+ Meer informatie

DE KWETSBAARHEID VAN DE AMBTSDRAGER

8 minuten leestijd

De kwetsbaarheid van de ambtsdrager bij de uitoefening van zijn ambt is groot, door oorzaken van buitenaf en soms door risico’s die in de persoon van de ambtsdrager persoonlijk besloten liggen; risico’s die zich, gerekend naar geaardheid van mensen, op verschillende manieren kunnen laten gelden. In deze bijdrage wil iets worden gezegd over de verantwoordelijkheid van kerkenraden op het punt van preventie, over de zorg voor de gemeenten als zich calamiteiten voordoen en over de wijze waarop de gemeente zich dient op te stellen jegens ambtsdragers die, door welke omstandigheden ook maar, uit het roer liepen.

Goed contact tussen kerkenraad en predikant

Daarmee wordt niet alleen bedoeld dat in een goede samenwerking en in een goede verstandhouding, in vrede en harmonie dus, bestuurlijk en geestelijk leiding aan de gemeente wordt gegeven. Als het goed is, zal men binnen de broederkring ook in persoonlijke zin oog voor elkaar hebben en oog op elkaar houden. Niet in controlerende of bemoeizuchtige zin, maar op de manier van zorg voor elkaar, zoals het evangelie daarvoor aanwijzingen bevat. Om het toe te spitsen op het onderwerp dat ons hier bezighoudt: in een sfeer van openheid en vertrouwen, van besef ook dat de zorg voor een gezonde en evenwichtige ontwikkeling van de gemeente zich ook tot de predikant en zijn gezin uitstrekt, zal ook op dat adres regelmatig huisbezoek moeten worden gedaan. Er schijnen gemeenten te zijn waar dat niet gebeurt, uit welke overwegingen dat dan ook maar wordt nagelaten. Broeders kunnen er moeite mee hebben om een gesprek in de pastorie zinnige en door de bezochten als zinvol ervaren inhoud te geven. De gedachte kan leven dat een predikant geacht mag worden in staat te zijn thuis zelf de kerkelijke en geestelijke dingen op orde te houden. En in een enkel geval geven predikanten dat misschien zelf wel te kennen. Als het goed is zal er ook in de pastorie, in de huiselijke en persoonlijke sfeer, met regelmaat contact zijn tussen de wijkouderlingen en het gezin van de predikant.

Overspanning

Daartoe bestaat in onze tijd alle reden. In een ambtsdragersconferentie van enige tijd geleden kwam naar voren dat een groeiend aantal predikanten, ook in onze kerken, met overspanning kampt. De intensiteit van het pastoraat trekt een enorme wissel op de fysieke en mentale spankracht van predikanten. En dat deelt zich soms ook mee aan hun vrouwen en kinderen. Veel gemeenten lijden onder conflicten, principiële en kleinmenselijke. Huwelijksstoornissen zijn aan de orde van de dag. Behalve dingen van geestelijke aard, krijgen veel predikanten ook allerlei maatschappelijke vragen en problemen toegeschoven. De energie en de tijd die dat alles opeist, kan al te zeer in mindering komen op de aandacht en de zorg die de eigen persoonlijke omgeving van de predikant nodig heeft. Soms kan dat lijden, soms niet.

Een kerkenraad draagt hiervoor in deze zin de verantwoordelijkheid, dat men moet toezien of er bij de predikant zelf of in zijn directe omgeving, misschien iets uit balans zou kunnen raken dat op termijn op enigerlei manier negatieve gevolgen zou kunnen hebben. Ook huwelijken van pastores kunnen onder spanning komen te staan. In méér dan één geval is het voorgekomen dat een predikant voor het afreageren van de aan het ambt verbonden moeiten en spanningen buiten de deur méér en betere mogelijkheden aantrof dan thuis, met soms alle desastreuze gevolgen van dien. Als broeders van een kerkenraad daarvan signalen waarnemen, dienen ze daaraan serieus aandacht te geven. Zo goed als aan signalen van andere aard. Op delicate wijze zullen zij daarover met de predikant en zijn vrouw moeten durven spreken. Natuurlijk is niet alles waarneembaar en men moet niet voor verontrustende signalen aanzien wat niet structureel maar incidenteel van aard is. Maar een kerkenraad moet wel alert zijn en op discrete wijze in actie komen als iets uit het roer lijkt te lopen. Als iets tijdig wordt onderkend en in klein verband, als het kan het allerkleinste verband, broederlijk en christelijk in therapeutische of correctieve zin onder ogen kan worden gezien, is er onder de zegen van God wellicht veel te voorkomen of heilzaam te redresseren, zonder ernstige consequenties naar buiten toe.

