+ Meer informatie

De uitgave van de herziene kerkorde van de Gereformeerde Kerken in Nederland

8 minuten leestijd

II

Het ligt voor de hand om bij de beoordeling van de herziene kerkorde van de Gereformeerde Kerken allereerst die punten te beschouwen die aanleiding gaven tot de revisie der oude kerkorde. Het waren in hoofdzaak twee zaken die hier genoemd werden: de onduidelijkheid, die aanleiding gaf tot misverstand bij Processen voor de wereldlijke rechter en ook de noodzakelijkheid om zeer belangrijke aspecten van het kerk-zijn, als evangelisatie, zending etc., in de kerkorde zélf op te nemen. Daarnaast zijn er een aantal andere zaken te noemen, die bij de beoordeling van deze kerkorde van gewicht zijn.

In het geheel genomen heeft de herziene kerkorde de duidelijk herkenbare trekken van de oude Dordtse Kerkorde. De gehele materie is ondergebracht in een zestal hoofdstukken: 1. De ambten van de kerk; 2. De vergaderingen van de kerk; 3. Het werk van de kerk; 4. Het vermaan en de tucht van de kerk; 5. Betrekkingen van de kerk naar buiten; 6. Slotbepalingen. Deze indeling van de kerkorde is geheel in overeenstemming met de richtlijnen waarnaar de herziening moest worden uitgevoerd, zoals deze waren vastgesteld door de synode van Rotterdam. Daar werd bepaald dat het patroon van de oude kerkorde zo veel mogelijk zou moeten worden gehandhaafd en dat alle nodeloze afwijkingen vermeden moesten worden. Er zou zo weinig mogelijk veranderd moeten worden in de bestaande indeling met haar vier hoofdstukken. Wie deze richtlijnen naast de herziene kerkorde legt constateert dat men zich er inderdaad aan gehouden heeft.

Ook is het werk van de kerk duidelijker omschreven dan in de oude orde. Daarbij heeft men zich gehouden aan de opdracht. Want het werk van evangelisatie en zending wordt behandeld in het derde hoofddeel, dat handelt over het werk van de kerk. Achtereenvolgens komen hier ter sprake de kerkdiensten, nog weer onderverdeeld in a. Algemene bepalingen; b. Dienst des Woords; c. Dienst der sacramenten; d. Dienst der gebeden; e. Dienst der barmhartigheid. Verder wordt gehandeld over de catechese, de herderlijke zorg, evangelisatie en zending terwijl aan dit hoofdstuk zijn toegevoegd enkele bepalingen omtrent stoffelijke aangelegenheden en vertegenwoordiging in en buiten rechte. Daaronder wordt verstaan dat kerkelijke lichamen rechtspersoonlijkheid bezitten. Tenslotte vinden wij hier een artikel over Stichtingen.

Wie dit hoofdstuk in zijn geheel overziet bemerkt dat ook hier het patroon van de oude kerkorde volledig te herkennen is. Niet dat er geen veranderingen te constateren zijn. Deze zijn er inderdaad. Maar zij betreffen voornamelijk de schikking van de artikelen en de meerdere uitvoerigheid ten aanzien van het werk van de kerk naar buiten. Maar wie dit gedeelte, om een voorbeeld te npemen, vergelijkt met de Kerkorde van de Nederlandse Hervormde Kerk bemerkt, dat deze laatste veel verder gaat. De apostolaatsgedachte wordt hier veel breder uitgewerkt terwijl de kwestie van de belijdenis eerst daarná aan de orde komt. In de herziene kerkorde van de Gereformeerde Kerken is de zendingsgedachte weer meer opgenomen in het geheel van de ambtelijke arbeid. Daarin is ten opzichte van de oude uitgave een verbetering te constateren.

Een ander punt dat in de overweging betrokken werd bij de voorbereiding van deze nieuwe kerkorde is dat van de duidelijkheid die al te veel zou ontbreken wanneer het ging om het voeren van Processen voor de burgerlijke rechter. Ongetwijfeld staat op de achtergrond van deze overwegingen de droevige kerkstrijd binnen de Gereformeerde Kerken gedurende de oorlogsjaren. In sommige gemeenten werden de kerkelijke goederen door de rechter toegewezen aan de partij die beschikte over de meerderheid in de kerkeraad, terwijl de verhoudingen binnen de gemeente daarbij weinig tot uitdrukking werden gebracht. De herziene kerkorde heeft aan deze situatie een totaal nieuw artikel gewijd. Het is artikel 43. Het luidt als volgt: In belangrrjke zaken, die niet vallen onder het opzicht over en de tucht in de gemeente, met name in zaken waarmede het bestaan zelf van de kerk of haar plaats in het kerkverband gemoeid kan zijn, zal de kerkeraad geen besluiten nemen zonder vooraf de gemeenten erin gekend en erover gehoord te hebben. In kerken, waar wijkkerkeraden zijn ingesteld zal de kerkeraad voor algemene zaken geen besluit kunnen nemen ten aanzien van de bovengenoemde zaken zonder gunstig advies van de wijkkerkeraden.

