+ Meer informatie

Naar de CATECHISATIE

4 minuten leestijd

De apocriefe boeken (vervolg)

Veel verschil van gevoelen is er na de vestiging der christelijke kerk geweest in de loop der eeuwen over de plaats, welke de apocriefe boeken moest gegeven worden.

Zoals we gezien hebben, nam de Septuaginta (de vertaling van hetO.T. door dezeventigen) deze boeken op in haar vertaling. Ook de Vulgata, de kerkbijbel der rooms-katholieken, nam ze op en verklaarde deze voor canoniek. De Joodse Canon nam ze niet op. Christus en de apostelen hebben zich gehouden aan de Joodse Canon. Altijd wijzen Christus en de apostelen terug op het Oude Testament. „Daar staat geschreven"; „Toen is vervuld gewoden”. Zie ook de Hebreerbrief.

Dus is van gelijkstelling van de oud-testamentische geschriften met de apocriefen geen sprake.

Na de dood van de apostel Johannes, eind eerste eeuw n. Chr., begon over dit punt de moeilijkheid te komen, daar de geschiedenis der Godsopenbaring overging tot kerkgeschiedenis.

De zgn. Apostolische vaders, o.a. