+ Meer informatie

Het zwarte goud van Ouro Preto

Historische mijnstad in Brazilië

4 minuten leestijd

Als ik, duizelig na een lange klim, uitkijk over de kromme straatjes en de in felle kleuren geschilderde huizen, weet ik even niet meer waar ik ben. De oude bebouwing van Ouro Preto doet me steeds aan Zuid-Europa denken en door het getrommel uit de afgelegen wijken waan ik me in Afrika.

Wat de architectuur betreft is er in Brazilië niet zo gek veel meer te zien wat aan de "oude wereld" herinnert. In Ouro Preto is dat anders. Dit mijnstadje uit de achttiende eeuw is als het ware ingevroren, zodat een wandeling door deze oude, barokke stad niet verstoord wordt door de efficiënte griezelwerken van onze hedendaagse bouwmeesters.

Toen in het begin van de zeventiende eeuw een nieuwe expeditie van de Portugezen de woeste binnenlanden van Brazilië introk, had geen mens ook maar het flauwste vermoeden dat zich in de omgeving van het later Ouro Preto genoemde dorp een enorme goudmijn bevond. Pas nadat iemand tijdens het lessen van z'n dorst wat vreemde, glimmende korreltjes op de bodem van z'n drinknap had zien liggen en deze voor nadere beschouwing in de stad had laten onderzoeken, brak de storm los.

„Goud, goud! zo voor het oprapen!", riep men opgewonden. Waar had deze jongeman dat wel niet gevonden? Hij wist het niet meer precies. In die tijd beschikte men nog niet over atlassen en fotografie, dus moest men het maar doen met wat oppervlakkige aanwijzingen van de vinder. Het duurde zeven lange jaren alvorens men eindelijk die vreemde uitstulping in het gebergte weer had herkend. En het goud was er ook nog.

Slaven
Duizenden stroomden toe. Ze groeven gaten en kuilen en moesten dieper om nog meer goud te delven. In die tijd liet het blanke ras zich van zijn zwartste zijde zien en probeerde de Indianen voor zijn (mijn)karretje te spannen. Dat lukte niet. De Indianen werden door de Jezuïeten beschermd, die er vreemd genoeg geen bezwaar tegen hadden dat de negers uit Afrika wèl in de mijnen werden gestopt.

De Portugezen hadden het idee van de slavenhandel van de Hollanders en de Britten overgenomen en kochten mankracht in uit gebieden die nu bekend zijn als Soedan, Angola en de Kongo. Begin achttiende eeuw werden meer dan 100.000 negers in de mijnen te werk gesteld. Luiz Gomes Ferreira, een Portugese arts, schreef in 1735: „De mijnen, daar werken ze, eten ze, slapen ze en staan ze op de koude rotsgrond of in het water. Hun verkoudheden ontwikkelen zich tot hardnekkige infectieziekten als bronchitis en longontsteking."

Uitgeput
Dat nam allemaal niet weg dat Ouro Petro (dat betekent: zwart goud, zo genoemd vanwege het feit dat het goud er, omdat het vermengd was met palladium, een andere kleur had dan normaal) uitgroeide tot de hoofdstad van de deelstaat Minas Gerais, ongeveer zo groot als Frankrijk. Meer dan 250.000 mensen moeten er gewoond hebben. Het stadje werd volgepropt met rooms-katholieke kerken, kapelletjes, een universiteit en verschillende paleizen.

Ouro Preto werd de op twee na grootste stad ter wereld. Elke dag werden er twee goudkoetsen naar Rio de Janeiro gestuurd, één vol en één leeg, in de hoop dat de talrijke overvallers de laatstgenoemde zouden roven. De goudkoorts duurde zo'n zeventig jaar. Toen was de grond zo goed als uitgeput en zakte de economische activitiet van de welwarende hoofdstad als een mislukte plumpudding ineen. Men besloot het noordelijk gelegen Belo Horizonte tot hoofdstad te benoemen, wat Ouro Preto de sloop van talrijke oude huisjes en kerken bespaarde.

Negercarnaval
Ik was in het stadje tijdens carnaval. Daar schrok ik aanvankelijk behoorlijk van. Maar ik zat in Brazilië en kon geen kant meer uit. Het tromgeroffel uit de hoeken van het heuvelachtige stadje klonk al als een onheilspellend voorspel voor een hevig feestgedruis.

Maar toen ik op de eerste carnavalsdag midden in het losgebarsten geweld terechtkwam, raakte ik onwillekeurig gefascineerd door de dreunende troms, die de grond onder me deden beven. Hier was ik getuige van een overweldigend geroffel, geproduceerd door allemaal negers, die werden vergezeld door honderden dansende en springende mensen. Dit had niets meer met het carnaval in Nederland te maken.

Het drinkfeest, dat meestal gepaard gaat met het op dwaze wijze achter elkaar aanhossen, getooid met feestneus en hoedje. Dit had ook niks met feest te maken; dit was een explosie, een uitbarsting van kracht... een ontlading. Of was het meer dan dat... onknechting, misschien? Het was alsof deze zwarte sambamuzikanten zich lossloegen van het donkere verleden.

Dit was Afrika
En waar waren de blanken, althans, diegenen met een wat lichtere huidskleur? Die feestten heel ergens anders. Tijdens dit carnaval in Ouro Preto sloeg de rassenscheiding toe. Ik stond verbijsterd aan de kant en voelde het oude, met klinkers betegelde plein, trillen. Dit was Brazilië niet meer en zeker geen Europa. Om me heen sloegen negers met stokjes op ingedeukte bierblikjes, op olievaten, op alles wat maar geluid gaf. Ouro Preto beefde in een onafgebroken ritme. Dit was een stukje donker Afrika...

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.