+ Meer informatie

HET TOEZICHT VAN DE KERKERAAD OP DE PREDIKING

29 minuten leestijd

1. Inleiding

Mij is verzocht om vanuit de gezichtshoek van de predikant op het genoemde onderwerp te reageren. Onmiddellijk wil ik voorop stellen dat dit dan een reactie is van een predikant. Het lijkt mij onmogelijk om namens alle predikanten van onze kerken te spreken over dit onderwerp.

Wat ik dus ga zeggen is de mening, de reactie van één van de vele predikanten die in de praktijk van hun werk met het toezicht van de kerkeraad op de prediking in aanraking komen.

Ik acht mij ontslagen van de verplichting om diep in te gaan op de wording en de tot standkoming van het ouderlingen-ambt zowel historisch als principieel. De historische en principiële zijde komen slechts ter sprake voorzover zij voor ons onderwerp van belang zijn.

Dat neemt niet weg dat het voor een goed begrip noodzakelijk is om de taak van de kerkeraad en de predikanten eerst apart te bezien.

2. Gegevens voor het toezicht van de kerkeraad op de predikanten

De gegevens voor deze taak van de kerkraad vinden we in de Nederlandse geloofsbelijdenis, de kerorde, het formulier voor de bevestiging van ouderlingen en diakenen, het formulier voor de bevestiging van dienaren des Woords, het ondertekeningsformulier voor dienaren des Woords en het reglement op de kerkvisitatie.

De Nederlandse geloofsbelijdenis spreekt slechts indirect over de roeping om toezicht op de dienaren des Woords te oefenen. In artikel 30 wordt o.a. gezegd, dat de raad der kerk het middel is om „de ware religie te onderhouden, en te maken dat de ware leer haar loop hebbe”.

In artikel 23 van de kerkorde gaat het over de taak van de ouderlingen. Alle nadruk valt in dit artikel op de persoonlijke verantwoordelijkheid van iedere ouderling. Gezegd wordt daar dat het tot de ambtelijke opdracht van de ouderlingen behoort om „toe te zien, dat de dienaren, zowel als hun mede-opzieners en diakenen hun ambt getrouw waarnemen”. In het verlengde van deze persoonlijke verantwoordelijkheid ligt de taak van de kerkeraad om toezicht te houden omdat immers een ouderling alleen, evenmin als een predikant afzonderlijk, tot geen beslissende daad bevoegd is.

In het formulier voor de bevestiging van ouderlingen en diakenen lezen we: „Als opzieners van de gemeente moeten zij waken tegen het binnendringen van alle dwaalleer, die haar zou kunnen afbrengen van de gehoorzaamheid aan Jezus Christus, en tegen elke ontheiliging van de sacramenten. Zij hebben toe te zien op elkaar en op de dienaren des Woords, voor wier leer en dienst zij mede verantwoordelijkheid dragen……”. Dit wordt dan schriftuurlijk gefundeerd in de woorden uit Handelingen 20 : 28: „Zo hebt dan acht op u zelf en op de gehele kudde, waarover de Heilige Geest u tot opzieners gesteld heeft, om de gemeente Gods te weiden, die Hij Zich door het bloed van Zijn Eigene verworven heeft”.

In het reglement op de kerkvisitatie wordt aan de ouderlingen en diakenen in afwezigheid van de predikant de vraag gesteld of de predikant bij de uitoefening van de predik-dienst en bij de bediening van de sacramenten getrouw te werk gaat volgens Gods Woord, de formulieren van enigheid en de kerkorde.

En aan de predikant en de diakenen wordt in afwezigheid van de ouderlingen gevraagd of deze er behoorlijk voor waken, dat de kerk blijft bij de aangenomen leer en dienst des Heren.

3. De gelijkheid van het ambt der ouderlingen aan dat van de dienaren des Woords

Het ambt van ouderli ng en dat van de dienaar des Woords zijn daarin aan elkaar gelijk dat zij beide de roeping en verplichting hebben om te dienen in de gemeente des Heren. Beide ambten behoren vreemd te zijn aan zelfs de schijn van heersen. Wat de predikanten betreft kent ieder het woord dominocratie. Of dat nu terecht of ten onrechte gebruikt wordt, het woord is bekend. En het zou niet bestaan als er geen enkele reden voor was. Wat de ouderlingen aangaat soms kan één of kunnen een paar ouderlingen zulk een dominerende plaats innemen in een kerkeraad dat de anderen maar zwijgen zodat de ongekroonde leiders hun gang gaan.

Bijzonder leerrijk is wat de H. Schrift ons voorhoudt ten aanzien van de apostelen. Zij noemden zichzelf dienaren van Christus. Zij erkenden in de kerk geen andere heerschappij dan die van Hem, die God opgewekt heeft uit de doden. Soms moesten zij tegenover bepaalde misstanden een krachtige houding aannemen en de gemeente op scherpe wijze toespreken. Maar zij deden dat dan zoals blijkt uit b.v. 2 Cor. 1 : 24 als medewerkers aan de blijdschap van de gemeente.

