+ Meer informatie

Uit de Kerken

6 minuten leestijd

De kerkeraad van Alphen aan den Rijn zond ons een afdruk van de brief, die hij gericht heeft aan de raden van alle Christelijke Gereformeerde kerken, met het verzoek deze in ons blad op te nemen, opdat vele leden van deze kerken hiervan kennis kunnen nemen.

De brief luidt als volgt:

Weleerwaarde en eerwaarde broeders,

Wij gevoelen ons gedrongen uiting te geven aan de zorg, die ons vervult in verband met allerlei verschijnselen in ons kerkelijk leven.

Wij doen dit niet in zelfvoldaanheid. Integendeel, wij staan mede schuldig.aan de afwijking van de oude paden. Wanneer wij dan toch hier een en ander naar voren brengen, is dat bedoeld als een opwekking om gezamenlijk weder te keren tot de Heere.

Het is niet onze bedoeling om in den brede alles naar voren te brengen, wat ons zorgen geeft, maar we willen volstaan met het noemen van enkele punten.

Als eerste punt wijzen we op de prediking. Deze was vroeger in onze kerken wat de hoofdzaak betreft gelijk. De Schrift werd op een eenvoudige wijze verklaard en toegepast op het persoonlijke leven. De noodzakelijkheid van de wedergeboorte en van de werking van Gods Geest om deel te krijgen aan Christus en Zijn weldaden maakten een wezenlijk deel uit van de verkondiging van Gods Woord.

De leiding, die de Heere met Zijn volk houdt, kwam naar voren. Ernstig werd gewaarschuwd tegen zelfbedrog. De welmenende roepstem tot bekering werd niet gemist. Het valt niet te loochenen dat er heden vervlakking in de beleving geconstateerd wordt. Het lijkt alsof het voldoende is, dat we door geboorte onder de verbondsbedeling zijn opgenomen en dat we zonder innerlijke vernieuwende werking van de Heilige Geest de weldaden des verbonds ons kunnen toeëigenen en deelachtig worden.

Het accent valt meer op het geloven dan op de geloofsbeleving, gewerkt door Gods Geest. Vandaar, dat het wonder van Gods souvereine genade in menige prediking niet tot z’n recht komt.Het in de bevindelijke weg leren, dat we God kwijt zijn en van nature in een verbroken werkverbond liggen, dood door zonden en misdaden en dat we alleen door een geschonken geloof Christus en al Zijn weldaden deelachtig worden, wordt steeds meer gemist. Ook valt te betreuren, dat wezenselementen van het geloofsleven, zoals de rechtvaardiging des zondaars voor God en het leven der heiligmaking in de prediking niet meer zo spreken als in het verleden. Dit doet het onderwijs in het geestelijk leven geen goed. Een gevolg van dit alles is, dat er in gemeenten spanningen, botsingen en zelfs verwijderingen ontstaan.

Het tweede punt is de opleiding van dienaren des Woords. Onze Theologische School mocht tot zegen zijn voor de kerken. We zijn Gode dankbaar voor deze inrichting. Het gevaar is niet denkbeeldig, dat onze Theologische Hogeschool kan worden een pseudo-academie.

Immers het wetenschappelijk denken heeft een geweldige vlucht genomen. In onze tijd valt het accent op het intellect. Elkander te wijzen op het grote gevaar van „het denken”, wat geen vrucht is van Gods vreze, is noodzakelijk.

Concreet moet gesteld worden het onvoorwaardelijk buigen voor het gezag van Gods Woord. De aanvaarding van de Bijbel als het Woord van God van Genesis tot Openbaring. Het Schriftuurlijk, confessioneel belichten van het geestelijk leven.

Onze School moet ook vandaag zijn een kweekplaats van Dienaren des Woords, die de kerk des Heeren kunnen dienen met de spijzen, waarmede de Heere Zijn Kerk verkwikt.

