+ Meer informatie

OFFERS

5 minuten leestijd

Het Brandoffer.

Van alle offers wordt het brandoffer in Lev. 1 het eerst genoemd. Dit offer was voor het volk van Israël ook min of meer bekend. Immers hoe vaak was dit offer al niet gebracht. Ik herinner slechts aan Noach: En Noach bouwde den Heere een altaar; en hij nam van al het reine vee en van al het rein gevogelte, en offerde brandofferen op dat altaar." (Gen. 8 : 20.) In Leviticus wordt het voor Israël echter aan bepaalde voorschriften gebonden.

V rij willig.

In tegenstelling tot andere offeranden werd het brandoffer volkomen vrijwillig geofferd, d.w.z. men kon het brengen zo dikwijls men daar behoefte toe had, zonder daarbij gebonden te zijn aan tijden of gelegenheden. Had men clus behoefte aan een persoonlijke schuldvergeving, clan kwam men met een offer. Niet, dat het brandoffer de zonde weg deed, maar het wees heen naar Christus' offer op Golgotha.

Handoplegging.

De offeraar komt nu met zijn offerdier aan „de deur van de tent der samenkomst, " d.i. bij de tabernakel. Alvorens dan tot het slachten en offeren wordt overgegaan, heeft eerst nog de handoplegging plaats. Dit gebaar moet gezien worden als een één worden van de offeraar met zijn offerdier. Daar valt het zwaartepunt op het plaatsbekledende in het offer, de één gesteld in de plaats van cle ander. De offeraar heeft door zijn zonden cle dood verdiend, maar het dier zal nu sterven voor hem, opdat hij eeuwig leven zal. De schuld van de mens wordt dus overgedragen op het dier, ja, het doodsoordeel gaat over. „Er is dus geen twijfel aan of hun oordeel, welke straf ook verdiend is, brengen zij over op het offerdier, opdat zij Gode verzoening zouden doen." (Calvijn).

Vervolgens wordt het offerdier door een priester in ontvangst genomen en naar cle slachtplaats geleid en aan alle vier cle voeten gebonden, dus weerloos gemaakt. Zou de waarlijk vrome offeraar daarin ook niet een beeld van zichzelf hebben gezien? Gebonden in zonde en schuld en weerloos tegen het recht van God.

Slachten.

De volgende handeling is het slachten.

Aan Gods recht moet voldaan worden en de volle zwaarte van dat recht wordt nu zichtbaar in het offerdier. Daarbij vloeit bloed en het is toch vooral dat bloed, waar het om gaat. De priester neemt dan een bekken, waarin een deel van het nu vloeiende bloed wordt opgevangen. (Terloops merken we even op, dat de bekkens, die daarvoor gebruikt werden, geen platte bodem hadden, maar op een punt uitliepen. Dit om te voorkomen, dat men het bekken ergens zou neerzetten en het bloed er in zou stollen.) Al roerende met een gouden staaf — anders stolt het bloed immers — begeeft de priester er zich mee naar het Brandofferaltaar in de Voorhof. Daar aangekomen werpt hij een straal van dat bloed dwars over de zuidwester hoorn en vervolgens over de noordoosterhoorn, zodat eigenlijk heel het altaar met dat bloed besprengd wordt. Zo doet de priester verzoening voor de zonde van de offeraar. Immers dat bloed wijst heen naar het bloed van Christus, dat voor Zijn volk gestort werd tot vergeving van zonden. Het wil zeggen, dat God de mens midden in de dood (offerdier) opneemt (altaar) en hem opnieuw het leven geeft.

In stukken verdeeld.

Nu wordt het offer in stukken verdeeld, gereinigd en gezouten en de ingewanden gewassen. Intussen wordt het hout op het altaar geschikt en alles tezamen wordt verbrand tot een brandoffer.

Het moet ons opvallen, dat van dit offer dus niets wordt achtergehouden. In verband met de symboliek kan dat ook niet. Er kan immers geen sprake zijn van een halve overgave, evenmin als er sprake kan zijn van een halve genade. God eist alles, omdat Hij ook alles geeft. En Christus heeft zich toch ook niet gedeeltelijk opgeofferd? Daarom wordt dit offer nu ook een „vuuroffer" genoemd, omdat er niets van overblijft.

Een liefelijke reuk den Heere.

Dit „liefelijk" niet in de zin van „lekker", om het plat te zeggen. Geen „zinnelijke genoegens." Het is de vreugde van de Vader, die de verloren zjoon weer tot Zich heeft zien komen. Weliswaar in de haveloze en verscheurde plunje der zonde, maar het is juist de vreugde van de Vader hem te kleden in het witte kleed der gerechtigheid. Het feitelijke èn van dit komen èn van dit omhelzen, vindt gestalte in de zich naar boven kringende wolken van het offer, dat „de Heere liefelijk" is.

Symbolisch moeten we hier in hoofdzaak denken aan Efeze 5 : 2: En wandelt in de liefde, gelijkerwijs ook Christus ons liefgehad heeft en Zichzelve voor ons heeft overgegeven tot een offerande en een slachtoffer Gode, tot een welriekende reuk."

Drie-één.

Bij het brengen van een brandoffer kan men volgens Leviticus 1 drie verschillende offers brengen, die in wezen één zijn.

Men kan brengen:

Uiteraard kan de één meer ten koste leggen in en aan de dienst des Heeren, naarmate hij van God meer of minder in dit leven heeft toebedeeld gekregen, dan de ander. Daarom zal van de één ook meer geëist worden dan van de ander. De arme mag volstaan met een duif (kwestie van een paar centen); dat de rijke of de beter gesitueerde dit niet mag, is in de Bijbel een vanzelfsprekendheid. Geeft men naar men ontvangen heeft, dan is elk offer tot „een liefelijke reuk den Heere." Het gaat er dus om, hoe men iets brengt. „Ik bid u dan broeders! door de ontfermingen Gods, dat gij uw lichamen stelt tot een levende, heilige, en Gode welbehagelijke offerande, welke is uw redelijke godsdienst." (Rom. 12 : 1).


1. een rund

2. klein vee: a schapen b. geiten

3. gevogelte: a. tortelduiven b. jonge duiven.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.