En Petrus waarschuwde ouderlingen van de Klein-Aziatische gemeenten dat zij voorbeelden van de kudde zullen zijn en ook in nederigheid een goed voorbeeld zullen geven. Het gaat in beide ambten om dienstbetoon. Allereerst aan Christus als het Hoofd der kerk en vervolgens aan de gemeente als Christus’ lichaam.

Het hebben van een leidinggevende plaats in de gemeente behoeft volstrekt niet in tegenstelling te staan met het dienen. Zelfs niet als ouderlingen en dienaren des Woords leiders, voorgangers en bestuurders worden genoemd. Jezus zei tot Zijn discipelen: „maar de eerste onder u worde als de jongste en de leider als de dienaar” (Lukas 22 : 26). Voorts vinden we op verschillende plaatsen dat een voorganger een voorbeeld moet geven van ootmoed en dienende liefde (Hand. 20 : 19; Galaten 5 : 13; Fil. 2 : 3) en dat hij zichzelf niet op de voorgrond moet plaatsen en hoogmoedige pretenties koesteren (Titus 1:7).

In dit verband is het ook van belang er op te letten dat in de H. Schrift slechts één keer gesproken wordt over de gaven, die nodig zijn om te besturen en wel in 1 Cor. 12 : 28. Vaak wordt de tekst aangehaald uit 1 Tim. 5:17, dat de ouderlingen, die wèl regeren, dubbele eer waardig geacht moet worden. Maar deze vertaling is niet juist. Het gaat ook hier om leiding geven. En dan blijft gelden wat Jezus gezegd heeft dat de leider moet worden als de dienaar.

Ouderlingen en predikanten zijn niet minder elkanders gelijken in rang en stand. Gelukkig is de tijd voorbij dat predikanten op een voetstuk geplaatst werden. Misschien is dat toch teveel gezegd. Haast onwillekeurig wordt de predikant nog te veel gezien als de man die aan het hoofd van de gemeente Staat en naar wiens woord meer geluisterd moet worden dan naar dat van de andere kerkeraadsleden. Vanzelfsprekend zal een predikant door zijn kennis en soms ook door langdurige ervaring goede waardevolle adviezen kunnen geven aan zijn kerkeraad. Maar dat is iets anders dan heersen. Dat is dienen. En voor het overige blijft het woord van Jezus gelden toen de discipelen trachtten elkaar voorbij te streven om beslag te leggen op de hoogste plaatsen: „Eén is uw Meester en gij zijt allen broeders”. Met dit woord heeft onze Heiland eens en voorgoed alle dienaren der kerk hun plaats gewezen. De één staat niet boven de ander.

Ouderlingen en dienaren des Woords staan ook daarin op één lijn wat de oorsprong en de opdracht tot hun werk betreft. Beider ambt komt van God en is niet uitgedacht door de mensen. Heel duidelijk blijkt dat uit 1 Corinthe 12 : 28 waar staat: „En God heeft sommigen aangesteld in de gemeente…. ten eerste…. ten tweede…. ten derde leraars”. Wat de ouderlingen aangaat moge herinnerd worden aan de reeds aangehaalde tekst uit Handelingen 20.

Ook wat de wettigheid van hun roeping tot het ambt betreft zijn ouderlingen gelijk aan de dienaren des Woords. De Schrift stelt duidelijk dat men tot het ambt door God Zelf geroepen wordt. Men lette slechts op Hebr. 5 : 4: „en niemand matigt zichzelf die waardigheid aan doch men wordt er toe geroepen door God, zoals immers ook Aäron”. Dat vindt zijn weerslag in de vragen die gesteld worden in de bevestigingsformulieren voor dienaren des Woords en voor ouderlingen en diakenen. Daar wordt immers gevraagd „Zijt gij in uw hart overtuigd, dat God Zelf u…. tot deze heilige dienst geroepen heeft?” Wij lieten weg de woorden „door zijn gemeente”. Niet om deze woorden te schrappen maar om aan te geven dat God in de eerste plaats roept en dat Hij dan die roeping als een wettige laat afstempelen door de overeenkomstige uitspraak van de gemeente. Immers alles moet in de gemeente betamelijk en in goede orde toegaan.

4. Het ambt van ouderling en dienaar des Woords onderscheiden

Het bovenstaande neemt niet weg dat er ondanks gelijkheid tussen het ambt van ouderlingen en predikanten ook verschil is. Heel duidelijk komt dit onderscheid uit in de taak die de dragers van de verschillende ambten is opgedragen. Volgens de brieven van Paulus en de Handelingen der Apostelen viel de bediening van het Woord niet aan de ouderlingen ten deel. Het is dus niet zo dat in het verlengde van het ouderlingen-ambt het predikambt ligt. Het leraarsambt was een zelfstandig ambt zoals blijkt uit 1 Cor. 12 : 28 en 29 en Efeze 4 : 2.

