemaakt, waar tienduizenden tegelijk hun dagje-buiten kunnen doorbrengen. Om enkele voorbeelden te noemen: Langs de in juni gereedgekomen Rijksweg 28 wordt tussen Harderwijk en Putten een strand met parkeerplaatsen, zonneweiden e.d. aangelegd, dat 40.000 mensen zal kunnen bergen. Iets meer noordelijk, ter hoogte van Nunspeet zal de aan het Veluwerandmeer reeds bestaande accomodatie worden uitgebreid tot een centrum voor 50.000 dag- en verblijfsrecreanten. Er bestaan voorts plannen voor de aanleg van aantrekkelijke recreatiegebieden in Zuid Holland, in de Gelderse vallei, in het Deltagebied en op vele andere plaatsen. andere plaatsen.

Ook de kerken worden in toenemende mate met de vraagstukken rondom de recreatie geconfronteerd. Het duidelijkst wordt dit wel gevoeld in de plaatsen, waar de grote concentraties zich voordoen. Het begint daar meestal met een elk jaar weer groeiend aantal extra-bezoekers van de kerkdiensten in de topmaanden. Degenen, die hun vakantie in kleine plaatsen plegen door te brengen, weten, dat er nog altijd kerkeraden en kosters zijn, die dit probleem heel laconiek oplossen met het bekende rode lampje boven de preekstoel. Dat lampje gaat in juli en augustus gewoon wat later branden als gebruikelijk. Dan zijn alle vaste bezoekers gezeten en de rest redt zich wel, voorzover banken en stoelen voorradig.

Zulk een oplossing bevredigt op de duur natuurlijk niet. Daar wordt door de gasten wel iets over gezegd na een mislukte kerkgang. En dat brengt dan de gastheren en gastvrouwen weer in actie. Zo komt men zelfs wel tot dubbele diensten.

De aandacht voor de gasten blijft in het algemeen niet beperkt tot degenen, die ’s zondags in de kerk komen. Men ontdekt, dat er mensen zijn, die te ver van het kerkgebouw in campings en recreatieoorden verblijven. Zij kunnen niet komen, zeker niet met het gehele gezin. En dan die anderen, die het kerkgaan zijn ontwend of die niet willen. Terecht zijn er broeders of zusters, die zich gaan afvragen of de kerk ook daar niet een taak heeft. Zo komt het recreatiewerk op gang. Vaak kan het gelukkig gebeuren in samenspel met een aantal andere kerken. Diensten in of nabij de recreatiecentra, allerlei evenementen in de week, waarbij de kerken als gastvrouwen zorgen, dat er voor de bezoekers iets te beleven valt, dat ze iets te zien of te horen krijgen over het rpecifieke karakter van de streek, dat er een ontmoetingspunt of een contactadres bekend is waar men terecht kan, wanneer er moeilijkheden zijn of zo-maar om eens v/at te praten. En, niet te vergeten: de zogenaamde slecht-weer-voorzieningen. Wie vakantie heeft in een regenweek wil echt wel eens iets anders dan in een klamme tent of achter bedropen ruiten wachten tot het weer droog wordt. Waarom zou de kerk dan niet iets bieden?

Op het gebied van dit recreatiewerk heeft in Nederland de Bijbelkioskvereniging pioniersarbeid verricht. Men heeft daar tenten en kiosken beschikbaar, die als centra kunnen dienen bij het werk in de vakantieoorden. Men leidt er teams op, die dat werk kunnen doen. De Bijbelkioskvereniging heeft zich bij dit alles op het standpunt gesteld, dat hier in eerste instantie een taak voor de kerken ligt, die min of meer voorlopig door deze vereniging wordt vervuld.

Al meer gaan de kerken zich thans ook organisatorisch op de zorg voor de recreant voorbereiden. Binnen de Hervormde kerk functioneert een Landelijke commissie van overleg inzake recreatie-aangelegenheden en een Stichting Recreatiecentra. De Generale Synode der Gereformeerde Kerken heeft in 1964 een Deputaatschap voor de recreatie ingesteld. In onze Christelijke Gereformeerde Kerken heeft deze materie de volle aandacht van Deputaten voor de Evangelisatie.

Ook provinciaal, regionaal en plaatselijk treft men overal leden van de Christelijke Gereformeerde kerken aan, die zich intensief met het werk voor de recreant bezighouden. Bij al dit werk komt men echter steeds weer voor de moeilijkheid te staan, dat financieel vrij veel wordt gevraagd van de plaatselijke kerken in recreatie-gebieden, terwijl het toch gaat om een landelijke zaak, die zich enkel als gevolg van omstandigheden toespitst op die plaatsen, waar de toeristen neerstrijken. Ook voor de behartiging van deze materiele kant is bezinning op nationaal niveau gewenst. Hier ligt een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid voor de leden van alle kerken.

Een goed functionerend landelijk orgaan zou voorts van betekenis kunnen zijn voor het verkrijgen van meer invloed op de planning van diverse voorzieningen, door de overheid verricht. In teveel gevallen voltrekt zich de recreatieve ontwikkeling geheel buiten de kerken om, terwijl daarbij toch vele vragen op het terrein van bijvoorbeeld de geestelijke volksgezondheid aan de orde komen. Regionaal is in dit opzicht hier en daar al wel iets bereikt. De zgn. Waddenconferentie, waar overheid en organisaties voor het vreemdelingenverkeer elkaar ontmoeten, kent een sectie „.Kerk en Recreatie”, die in de planning voor de eilanden duidelijk een stem heeft. Op de Noordwest Veluwe heeft een werkgroep, bestaande uit officieel door de kerken aangewezen vertegenwoordigers, zich tot de overheid gewend met het verzoek om medewerking bij het verkrijgen van enige accommodatie ten dienste van de kerken op de centra langs het Veluwerandmeer, waar binnenkort vele tienduizenden gasten zullen vertoeven.

Tenslotte dient nog te worden gewezen op een aspect van de zorg voor recreatie en recreant, dat binnen de plaatselijke kerk aan de orde komt. In predi-king en catechese zal dienen te worden gewezen op de noodzaak van een verantwoord gebruik van de mogelijkheden, die de recreatie biedt. Met betrekking tot de ontvangende gemeenten komen hier zaken in het vizier als de omgang met de recreant, het gastvouw- en gastheer-zijn, daarbij wordt ook in deze zin een getuigende houding verwacht, dat niet alleen het eigen commerciële profijt wordt bevorderd, doch vooral ook de ander wordt gediend. Het is alle opdracht ook in deze zaken wervend te werken.„tekenen” te zijn.

In de kerken van waaruit de jaarlijkse exodus zich over heel Nederland en een groot deel van Europa verspreidt kan het zeker geen kwaad te wijzen op de verantwoordelijkheden, die men ook buiten de sfeer van de dagelijkse sociale controle behoudt. Ook aan de gasten, die waar ook hun pleisterplaats kiezen, zal iets te zien moeten zijn!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.