+ Meer informatie

Het qekrookte riet en de rokende vlaswiek

6 minuten leestijd

„Het gekrookte riet zal Hij niet verbreken en de rokende vlaswiek zal Hij niet uitblussen; met waarheid zal Hij het recht voortbrengen.” - Jes. 42: 3.

Met de godsdienst van de mens, die opkomt uit een blote beschouwing, is het leven dat uit God geboren is niet te bevredigen. Vanuit dat nieuwe leven is het hart vervuld met een innige droefheid naar God, die een onberouwelijke bekering werkt tot zaligheid. Waar de Schrift ons gedurig op wijst.

Terwijl deze mensen zich niet met wat alledaagse godsdienst kunnen verenigen, daar zij hongeren en dorsten naar de borggerechtigheid van Christus, worstelen zij tegen de stroom van de oppervlakkige tijdgeest in. En dat is de enige weg des behouds.

Maar zo was het ook in de tijd van Jesaja. Het grootste deel van het volk des verbonds had genoeg aan wat eigenwillige godsdienst. Wilde niet weten van hartvernieuwende genade. Met het teken des verbonds aan den lijve boog het voor de góden van hout en steen. Door de valse profeten werden zij daarin geprezen. Het volk werd schier niet meer opgewekt tot het zoeken van de levende God om voor Hem te knielen in het smeken om ontferming.

Vanuit de hoogte zag men met verachting neder op het overblijfsel als een hutje in de wijngaard, als een nachthutje in de komkommerhof. Ja, als een belegerde stad die van alle kanten wordt aangevallen. Het waren wat gekrookte rieten en rokende vlaswieken waarvoor niet de minste verwachting is. Het is een volk zonder veerkracht, het ontbreekt hen aan de nodige stuwkracht, het heeft geen bestaansmogelijkheid. En dat stemmen zij van harte toe. Als de Heere er niet aan te pas komt is het voor ons een verloren zaak. Wat hen tot de Heere doet wenen en smeken om ontferming. Door alle tijden heen liep de weg van Gods kerk door de dood der onmogelijkheden heen.

Maar zie, de Heere wijst het gekrookte riet en de rokende vlaswiek op Zijn Knecht Die door Hem ondersteund wordt, in Dewelke Hij een welbehagen heeft. Hij zal in Zijn lijden en strijden op de straat Zijn stem niet laten horen om medelijden voor Zichzelf op te wekken. Wil niet dat wij over Hem wenen, maar dat wij wenen vanwege onze ellende en het oordeel dat wij ons hebben waardig gemaakt, opdat Hij ons dierbaar zou worden.

Hier wordt de Knecht des Heeren de gekrookte rieten en de rokende vlaswieken aangewezen en aangeprezen. Want deze bedrukten en bedroefden zijn voor de Heere geen onbekenden. Waren van huis uit geen gekrookte rieten en rokende vlaswieken. Met weemoed denken zij er aan terug dat zij in hun eertijds oçk tot die wuivende rieten behoorden met de nodige veerkracht om met allerlei wind van leer mee te wuiven, zoals het met de godsdienstige rietvelden thans ook gesteld is. Waren niet gelijk aan een rokende vlaswiek, maar wel aan een vlaswiek die door de moeder des huizes pas ontstoken, als een speels vlammetje tot vreugde was van de huisgenoten, zodat aller oog er op gevestigd was.

Maar het is hier een gebroken riet, een rokende vlaswiek, die verbroken en uitgedoofd zal worden. Het zal zijn een ondergaan, daar is geen verwachting voor. En toch ziet de Heere er met ontferming op neder.

Maar is er dan enige waardigheid in dat gekrookte riet en in die rokende vlaswiek, waarom de Heere zo vertroostend komt te spreken tot deze ongelukkige mensen?