Wanneer van ouderlingen gezegd wordt dat zij bekwaam moeten zijn om te leren of te onderrichten behoeft dat beslist niet te slaan op de openbare bediening van het Woord. Leren, vermanen en weerleggen is altijd de taak van de ouderlingen geweest maar dan als zielszorgelijke taak. Het valt onder het weiden en hoeden van de kudde Gods. Ook in het oude bevestigingsformulier voor predikanten wordt het onderscheid tussen ouderling en predikant duidelijk gesteld.

5. Ouderling en dienaar des Woords medewerkers

Niet gezegd kan worden dat een ouderling de collega is van de predikant. Evenmin is de ouderling degene die in dienst staat van de predikant. Ouderling en predikant zijn als het wel is eikaars medewerkers. Eikaars medewerkers. Predikanten hebben de ouderlingen te helpen en te steunen en hun de eer te geven die hen toekomt. Het ouderlingenambt is een instelling van God.

Het omgekeerde is evenzeer waar. Het is van het grootste belang voor een predikant als hij ouderlingen heeft, die met hem mee- en samenwerken. Zijn taak wordt ongemeen zwaar wanneer er openlijke of stille tegenwerking is.

Heel vaak gebruikt Paulus in zijn brieven het woord: mede-arbeider of ook wel medestander of medestrijder.

In die woorden liggen verschillende gedachten.

Ik volg daarbij de opmerkingen van ds. Ph.J. Huijser in zijn boek „De ouderling en de prediking”.

Ten eerste is de ouderling deelgenoot in de blijdschap van de predikant, nl. dàn wanneer opgemerkt mag worden dat de Here werkt met Zijn Geest op welke wijze ook.

Dat geeft redenen - nee, niet om mensen te verheerlijken - tot ootmoedige dank jegens de Here. Wij vergeten zo vaak het goede en we zijn onwillekeurig geneigd om alleen naar het verdrietige en gebrekkige te zien.

Ten tweede is de ouderling deelgenoot in de teleurstellingen van de predikant. Er zijn in elk predikantsleven momenten van twijfel, van mismoedigheid. Vragen komen op als: heeft mijn werk zin? Wat werkt het Woord uit? Wordt de gemeente gebouwd? Doe ik het goed of moet de aanpak anders zijn?

Wat is het een voorrecht als er dan ouderlingen zijn, die naast hun predikant staan en oog hebben voor de vragen. Wat kan het dan ook goed zijn als er eens een vertrouwelijk gesprek gevoerd wordt.

Ten derde is de ouderling deelgenoot in dezelfde verantwoordelijkheid. Uitgangspunt mag niet zijn: de dominee doet het wel en hij doet het wel goed. Het kan wel zijn dat dat zo is maar de eigen verantwoordelijkheid van de ouderling blijft. Hij is mede verantwoordelijk voor de orde en welstand van de gemeente.

Ten vierde is de ouderling deelgenoot in dezelfde beloften. Ook hij heeft de belofte dat de Here hem sterken wil en dat zijn werk in de Here verricht niet ijdel is. Petrus zegt in zijn eerste brief dat de ouderlingen de onverwelkelijke krans der heerlijkheid zullen ontvangen als de Opperherder verschijnt en zij blijken hun ambtelijke dienst bereidwillig te hebben volbracht (1 Petr. 5 : 4).

6. Enkele conclusies uit het voorgaande

a. Ouderlingen en predikanten staan in dienst van Jezus Christus. Beiden zijn zij in eigen ambt verantwoordelijk jegens de Koning der kerk.

b. Ouderlingen en predikanten hebben elkaar nodig in het verrichten van hun ambtswerk. De een staat daarbij niet hoger dan de ander. Zij zijn beiden dienaren. Niet meer maar ook niet minder.

c. Ouderlingen en predikanten zullen elkaar dienen in het ambt dat zij hebben ontvangen. Het gaat daarbij niet om een wenselijkheid maar om een roeping.

d. De sub c genoemde roeping geldt niet alleen het pastorale werk van de predikant maar ook de prediking waarvoor ook de ouderlingen een eigen verantwoordelijkheid hebben.

7. De prediking. Waaraan gebonden?

Het antwoord op deze vraag is haast vanzelfsprekend. De prediking is gebonden aan het Woord Gods zoals dat geopenbaard is in het Oude en Nieuwe Testament. De dienaar is dienaar van het Woord. Hij heeft dat Woord door te geven. Te verkondigen. Er schuil achter te gaan. Hij heeft te laten zien, te laten horen wat God de Here in een tekst zegt. Hij staat niet boven het Woord. Hij mag er niet mee knoeien. Al zegt de dienaar het Evangelie met eigen woorden uit, hij heeft nauwkeurig toe te zien dat hij geen andere dingen verkondigt dan het Woord. Kortom de prediking dient Schrifgebonden te zijn. Dat is de eerste norm: de gebondenheid aan de Heilige Schrift.

