+ Meer informatie

De Reformatie en het Woord

8 minuten leestijd

2.

Luthers bekering.

De Reformatie is geen revolutie. Revolutie is een werk van beneden. Reformatie is een werk, van boven. De mens kan tot revolutionaire, daden komen. God brengt een reformatie tot, stand. Dit zien we in de 16e eeuw. Vandaar, dat we gesteld hebben, dat de Reformatie een werk uit God is. En daar de Heere middellijk werk, heeft Hij Maarten Luther gereformeerd, om reformerend op te treden.

Van Luthers leven is ons veel bekend. Daar 1967 een gedenkjaar is, willen we u in dit. artikel iets vertellen van zijn leven. Maarten Luther werd 10 november 1483 te Eisleben geboren. Hij stamde uit een boerenfamilie. Hij zegt van zichzelf: „ik ben een boerenzoon, mijn vader en grootvader waren echte, boeren”. Nimmer leeft hij in zijn leven zijn afkomst als kind van het volk verloochend. Hij is de man geweest en gebleven, die „recht en eenvoudig” door zijn prdiking en zijn geschriften in de echte volkstaal gesteld, de ? weg wist te vinden tot het hart van het Duitse volk. Maarten was de oudste thuis en vader vond, dat hij moest gaan studeren. Vandaar, dat hij, na de volksschool, werd geplaatst in een internaat te Maagdenburg, dat geleid werd door de Broeders des Gemenen Levens. Hun vroomheid doet denken aan die van het latere piëtisme. Maarten was tien toen hij er, heen ging. In 1501 ging hij naar de univer-, siteit te Erfurt, om naar wens van zijn vader in de rechten te studeren. Maarten studeerde hard. Voor zijn studie had hij de Heere nodig. Een medestudent zegt vanhem: „Elkemorgen begon hij met een ernstig gebed en ging hij naar de kerk, want zijn leuze was: wie vlijtig is in het gebed is met zijn studie al voor de helft klaar”. Zes maanden is hij maar te; Erfurt geweest. Toen op de weg naar huis hem en onweder overviel en de bliksem vlak voor hem insloeg, riep hij uit: „Help, heilige Anna, ik zal monnik worden”.

Het flitste door hem heen: als ik eens voor God zou moeten verschijnen, wat dan? Nu, kenden de middeleeuwen één weg om voor Gods gericht te kunnen bestaan: monnik worden. Wie vrijwillig de adviezen van het Evangelie opvolgt, wie afziet van bezit, niet trouwt, in gehoorzaamheid aan God leeft, kan voor Gods aangezicht bestaan. Vandaar; zijn besluit: ik word monnik. Hij meende in het klooster ver van de wereld, ver van de zonden te leven. Luther heeft echter geleerd, dat men ver van de wereld en ver van de I zonden kan zijn, maar dat men nog altijd dicht bij de zonde kan blijven; en dicht bij de; zonden, dat is dicht bij zichzelf, en dicht bij zichzelf betekent de doem onderworpen. Voor God niet te kunnen bestaan in het gericht. Om nu met God verzoend te worden, ging hij naar het Augustijnerklooster te Erfurt. Alles heeft hij gedaan om God als een genadig God te ontmoeten. Hij leidde een leven van g zelfkastijding, bidden en vasten. In één van c zijn werken schrijft hij: „indien ooit een monnik door zijn monnikerij in de hemel was e gekomen, dan zou ik er zeker gekomen zijn”. Hij stond er met alle ernst naar, door zijn werken de gerechtigheid te bekomen om voor God te kunnen bestaan. Welk een teleurstelling deed hij op. Vrede vond hij niet. Ook in het klooster overvielen hem aanvechtingen en weerzinwekkende twijfelingen. Hij schrijft: „als een man vol twijfel ging ik naar het altaar, als een man vol twijfel verliet ik het altaar weer”. Hij twijfelde aan zijn toch goed bedoelde boetedoeningen. Het loon naar werken bleef hem echter voor de aandacht staan. Maar wat hij ook deed, vrede vond hij niet. De Heere verscheen hem als een vertoornd God. Er was geen ontkomen aan Zijn gerechtigheid. Hij dacht tenslotte, dat de reis naar Rome uitkomst zou geven. Ook hier werd hij teleurgesteld. Het beklimmen van de Pilatustrap bracht hem geen heil. Over zijn geestelijke toestand korrespondeerde Luther vaak met Von Staupitz. Deze schreef hem o.m.: „Lieve man, zie toch op de wonden van Christus en op Zijn bloed, dat Hij voor u vergoten heeft; daaruit spreekt tot u de voorbestemming van God. God heeft voorbeschikt, dat Zijn Zoon voor de zonden moest lijden”. Hij gaf hem ook de raad om van uit deze gedachte Gods Woord te lezen en te herlezen. Luther leest en herleest dan de Romeinenbrief. Hij ontmoette ook daarin alleen de rechtvaardige God, Die met al zijn genoegdoeningen geen genoegen neemt en moet straffen. Het Evangelie biedt hem geen troost. Zijn geweten blijft hem aanklagen. Toch verlangde hij er naar om de zin en mening te weten van Paulus woord: „de gerechtigheid Gods wordt geopenbaard in het Evangelie, zoals geschreven staat: de rechtvaardige zal door het geloof leven”. De Heere gaf hem de wens van zijn hart. Luther schrijft: „Ik ging zien, dat de gerechtigheid Gods, waardoor de rechtvaardige voor God bestaat uit het geloof, het deel wordt van de in zichzelf verloren zondaar. Ja, door het Evangelie openbaart de Heere, dat Christus deze gerechtigheid voor de zondaar verworven heeft. Ik behoef niets te doen. Ik moet, mag en kan geloven. Want door het geloof leeft de rechtvaardige. Vandaar zijn belijden toen hij het geheim Gods verstond en beleefde: „alleenhet geloof kan ons dragen, het vertrouwen op de ons door Christus toegezegde genade Gods. Dat is „geloof alleen”, dat is het alléén uit het geloof”.