In geen geval! Het wordt door al die mensen betuigd alle recht en waardigheid verloren te hebben. Het is voor hen een ondergaan in het oordeel der verbreking, in de duisternis, daar zij uitgedoofd zullen worden om onder te gaan in de eeuwige duisternis.

Maar de Heere is aan dat volk verbonden door de verheerlijking van Zijn hartvernieuwende genade, om Zijn Naams wil. Hij heeft Zijn wet in het hart geschreven door Zijn Geest, dat hen deed komen tot de onberouwelijke keus Hem te vrezen en in Zijn wegen te wandelen.

Maar zie, zij kunnen niet. Zij missen de kracht van het gelovig kunnen, het licht van het geestelijk kennen. Met de klacht van dit woord: „Ik ben van nature geneigd God en mijn naaste te haten”, liggen zij in het stof der verootmoediging. En tot deze bedroefden van hart zegt de Heere: Het gekrookte riet zal Mijn Knecht niet verbreken en de rokende vlaswiek zal Hij niet uitblussen. Ge hebt van Hem geen kwaad te duchten, want Hij is vol ontferming plaatsbekledend voor u opgetreden. „Met waarheid zal Hij het recht vóórtbrengen.” Ja, in Hem en door Hem is er voor het gekrookte riet en de rokende vlaswiek verwachting. Het wordt deze mensen door Gods Woord en Geest geopenbaard in het hart.

Het gaat om waarheid en recht. De Heere zal Zijn volk niet begeven, en Hij zal Zijn erve niet verlaten. „Want het oordeel zal Wederkeren tot de gerechtigheid en alle oprechten van harte zullen het navolgen’.

Het oordeel van het zo diep geknakte recht, waarvan de Schrift spreekt, zal vol majesteit wederkeren tot gerechtigheid, in het offer dat door Christus is opgebracht en door de Vader is aangenomen.

In de algenoegzame offerande van de Borg ontmoet de goedertierenheid de waarheid, en de gerechtigheid en de vrede kussen elkander. Tot driemaal toe is de Borg in Zijn borgtochtelijk lijden getroffen door een rietstok zonder pluim. Bespot werd de van God verordineerde Koning door Hem een rietstok ter hand te stellen, er mede op het hoofd te slaan en met een spons daaraan Hem drinken te geven.

Waarheid en recht zijn nu met de goedertierenheid en de vrede werkzaam in de toepassing van het door Christus verdiende heil. Tegenover de pluim die richterlijk verloren ging staat nu de kroon der rechtvaardigheid door Christus verworven. Die het naar recht krijgt te aanvaarden verstoten te worden in de buitenste duisternis, gaat nu de Zon der gerechtigheid op. Ja, dat heil schenkt de Heere, opdat zij heilig en onberispelijk voor Hem zouden zijn in de liefde door te jagen naar de volmaaktheid. Het is dan ook de keus van het hart daarin echt en recht werkzaam te mogen zijn.

Maar ach, dat baart een bittere teleurstelling daar het verderf der zonde ons als met des tc meer kracht aankleeft en tegenstaat, zodat we met al dat goede weer komen tot de klacht: „Ik ellendig mens.” Wat de stand van het leven betreft zijn we weer, al is het in een geheel ander verband, een gebroken riet en een rokende vlaswiek. Als de allerheiligste nog maar een klein beginsel heeft van deze gehoorzaamheid, hoe klein moet het mijne dan wel zijn.

Ook hierin is Gods kind onderscheiden van de wuivende rietpluimen, die de bevinding der heiligen zoeken weg te drukken, door te -leven bij het kunstlicht van het verstand dat verduisterd is.

„Maar Ik”, zegt de Heere, „zal in het midden van u doen over blij ven een ellendig en arm volk, die zullen op de Naam des Heeren hopen.”

En in die werkzaamheden van het geloof, de verdraagzaamheid der hoop en de arbeid der liefde, wordt tot roem van Gods genade Zijn verkiezende liefde gesmaakt.

Nijkerk.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.