De tweede is, hoewel van secundaire aard, de kerkelijke belijdenis. Deze belijdenis is wel afgeleid van de Heilige Schrift en altijd appellabel aan de Schrift maar dat wil niet zeggen dat de belijdenis een formele zaak is. En dat de belijdenis er niet zoveel toe doet. Terecht schrijft Huijser in zijn meergenoemd werk: „Als formulering van de Schriftwaarheid tot onderwijzing in het geloof, als manifestatie van de eenheid des geloofs naar buiten en naar binnen en als onderscheidingsteken van de zuiverheid des geloofs tegenover dwaling en ketterij, heeft de kerkelijke belijdenis normatief gezag”.

In de derde plaats is de prediking gebonden aan de kerkorde. Onze kerkorde spreekt daar maar kort over. Artikel 16 zegt: „Tot de taak van de dienaren des Woords behoort, dat zij in de gebeden en in de bediening der sacramenten volharden……”

8. Ondanks gebondenheid toch veel vrijheid

Het is duidelijk dat de predikant aan de bovengenoemde normen onvoorwaardelijk gebonden is. En dat hij door zijn kerkeraad daarop kan worden aangesproken. Het is zelfs plicht met alle consequenties van dien dat een kerkeraad deze normen hanteert. Toch laat deze gebondenheid nog een grote vrijheid over.

Zo is een predikant niet gebonden aan de smaak, de wensen en verlangens van een gemeente. Evenmin aan de prediking van een andere predikant of een hoogleraar. Ook de kerkelijke traditie is niet een norm al is die wel van groot belang. Maar ze is niet van die aard dat een predikant aan haar gebonden kan of mag worden. In de aanpak en opbouw van zijn prediking moet een predikant grote vrijheid behouden al zal hij uiteraard rekening houden met de kennis die hij verworven heeft van de theologische wetenschappen.

Wel zal de prediker er voor moeten waken dat hij geen tijdloze prediker wordt. Hij brengt het Woord des Heren aan een bepaalde gemeente in een bepaalde situatie. Maar bij dit alles blijve het woord van Paulus aan Titus gelden: „zuiverheid in de leer, waardigheid, een gezonde prediking, waarop niets valt aan te merken….” (Titus 2 : 7).

9. De inhoud van de prediking

Men kan deze op vele wijzen omschrijven maar de kern van de Heilige Schrift is de boodschap van Gods gerechtigheid en Gods genade in Christus Jezus, de Zoon Gods onze Verlosser en Middelaar.

Deze boodschap moet doorklinken. De gemeente heeft daar recht op en een kerkeraad heeft de plicht om er op toe te zien dat deze boodschap gebracht wordt. Het is waar dat er meer in de Schriften staat dan alleen dit. Vanzelfsprekend mag en moet dat ook verkondigd worden. Maar dan zal de relatie met de kern van de boodschap niet mogen worden losgelaten. Wie preekt over de verhouding tot de naaste moet inderdaad daarover preken maar hij zal niet mogen vergeten dat die verhouding haar wortels heeft in de verhouding tot de Here God. En dat niet gesproken mag worden alsof die wortel er niet is. Doet men dat wel dan krijgt men een soort moraalprediking. Wat ethische voorschriften en dergelijke.

Het zou wel eens kunnen zijn dat in dit opzicht bij sommige predikers er zwakke punten zijn. De tekst wordt keurig uitgelegd, mogelijk worden er zelfs lijnen getrokken naar het leven van de christen maar het geheel is niet geïntegreerd in het totaal van de boodschap. Of mist teveel de relatie tot de kern. Mogelijk speelt hierbij ook een rol dat het niet erg „in” is om confessioneel gebonden te preken. Men hoort soms zeggen: als de prediking maar bijbels is. Dat is dan het één en al. En wie zou zich tegen een dergelijke uitspraak willen verzetten. Je bent al verdacht wanneer je deze uitspraak enigermate in twijfel trekt.

Maar vermoedelijk zullen vele christenen die niet gereformeerd zijn ook zeggen dat de prediking bijbels moet zijn.

Het is vaak opvallend dat allerlei bijbel-studies (die natuurlijk iets anders zijn dan preken) weinig confessioneel gehalte hebben. Maar datzelfde hoor je sommige gemeenteleden ook zeggen ten aanzien van de prediking al gebruikt men dan andere woorden en omschrijft men het op eigen wijze.

Maar het woord bijbels is een paraplu waaronder men heel veel kan vatten. Volgens onze belijdenis zal de prediking echter bediening moeten zijn van de sleutelen van het hemelrijk. En daar zal een kerkeraad op toe moeten zien. Waar dat gebeurt kan men er niet om heen om onderscheidenlijk te preken.

De Heilige Schrift en met name het Nieuwe Testament is er overvol van dat Jezus de weg, de waarheid en het leven is en dat alleen het Evangelie van het kruis behoudt. En dat van daaruit de lijnen getrokken moeten worden naar het geloofsleven en het leven van elke dag van een christen.

In dit verband kan misschien ook gewezen worden op het feit dat er hier en daar gezegd wordt: de Catechismus wordt niet meer gepreekt. De predikant neemt een tekst betrekking hebbend op het gedeelte van de Catechismus dat aan de orde is; hij preekt over die tekst en de hele inhoud van de Catechismus komt niet meer aan de orde.

Nu is het natuurlijk ontegenzeggelijk waar dat de Catechismus in de eerste plaats Woord-dienst moet zijn. Men kan van daaruit er geen bezwaar tegen maken dat over een tekst gepreekt wordt, die betrekking heeft op de aan de orde zijnde zondagsafdeling. Maar daarbij mag niet los gelaten worden dat (zoals K. Dijk het zegt) „de gemeente haar geestelijk bezit moet kennen; zij moet verstaan de geloofstaal der vaderen, die ook haar eigen geloofstaal is, en deze erfenis moet gekend, bewaard en verdedigd worden. De Catechismus-prediking zij Woord-dienst, ja, maar door de dienst klinke de stem van de belijdenis, die in de worsteling der Reformatie als met bloed is geschreven”. De Catechismus-prediking blijft van groot belang voor de gemeente. Dat wil niet zeggen dat de Catechismus letterlijk gepreekt moet worden maar wel dat datgene wat aan geestelijk bezit in de Catechismus ligt opgesloten in de gemeente doorklinkt en verkondigd wordt.

10. Het gezag van de prediking

Een prediker is niet iemand die zo maar op eigen gezag iets zegt. Hij komt niet met eigen autoriteit. Kwam hij met eigen autoriteit dan zou dat verschrikkelijk hoogmoedig zijn. Maar naar gereformeerde opvatting komt de dienaar des Woords in opdracht van de Koning der kerk. Door de dienaar laat God van Zich spreken. Omdat hij het Woord Gods brengt is hij met gezag bekleed, niet omdat hij in zich zelf autoriteit heeft. Een dienaar des Woords is een ambassadeur van zijn Koning. En daarom heeft hij gezag. Hij brengt ambtelijk de boodschap van zijn Koning. Daarom heeft men ook voor dat gezag te buigen. Dat wil weer niet zeggen dat een dienaar des Woords zich boven de gemeente moet stellen. De apostel Paulus, met gezag bekleed als apostel spreekt nimmer vanuit de hoogte tot de gemeente maar gebruikt meestal de aanspraak „broeders”, „geliefde broeders”, of „heilige broeders”. Hij combineert het gezaghebbende met het broederlijke. Dit gezag kan op allerlei manieren door de gemeente of ook door de ker-keraad/kerkeraadsleden worden gesteund of ook aangetast.

Gesteund wordt het wanneer men in de gemeente wel luisterend zijn oor legt maar niet mee gaat doen met het vele gepraat dat over de dominee en zijn preken gehoord wordt. Een ouderling moet er wel naar luisteren maar hij moet zijn eigen houding daar tegenover bepalen. Er zullen waarheidselementen in het gezegde zijn maar daar behoeft hij bij de gemeenteleden niet direct op in te gaan. Hij kan ze onthouden en te zijner tijd in een gesprek hetzij met de predikant alleen hetzij op de kerkeraad op gepaste wijze naar voren brengen.

Aangetast wordt het gezag van de prediking o.m. wanneer een ouderling of kerkeraadslid zonder meer meedoet met vaak heel goedkoop en veroordelend spreken over de prediking van een dienaar des Woords.

11. Klachten over de prediking

Het is duidelijk dat wanneer gezegd is dat de prediking gebonden is aan Schrift, belijdenis en kerkorde daarmee nog niet gewaarborgd is dat de prediking geen aanleiding meer geeft tot opmerkingen en kritiek.

Ik meen zonder meer te mogen stellen dat in onze kerken het niet zo is dat de prediking niet aan deze maatstaven zou voldoen. Toch zijn er vele klachten. Wat voor klachten? Ik haal er enkele aan die ik hoorde van leden van onze kerken behorend tot verschillende gemeenten: de prediking is soms veel te vlak; het lijkt wel alsof alle mensen gelovigen zijn; er wordt te weinig onderscheidenlijk gepreekt; de diepgang ontbreekt; je kunt geen bezwaar hebben tegen wat gezegd wordt maar wel tegen wat niet gezegd wordt; de deur der genade staat wel heel erg op een kier; overmatig wordt de nadruk gelegd alleen op de zondekennis; de genade hinkt er zo’n beetje achteraan, ze wordt nog genoemd maar het Evangelie klinkt niet voluit door.