De beaoeling van dit artikel is geen andere dan aan de gemeente in zaken die haar onmiddellijk aangaan, een rechtmatige invloed toe te kennen. Men zou kunnen zeggen dat op dit punt een vorm van hiërarchie van de kerkeraad over de gemeente wordt afgeremd. Ten aanzien van deze kwestie is het goed te luisteren naar een verklaring, gegeven door prof. dr. D. Nauta in zijn toelichting op deze kerkorde: „De aanleiding tot het opnemen van een dergelijke nieuwe bepaling moet mede worden gezocht in de ervaringen, die zijn opgedaan gedurende kerkelijke conflicten in deze eeuw. Het is toen voorgekomen, dat door kerkeraden bepaalde ingrijpende besluiten werden genomen zonder de gemeente er van te voren over te hebben geraadpleegd, besluiten die ingingen tegen de duidelijke overtuiging soms zelfs van de meerderheid der gemeenteleden. Het hielp dan niets, dat zij naderhand er tegen in verzet kwamen, omdat zij daarvoor aan de kerkorde geen enkele rechtsgrond konden ontlenen.

Dit artikel bedoelt nu in die onaanvaardbare toestand enigermate te voorzien. Een afdoende oplossing voor de in geding zijnde kwestie schijnt moeilijk te bereiken. De kerkeraad heeft altijd de laatste beslissing in handen. Wanneer hij met meerderheid van stemmen een bepaald besluit neemt, dan kan hij dit doorzetten, ook tegen de wil van de overwegende meerderheid van de gemeente in; aan een tegengestelde beslissing van de meerdere vergaderingen, waarop men uit de gemeente zich heeft beroepen, kan hij zich onttrekken door de band met het kerkverband te verbreken.

Hoe dit zijn moge, de hier opgenomen nieuwe bepalingen betekenen in elk geval een grote verbetering. Hier wordt aan de rechtmatige invloed der gemeente meer ruimte geboden dan zij onder vigeur van de oude kerkorde ooit heeft bezeten. De kerkeraad wordt verplicht in belangrrjke zaken de gemeente te kennen en haar daarover te horen”. (Verklaring van de Kerkorde van de Gereformeerde Kerken in Nederland, Kok, Kampen, 1971, blz. 174).

Het lijkt zonder meer duidelijk dat deze bepaling als een rem zou kunnen werken op onberaden stappen van kerkeraden, die zonder rekening te houden met de gevoelens die in de gemeente leven, beslissingen nemen, die door de gemeente niet op prijs worden gesteld.

De teneur van deze bepaling komt overeen met hetgeen in onze eigen kerkorde te vinden is bij art. 37: „Een door de kerkeraad genomen besluit tot verbreking van het kerkverband zal niet van kracht zijn voordat de kerkeraad de gemeente heeft geraadpleegd in een speciaal voor deze zaak belegde vergadering met de gemeente, welke vergadering in de kerkdienst op twee achtereenvolgende zondagen is aangekondigd met vermelding van het desbetreffende besluit”.

De achtergrond van dergelijke artikelen is, van welke kant men het ook beziet, een droevige praktijk in het verleden. Daarbij gaat het om de vraag hoe men het recht en de plicht tot reformatie der kerk onverlet kan laten en tegelijkertijd de rechten van de gemeente, tegenover een hiërarchiek optredende kerkeraad kan beschermen. Op dit ogenblik laat ik verder deze kwestie rusten, omdat er nog gewezen moet worden op een belangrijke verandering in deze kerkorde, die een wezenlijke zaak van het kerkverband raakt. Ook de kwestie van de functionering van het appèlrecht moet voor dit moment onbesproken blijven. Waarop ik nu nog wil wijzen is de betekenis van de binding aan de belijdenis. Op dit punt lijkt er een zekere tegenstrijdigheid tussen hetgeen in de herziene kerkorde staat en hetgeen in de bijlagen is opgenomen daaromtrent niet te ontkennen.

Van de ambtsdragers geldt dat zij „ten bewijze van hun volledige instemming met de belijdenis van de kerken de drie formulieren van enigheid van de Gereformeerde Kerken in Nederland ondertekenen”. Diezelfde instemming wordt gevraagd van de ouderlingen en diakenen, van de kandidaten, de dienaren des Woords en de hoogleraren in de theologie. Zo staat het in de kerkorde: een volledige instemming met de belijdenis van de kerken. Dit lijkt duidelijke taal. Maar wanneer men nu de in de bijlagen opgenomen ondertekeningsformulieren naleest is er een iets andere formulering die ons treft. Daar is het de volgende: „Wij beloven ons, in eenheid van het ware geloof, trouw te zullen houden aan het belijden der kerk, dat de vaderen tot uitdrukking hebben gebracht in de drie algemene belijdenisgeschriften en in de drie formulieren van enigheid”. (Bijlage IX).

Er is hier een subtiel verschil. In de kerkorde is sprake van een volledige instemming met de belijdenis. In het ondertekeningsformulier heet het zich trouw te zullen houden aan het belijden der kerk, zoals de vaderen het hebben verwoord in de drie formulieren van enigheid o.a.

Tegen de achtergrond van de geschiedenis van de negentiende eeuw, met zijn strijd om de binding aan de belijdenis, is deze divergentie, dunkt me, niet een bijkomstigheid waarachter men niets te zoeken heeft. Men kán te goeder trouw zijn en blijven met deze formulering. Maar de vraag ligt voor de hand, en de praktijk laat ons zien dat het niet maar een theoretische vraag is, déze: kan men te goeder trouw zeggen: ik ben trouw aan het belijden der kerk, al houd ik me niet aan de belijdenis van de kerk ? Dit lijkt me een zwak punt in de herziene kerkorde.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.