+ Meer informatie

De ouderling op kerkvisitatie

7 minuten leestijd

De laatstgehouden generale synode van onze kerken bracht in de redactie van artikel 44 der kerkorde een kleine wijzi ging aan, waardoor het mogelijk is gewor den om voortaan bij het zo belangrijke werk van de kerkvisitatie ook ouderlin gen in te schakelen.

Het oude artikel 44 luidde als volgt: Ook zal de classis tenminste twee van haar meest ervaren en bekwame dienaren des Woords machtigen, om in alle kerken elk jaar kerkvisitatie te houden… Volgens deze bepaling is de kerkvisitatie een werk dat slechts door de dienaren des Woords kan worden verricht.

Het nieuwe artikel luidt nu aldus: Ook zal de classis tenminste twee van haar meest ervaren en bekwame dienaren des Woords van wie één vervangen kan worden door een ouderling, machtigen om in alle ker ken elk jaar kerkvisitatie te houden… Volgens de nu geldende bepaling is het dus mogelijk om de kerkvisitatie te laten ver richten door een dienaar des Woords én een ouderling.

Het verdient opgemerkt te worden, dat de generale synode niet letterlijk het voorstel van de particuliere synode van het Oosten (deze was het die een instructie van de classis Utrecht had overgenomen en door gezonden, waarin de onderhavige zaak aan de orde werd gesteld) overnam. De P.S. van het Oosten verzocht aan de generale synode artikel 44 van de kerkorde „dus danig te wijzigen, dat achter ’haar meest ervaren en bekwame dienaren des Woords’ worde ingevoegd ’en ouderlingen’ ”. In dit oorspronkelijke voorstel wordt de mogelijk heid open gelaten, om de kerkvisitatie te laten verrichten door ouderlingen, even tueel zonder dienaren des Woords. Zoiets zou althans uit de formulering afgeleid kunnen worden. Wijzer en voorzichtiger is de formulering die de generale synode koos. Eén dienaar des Woords kan vervan gen worden door een ouderling.

Welke argumenten speelden bij deze be slissing een rol? Hoe kwam deze zaak op de classis? Werd zij overgenomen door de particuliere synode, en ten slotte, zij het gewijzigd, door de generale synode?

Het is wonderlijk om te zien dat dezelfde argumentatie, die Voetius aanvoert om te verklaren, hoe het kwam dat van lieverlee de ouderlingen bij allerlei kerkewerk op de achtergrond traden, nú werd aangevoerd om juist de ouderling weer naar voren te schuiven. Immers in de kerken der refor matie hier te lande was het niet onge woon, dat ouderlingen mee gingen op kerkvisitatie. Om een enkel voorbeeld te noemen: Vlissingen 1581 bepaalde dien aangaande: „Zullen twee dienaren en twee ouderlingen uit verscheiden kerken van de classe hiertoe verordineerd zijn”. In Den Briel werd in 1593 als volgt besloten: „Bij geval het den predikanten ten platten lande niet altijd gelegen ware zich bij de predi kant in de stad te vervoegen vanwege de verre afstand der plaatsen, zo zal de predikant in de stad bij zich mogen nemen een van de ouderlingen van zijn kerk en de predikant ten platten lande een van zijn medebroeders, dien het ’t best zal gelegen zijn”. Uit deze bepalingen blijkt wel dui delijk, dat de ouderlingen werden inge schakeld bij de kerkvisitatie. Of dit altijd gebeurde in het besef, dat óók de predikant dit werk verricht in zijn hoedanigheid van ouderling, omdat kerkvisitatie het regeren van de kerk raakt, willen wij nu maar in het midden laten. Ds. Joh. Jansen schrijft in zijn bekende verklaring van de kerk orde (Kampen 1952, blz. 198): „Naar de H. Schrift en het Gereformeerd Kerkrecht behoort de kerkvisitatie echter niet tot het leer-, maar tot het regeerambt, zodat de predikanten ze niet in hun qualiteit van predikanten, maar van ouderlingen waar nemen”.

Het doet wat schools aan wanneer men deze onderscheiding tussen wat de predi kant als predikant en wat hij als ouder ling verricht, ziet hanteren bij Jansen. Het lijkt me toe, dat de ouderlingen en de predikanten, die in vroeger dagen samen op kerkvisitatie gingen dit onderscheid niet gehanteerd zullen hebben.