Nu zal men moeten bedenken dat deze klachten niet van vandaag of gisteren zijn. Prof. T. Hoekstra heeft in 1918 een referaat gehouden op de Theologische Schooldag van de gereformeerde kerken te Kampen onder de titel: „De tegenwoordige kritiek op onze preken”. De kritiek vanuit de gemeenten vatte hij samen in 4 punten. De prediking zou zijn: 1. te ouderwets; 2. te arm; 3. te algemeen; 4. te voorwerpelijk.

Klachten zullen er ook altijd wel blijven. Maar dat mag geen reden zijn om er geen aandacht aan te geven.

Een belangrijke vraag is wel of de klachten terecht zijn. Wanneer we uitgaan van de onderwerpen die op de conferenties voorafgaande aan deze behandeld zijn moet in ieder geval geconstateerd worden dat er vele klachten zijn. De prediking zou dan veel te vlak zijn; te weinig zouden wedergeboorte en bekering naar voren worden gebracht; er zou over de Adams-positie van de mens heen gepreekt worden. We kunnen voor het moment in het midden laten of dit allemaal juist is. Ons onderwerp gaat daar niet over.

In ieder geval is het noodzakelijk dat de kerkeraad zijn verantwoordelijkheid ten aanzien van het toezicht op de prediking verstaat. En als daar werkelijk aanleiding toe is daarnaar ook handelt.

12. Functioneert het toezicht op de prediking?

Al jaren geleden schreef ds. J.H. Velema een artikel in Ambtelijk Contact naar aanleiding van het verschijnen van de tweede druk van de rectorale rede van prof. J. Hovius „Het toezicht op de Dienaren des Woords door de kerkelijke vergaderingen”. In dit artikel constateerde ds. J.H. Velema nogal wat lacunes in het toezicht op de dienaren des Woords, maar ook ten aanzien van de prediking. We kunnen hem dat toestemmen.

In mijn ambtstijd heb ik vele malen kerkvisitatie moeten houden in tal van gemeenten. Op een bepaald moment wordt in afwezigheid van de predikant gevraagd naar diens ambtswerk. Het is mij nog nimmer overkomen dat een kerkeraad klachten had over zijn predikant. Het was steeds alles goed en de brs. werden zeer gezegend met deze predikant. Dat kan men en heb ik ook steeds serieus genomen. Gelukkig als er zulke goede getuigenissen zijn. Maar als men dan later wel eens met ambtsdragers spreekt hoor je uitingen als: ja, er werd vroeger toch anders gepreekt, we missen dit of dat.

Dan vraag je je wel af: hoe zit dat nu? Beschuldigen wil ik niet maar hier klopt toch iets niet.

Op classisvergaderingen komen deze vragen nimmer aan de orde. De verslagen naar artikel 41 K.O. gewagen meestal van veel zegen. Een heel enkele keer is er eens iets negatiefs maar dat betreft dan meestal enkele personen of bepaalde omstandigheden. Nu is het natuurlijk bijzonder moeilijk om over deze dingen in brede kring te spreken. En misschien moeten we andere wegen zoeken om werkelijk elkaar op dit vlak te ontmoeten.

Is het op de kerkeraden beter? Dat is in het algemeen niet te zeggen. Er zijn kerkeraden die op bepaalde tijden inderdaad over de prediking spreken.

Van de kerkeraden waartoe ik persoonlijk heb mogen behoren moet ik zeggen, dat zij van tijd tot tijd over de prediking spraken al moet ik er bij opmerken dat het verzoek om er over te spreken meestal van mijzelf is uitgegaan. Ik herinner mij van die vergaderingen vaak goede opbouwende gesprekken al voelde men steeds de zorg om niet pijn te doen en stond op de achtergrond de vrees dat er verwond zou worden.

De eerlijkheid gebiedt mij te zeggen dat ik het meeste geleerd heb van opmerkingen die gemaakt werden door gemeenteleden in pastorale gesprekken terwijl het op die momenten er helemaal niet om ging om de preek aan een nader onderzoek te onderwerpen of te bekritiseren.

13. Hoe ervaart een predikant het toezicht op de prediking?

Het spreekt voor zich dat deze vraag eigenlijk veel te algemeen is gesteld. Want wie zou namens allen durven spreken? Wie ook…. ik niet. Het moet dus blijven bij enkele algemene opmerkingen.

In het algemeen moet gezegd worden dat predikanten heel gewone mensen zijn, die dezelfde goede dingen als andere mensen hebben en ook de minder goede. Vele mensen kunnen moeilijk kritiek verdragen. Die zijn er ook onder de predikanten. Er zijn predikanten die bij kritiek direct op hun tenen gaan staan en zich beledigd tonen. Zo’n predikant verstaat dan niet goed dat zijn kerkeraad mede voor zijn prediking verantwoordelijk is en die verantwoordelijkheid dus ook mag en moet betrachten en derhalve het recht heeft om hem aan te spreken. Ouderlingen en predikanten zijn eikaars medewerkers. Dat niet alleen, maar óók dat. De predikant moet zijn plaats weten. En als hij b.v. uit hoogmoed die plaats niet weet moet hem dat maar eens goed duidelijk gemaakt worden. Natuurlijk op broederlijke wijze.