De door God gereformeerde Luther moest nu beginnen met de reformatiestrijd. De wapens werden opgenomen tegen Tetzels aflaathandel. Tetzel verkondigde: „zodra het geld in het kistje klinkt, springt de ziel uit het vagevuur de hemel in. Aanvankelijk predikte Luther alleen tegen de aflaathandel, maar op 31 oktober 1517, een dag voor Allerheiligen, sloeg hij naar akademisch gebruik 95 stellingen aan tegen de deur van de slotkerk te Wittenberg. De stellingen hadden alle betrekking op de aflaat. Stelling 6 luidt: de paus kan geen schuld vergeven,- dan inzover hij bevestigt, wat door God vergeven is. Stelling 7: God vergeeft aan niemand de schuld, die zich niet tevoren verootmoedigt. Stelling 32: eeuwig zullen met hun leraars ten verderve gaan, die menen door aflaatbrieven van hun zieleheil verzekerd te zijn. Ieder christen heeft, wanneer hij oprecht berouw heeft over zijn zonden, volkomen vergeving van straf en schuld, die hem geschonken wordt ook zonder aflaatbrieven.

Ook aan de paus zond Luther zijn stellingen. In een begeleidend schrijven stond: „Ik kan niet langer zwijgen. Het prediken van de aflaat betekent het Evangelie het zwijgen opleggen. Berouw wordt onnodig verklaard!”

Men heeft Luther gedwongen om zijn stellingen en alles wat hij geschreven had, te herroepen. Zover kwam het niet. Kon het niet komen, want God had hem tot het licht gebracht; vandaar zijn belijden op de Rijksdag te Worms: „hier sta ik, ik kan niet anders, God helpe mij”.

In het geloof heeft hij geleefd. In het geloof is hij gestorven. Twee dagen voor zijn heengaan schreef hij in het boek van een vriend deze tekst: „Zo iemand Mijn woord zal bewaard hebben, die zal de dood niet zien in der eeuwigheid”. Hij voegde er aan toe: „Hoe ongelooflijk is zulk een gezegde; toch is het de waarheid. Als een mens Gods Woord met ernst overdenkt en gelooft en daarop inslaapt en sterft, dan sluimert hij in eer hij op de dood verdacht is, en is zeker zalig heegegaan”. Vlak voor zijn sterven bad hij:,,ik dank U, o God, Vader van onze Heere Jezus Christus, dat Gij mij Uw lieve Zoon hebt geopenbaard, in Wie ik geloofd, Die liefgehad, gepredikt, beleden en verheerlijkt heb”.

Daarna sprak hij nog enkele malen de Schriftwoorden: „Alzo liefheeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eengeboren Zoon gegeven heeft, opdat allen, die in Hem geloven, niet verloren gaan, maar het eeuwige leven hebben”. „Wij hebben een God, Die helpt en bij de Heere is uitkomst tegen de dood”. „Vader in Uw handen beveel ik mijn geest”.

Toen het einde kwam fluisterde men de stervende Luther in het oor: „Eerwaarde vader, wilt ge in het geloof in de Heere Jezus Christus sterven en blijft ge bij de leer, die ge in Zijn naam verkondigd hebt?” Een duidelijk „ja” was het laatste woord, dat Luther sprak. Hij keerde zich om op de rechterzijde en blies kalm de laatste adem uit. Zalig zijn de doden, die in de Heere sterven, van nu aan. Ja, zegt de Geest, opdat zij rusten van hun arbeid; en hun werken volgen met hen.

Zal dit eenmaal van ons ook gezegd kunnen worden?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.