Hoe kwam het echter, dat de ouderlingen hoe langer hoe meer op de achtergrond traden en dat steeds meer de kerkvisitatie een werk werd van de dienaren des Woords? Voetius voert als reden aan, dat bijna al de ouderlingen niet zonder groot nadeel voor hun zaken enige dagen achtereen van huis kunnen. Dat klinkt aannemelijk. Wie er aan denkt welke bezwaren vroeger gol den bij het ondernemen van ook slechts korte reizen, kan Voetius begrijpen. De ouderlingen waren dikwijls te veel bezet met hun werk, dan dat zij daarnaast het zeer tijdrovende werk van ’t bezoeken van een aantal genabuurde kerken zouden kun nen verrichten. Zo valt het te verklaren. dat de dienaren des Woords voornamelijk dit gedeelte van de ambtelijke dienst moesten vervullen.

En het is juist op dit punt, dat in som mige opzichten de zaken zijn omgekeerd. Het grote aantal vacatures, de overvolle agenda’s van vele predikanten, het feit dat kerkvisitatie dikwijls in de avonduren ge schiedt — het zijn allemaal factoren, die er toe bijdragen dat in de praktijk het zo noodzakelijke werk van de kerkvisitatie niet geregeld plaats vindt. Het is hier en nu niet de plaats om uiteen te zetten hoe schadelijk dat voor de kerken is. Waar men niet maar op een formalistische manier, maar kérkelijk, d.w.z. geestelijk en pasto raal de kerkvisitatie verricht kan men vele moeilijkheden in het kerkelijke leven op lossen, of ook voorkomen. Op hoe vele plaatsen zouden kleine conflicten niet die verkeerde ontwikkeling hebben gegeven, wanneer bijtijds, b.v. ook op een kerk visitatie daarover gesproken had kunnen worden. Daarom móet er kerkvisitatie ge houden worden. Daarom moet de classis er op toezien, dat zij gehouden wordt en degenen, die ervoor werden aangewezen vermanen, wanneer zij niet aan hun op dracht voldoen. En in dit licht is de uit breiding van artikel 44 in bedoelde zin toe te juichen. Immers het werk kan door gaan.

Principieel kan tegen deze regeling geen enkel bezwaar bestaan. Wie in de gelijk heid van alle dienaren een groot goed ziet, zal geen reden vinden om dat in de prak tijk niet te willen honoreren. Maar men mag niet vergeten, dat het ook in de nieuwe lezing van artikel 44 gaat om meest ervaren en bekwame dienaren. En wanneer dan één van hen vervangen zal worden door een ouderling, zal dit toch op zijn minst moeten inhouden, dat deze broeder ouderling ook behoort tot de meest ervaren en bekwame ouderlingen. In sommige classes is het gebruikelijk (geheel ten onrechte!) om het instituut van de kerk visitatie te gebruiken om jonge en oner varen dienaren ervaring te laten opdoen in het kerkelijke leven. Bij toerbeurt, vol gens rooster worden de visitatoren aan gewezen. Déze handelwijze is in strijd met artikel 44 in oude en in nieuwe lezing. In de latijnse tekst van art. 44 is sprake van leeftijd, ervaring en beleid (aetas, expe rientia en prudentia). De leeftijd is niet altijd, maar wel heel vaak een zaak die gepaard gaat met ervaring en wijsheid en voorzichtigheid. En wie bedenkt, dat dit begrippen zijn, die gehanteerd worden in een kerkelijke orde, zal niet de minste moeite hebben om in te zien, dat de ouder lingen, die op kerkvisitatie gaan mét een dienaar des Woords, dienen te beschikken over de leeftijd niet alleen, maar ook over de ervaring en de levenswijsheid (kerkelijke levenswijsheid is er één van de bijzonderste soort), die de visitator in staat stellen om een bezonnen oordeel te geven over ker kelijke zaken en toestanden, die hem — aan de hand van een vragenformulier — wor den medegedeeld, en die hij, samen met de predikant heeft te rapporteren aan de classis, opdat deze erover zal oordelen en beraadslagen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.