Anderzijds beseffe een kerkeraad dat hij ook tijd en gelegenheid moet weten wanneer hij spreekt over de prediking. Preken is een zeer teer werk. Preken is ook een werk dat altijd opnieuw spanning geeft. Je kunt nooit van te voren zeggen hoe het zal zijn. Dat kan zelfs verschillend zijn als je dezelfde preek direct na de eerste keer nog een keer houdt in een andere gemeente. Soms ga je de preekstoel op in de gedachte: nu heb ik een goede preek. Misschien is dat ook hoogmoed. En toch gaat het niet. Je voelt het komt niet over. Op een andere keer denk je: ik weet het niet. En je komt van de kansel en een broeder zegt: wat heb ik genoten. Hoe dat ook zij men moet zich realiseren dat een predikant (of althans velen) zowel vóór als na een dienst in een zekere spanning verkeert. Een kort gesprek of een paar opmerkingen na de dienst kunnen een weldaad zijn. Maar kritische opmerkingen na een dienst kunnen ook geheel verkeerd werken. Daar komt bij - aangenomen dat een predikant terecht kritiek moet ontvangen - dat niet alle broeders de gave hebben de dingen zo te zeggen dat zij goed overkomen.

Het komt mij voor dat in het algemeen genomen een predikant het zal waarderen wanneer de prediking alle aandacht heeft van de kerkeraad al zal er vóór het gesprek over de prediking wellicht een zekere spanning zijn.

14. Hoe kan het toezicht op de prediking het best functioneren?

Dat is een bijzonder moeilijk te beantwoorden vraag. Wanneer men niet gewend is om van tijd tot tijd een gesprek te hebben over de prediking kan het op de agenda zetten van een dergelijk gesprek iets geforceerds krijgen waardoor het nut van zo’n gesprek bij voorbaat aan twijfels onderhevig is. Bovendien een gesprek moet geboren worden. Een gesprek kun je niet zomaar opzetten. Bovendien lijden vele kerkeraadsvergaderingen aan het euvel dat zij meer bestuursvergaderingen zijn dan vergaderingen van een raad die de geestelijke belangen van leden van Christus’ kerk heeft te behartigen. Ik weet wel dat daar allerlei excuses voor zijn maar de werkelijkheid is niet anders.

Er zijn verschillende manieren om over de prediking te spreken.

Wanneer er zeer ernstige bedenkingen zijn tegen de prediking van de predikant ter plaatse moet de prediking beslist als agendapunt worden opgevoerd. Maar dan moet het wel zeer ernstig zijn.

Mogelijk is ook af te spreken dat men b.v. 1 keer of meer keren per jaar de prediking aan de orde zal stellen op de kerkeraadsvergadering. Het lijkt echter gewenst dit dan te doen aan de hand van een korte inleiding hetzij door de predikant hetzij door één der kerkeraadsleden.

Een heel goede methode lijkt ook - mede met het oog op het feit dat kerkeraadsvergaderingen vaak opgaan in bestuurlijke zaken - om een kort gedeelte van de vergadering te bestemmen voor het bespreken van een Bijbel-gedeelte of een onderwerp betrekking hebbend op het ambtelijke werk. Naar aanleiding daarvan kunnen dan als vanzelf verschillende zaken naar voren komen. Deze methode heeft ook het voordeel dat de broeders ambtsdragers eikaars gedachten beter leren kennen en daardoor elkaar ook meer zullen waarderen. En ook meer een team gaan vormen.

En kunnen verslagen van de huisbezoeken soms niet aanleiding zijn om over verschillende zaken te spreken? Want soms komen daar dingen naar voren die vanuit het oogpunt van benadering verdere bespreking behoeven. Wat kan een gedachtenwisseling waar de predikant bij is dan zinvol zijn. Deze kan er immers weer zijn voordeel mee doen in zijn prediking. Tenminste als hij leren wil.

Uitgangspunt dient te zijn dat men elkaar wil dienen tot opbouw van de gemeente en dat er geen andere motieven achter zitten dan het betrachten van de eigen verantwoordelijkheid als ambtsdrager. Het beoefenen van dit toezicht vraagt voorzichtigheid en wijsheid. Het mag er niet om gaan om zijn mening eens te zeggen en de predikant eens goed te laten gevoelen hoe fout hij in bepaalde opzichten is.

Men zorge ook dat de kritiek wèl gefundeerd is en dat men niet iemand napraat. Of dat men als postbode fungeert voor een gemeentelid. Ouderlingen horen uit de aard der zaak veel over de prediking in de gemeente. Het is een goede zaak als zij de kritiek of de bezwaren toetsen. Zij zullen zelf moeten kunnen onderscheiden waar het op aan komt.