Sensatie en ontreddering

Zijn de dingen niet in de beslotenheid van het kleinste ambtelijke verband op te lossen, dat is te herstellen, dan zijn de gevolgen dikwijls niet te overzien, voor de gemeente die het treft niet en zeker niet voor de betrokken predikant en zijn directe omgeving. Met gevolgen wordt hier niet bedoeld dat een zaak in een breder kerkelijk verband aandacht moet krijgen. Dat ligt nu eenmaal in de kerkordelijke procedures besloten. Bedoeld worden de desoriëntatie, de discontinuïteit en de sensatie die zulke gebeurtenissen in een gemeente teweegbrengen en de ontreddering waarvan in de directe omgeving van de betrokken predikant sprake zal zijn. Allereerst iets over die sensatie, die via de media soms heel wijde kringen trekt.

Het eerste wat een kerkenraad in situaties als deze te doen staat, is de gemeente te troosten met het bijbelse gegeven dat bij het moeten terugtreden van de herder met een kleine h, aan de toegezegde zorg van de grote opperherder niet hoeft te worden getwijfeld. Ook niet aan diens bewogenheid met de gevallen onderherder. Tegelijk zal naar de gemeente de waarschuwing moeten uitgaan elk woord dat men over deze dingen onder elkaar en naar buiten toe spreekt, zorgvuldig te wegen en te toetsen aan wat het evangelie ons in dit opzicht aan consignes aanreikt. De sensatie rond zaken als deze neemt namelijk niet zelden ziekelijke vormen aan. Zij doet veel mensen, zowel de mensen die om informatie vragen als degenen die deze informatie graag in overvloedige mate verstrekken, vergeten dat we blijkens de bijbel in het eind-gericht van elk ijdel woord dat we spraken rekenschap zullen moeten afleggen. Als kerkmensen zich van één bijbelwoord vrijwel niets aantrekken, dan wel van dit.

Desoriëntatie

Dan is er de desoriëntatie. Die uit zich in een gemeente vooral doordat men zich afvraagt welke waarde en betekenis het werk heeft gehad van een voorganger, die op verdrietige wijze voortijdig het werk ten dienste van Christus’ gemeente moet staken. Men heeft zich als gemeente wellicht méér dan eens getroost, bemoedigd en vermaand gevoeld door de verkondiging en men bewaart mogelijk goede herinneringen aan een fijne pastorale begeleiding en cruciale levensmomenten. Kan men daaraan nu ineens niet meer met dankbaarheid terugdenken? Wordt al het goede dat voorheen was door wat zich voordeed teniet gedaan? In het gevoel van mensen kan dat misschien zo zijn, maar wat er aan goeds was en werd gedaan, behoudt zijn waarde. Het Woord van God geeft op méér dan één plaats aan, dat God zijn boodschap van heil voor mens en wereld aan mensen heeft laten doorgeven door mensen, in wier leven diepe inslagen van zonden en tekorten aanwijsbaar waren. Daarmee wordt wat verkeerd is natuurlijk niet goedgepraat, maar het zegt wel dat in situaties waarover het in dit artikel gaat, door alle verdriet en teleurstelling heen met dankbaarheid op wat werd gedaan mag worden teruggezien, door de gemeente als geheel en door ieder lid persoonlijk. Het zal er — als die dankbaarheid er mag zijn — ook toe bijdragen dat men over iemand met respect en als het op zijn deconfiture aankomt met een zekere ingehoudenheid naar anderen toe zal spreken.

Discontinuïteit

Die is er in zulke situaties dikwijls ook. Wanneer het een gemeente overkomt dat een predikant door omstandigheden buiten zijn wil of door eigen toedoen, van de ene op de andere dag of binnen een kort tijdsbestek moet terugtreden, kan het gebeuren dat in zo’n gemeente alles ineens stil komt te liggen. Met allerlei activiteiten wil het even niet. En soms lange tijd achtereen niet. Er ligt een zekere druk op de gemeente, die verlammend werkt. Bekend is van gemeenten waar het huisbezoek helemaal stil kwam te liggen, omdat de ouderlingen er tegenop zagen bij elk bezoek weer de voor de gemeente ontstane situatie onder ogen te moeten zien. Allemaal begrijpelijk.

De gemeente maakt een zeker rouwproces door. Gelukkig de gemeente met een ker-kenraad, die onder zulke omstandigheden de moed en de wijsheid heeft om de gemeente goede leiding te geven door:

a. de gemeente bijeen te roepen in bezinning en gebed, in de hoop op de belofte van de grote opperherder Jezus Christus dat Hij Zijn gemeente in deze wereld niet zal begeven of verlaten;

b alles in het werk te stellen de eenheid in de gemeente te bewaren en met voortvarendheid voortgang te geven aan alles wat tot een geordend kerkelijk leven behoort;

c. de gemeente voor te leven op waarlijk christelijke wijze te denken en te spreken over en te bidden voor de teruggetreden pastor en zijn gezin — als zij deel van de gemeente blijven uitmaken — erop toezien er aan mee te helpen dat men de ruimte krijgt in een ontspannen sfeer in het gemeente-zijn te participeren.

En van echte liefde kan men ook op afstand laten blijken.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.