Wetenschappelijke vorming is een geboden zaak, maar bijzonder is heden noodzakelijk de geestelijke vorming. De weerslag daarvan moet bemerkt worden in de prediking. Wanneer dit ontbreekt gaat onze kerk op retour. Verloochent zij een belangrijk beginsel van 1892: de Schriftuurlijk, bevindelijke prediking.

De Synode van 1956 besloot om de tijd van de theologische studie met één jaar te verlengen. Dit jaar werd gesteld tot een practisch jaar. Een jaar van meer geestelijke en practische vorming der studenten. Dus meer kennis van de practicale Godgeleerdheid. Wij vragen ons, gezien de openbaring van ons kerkelijk leven, ernstig af, wat er van de uitvoering van het synodebesluit terecht gekomen is.

In de derde plaats noemen wij de contacten met andere kerken, vooral met de Vrijgemaakte kerken buiten verband, zoals die in hoe langer hoe meer gemeenten gelegd worden en door de Generale Synodes werden gesanctioneerd. Er is kanselruil enz. Er komen op onze kansels predikanten, die onder kerkelijke behandeling waren, toen ze nog behoorden tot de Vrijgemaakte kerken. Het heeft er veel van weg, dat velen niet meer zien of niet willen inzien, hoe groot het verschil is tussen deze Vrijgemaakten en het beginsel van onze kerken. Wij denken hierbij met name aan de toeëigening des heils.

Deze toenadering tot de Vrijgemaakten kunnen ’wij niet anders zien dan als een zeer groot gevaar. Temeer, daar wij die toenadering moeten zien als gevolg van de veranderde inzichten bij velen, waardoor de prediking in eigen kerken anders werd en men naar de Vrijgemaakten toegroeide.

Dit leidt tot allerlei verdeeldheid in ons kerkelijk leven, omdat velen afwijzend zullen blijven staan tegenover de Vrijgemaakten.

Verder wijzen wij als vierde punt op de leiding, die aan de jeugd gegeven wordt, voorzover die onder invloed verkeert van de jeugdbond.

Het is hier als met de prediking. We krijgen zeer sterk de indruk, dat, hoewel natuurlijk niet de noodzakelijkheid van de wedergeboorte enz. ontkend wordt, er toch een zodanige beïnvloeding van de jeugd is, dat de noodzaak op de achtergrond komt en de jeugd zo opgebouwd wordt op een verkeerd fundament.

Ten vijfde willen wij noemen de veranderde levensopenbaring van velen als gevolg van een en ander. De waarheid van Gods Woord legt geen beslag meer, zoals vroeger.

In de kerk verschijnt men niet meer met de geboden eerbied. En buiten de kerk is er niet meer het onderscheid met de wereld. In vele gezinnen voert de wereld heerschappij, mede door de moderne publiciteits-media. We willen dankbaar vaststellen, dat er ook in onze kerken nog een volk is, dat de Heere in waarheid vreest en dat zoekt te openbaren in een godzalige wandel. Maar de zorgeloosheid en oppervlakkigheid van velen moet met smart worden geconstateerd.

Tenslotte wijzen we nog op de andere dingen, die ons kerkelijk leven in ongunstige zin beïnvloeden. Wij denken hierbij o.a. aan het vrijgeven van de nieuwe bijbelvertaling, van het actief vrouwenkiesrecht, van nieuwe formulieren en een nieuwe psalmberijming. De kerken groeien hoe langer hoe meer uiteen en de splijtzwam werkt in de gemeenten door.

In deze zes punten hebben wij in het kort weergegeven, wat ons met zorg vervult. Wij zouden meer kunnen noemen. Wij zouden ook uitvoeriger kunnen zijn. Maar wij menen hiermee te kunnen volstaan om duidelijk stelling te nemen tegenover al deze dingen en een getuigenis te laten horen.

Wij willen eindigen met een dringende oproep om weder te keren tot de paden van Gods Woord, tot de waarachtige beleving van Schrift en belijdenis, opdat onder de zegen des Heeren onze kerken weer tot bloei mogen komen, tot verheerlijking van Gods Naam.


De Raad van de Christelijke
Gereformeerde kerk
te Alphen aan den Rijn.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.