Als men nu werkelijk veel kritiek heeft op zijn predikant zou men toch vóór alles met hem moeten gaan spreken onder vier ogen. Dat is de beste methode. Dat kan ook heel veel opklaren zowel bij de predikant als voor de ouderling. Natuurlijk als niets helpt zult u uw bezwaren op de kerkeraad moeten brengen. Dat is plicht. Maar men doe dat dan op werkelijk christelijke wijze.

Het maakt wel verschil of men te doen heeft met een jonge predikant of een oudere. Man mag van een oudere predikant meer vragen dan van een jongere. Maar dat brengt tegelijkertijd met zich mee dat men een jongere predikant zijn bijzondere steun en hulp moet bieden. Een jong predikant heeft verschillende dingen vóór maar ook enkele tegen. Vóór b.v. zijn enthousiasme, zijn liefde, zijn zich geven voor allerlei activiteiten die nieuw leven worden ingeblazen.

Tegen heeft hij dat hij veel moet leren. Hij weet dat wellicht ook maar verstaat nog niet wat dat precies betekent. Soms heeft hij nog weinig levenservaring met alle gevolgen van dien. Soms ook weet hij onvoldoende wat de werkelijke vragen van de gemeente zijn. Vergeet niet: jonge predikanten zijn predikanten die na de tweede wereldoorlog geboren en getogen zijn. Zij staan daardoor wel eens verder van oudere leden af dan men zou wensen. Bovendien moet elke predikant leren dat niet hij maar het Woord het moet doen. Dat kan een crisis veroorzaken in het leven van een predikant. Het lijkt daarom bijzonder gewenst om met hem van tijd tot tijd te spreken over de prediking. Als u werkelijk verschillende dingen zou missen in zijn prediking maar het is ineens een keer zo dat het in de goede richting gaat, zeg hem dat eens. Zeg hem: hier raakt u dingen aan die belangrijk zijn en leven in de gemeente; hebt u niet gemerkt hoe ze luisterden? Dat zouden we graag meer horen. Nu, dan hebt u daarin het uitgangspunt voor een gesprek over deze dingen. Denkt u dat een jong predikant zelf niet soms met deze dingen zit? Probeer wat vertrouwen te winnen.

Bij een oudere predikant ligt het misschien wat anders. Hij is ook wat meer gevormd maar nimmer vergete men als kerkeraad zijn verantwoordelijkheid. U als kerkeraad bent mede verantwoordelijk voor de prediking en voor het welzijn van de gemeente.

Dat is niet iets van de laatste jaren. Wie de geschiedenis der kerk nagaat komt telkens weer tegen dat kerkeraden door kerkelijke vergaderingen of theologen werden aangespoord om het toezicht op de prediking metterdaad te beoefenen.

Ik citeer hier de opwekking van Jacobus Koelman tot de ouderlingen die ik vond in de eerder genoemde rede van prof. Hovius: „Wanneer de predikant gewoonlijk maar alge-meene toepassing maakt in zijn preeken, als of het allen vromen waren, die hem hooren en als of zij allen wedergeboren en in eenen staat van zaligheid waren, en wanneer hij ook zoo algemeen bidt, als of het allen uitverkorene kinderen Gods waren, die met hem bidden; zoo zoudt gij met hem in het heimelijk daarover spreken, en aanwijzen, hoe schadelijk zulk een algemeen preeken en bidden is, hoe verwaand en zorgeloos de menschen daar door worden, en zichzelven bedriegen, en hoe aanstootelijk en bedroevende dat voor de vromen is, dat zij zien, dat er geen onderscheid gemaakt wordt in de toepassing”.

15. Slot

Het toezicht van de kerkeraad op de prediking. Zo luidde de titel van ons onderwerp. Veel moesten we onbesproken laten. Het zou te veel tijd vergen. Mogelijk dat in de bespreking nog meer naar voren kan komen.

Gelet op de hele kerkelijke situatie lijkt het gewenst dat de prediking meer aandacht van de kerkeraden krijgt dan ze wel eens gehad heeft. Laten we allen onze verantwoordelijkheid beseffen. Het gaat metterdaad niet om kleine dingen.

Het gaat om de rechte, zuivere verkondiging van het Woord Gods en daarin om het welzijn van de gemeente.

Kerkeraden inclusief predikanten hebben een grootse taak. Die taak zal gezamenlijk moeten worden verricht. Daarbij moge de liefde tot het Woord Gods samenbinden. Ook moge er wederzijds een grote openheid zijn.

Enerzijds zij er een grote voorzichtigheid in de wijze waarop een kerkeraad het toezicht op de prediking uitoefent. Anderzijds zij er geen schroom om wanneer daar werkelijk redenen voor zijn als kerkeraad te spreken omdat het Woord het middel is dat de Heilige Geest gebruikt om de gemeente van Christus te vergaderen; om haar te bouwen en te funderen op het fundament dat gelegd is: Christus Jezus.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.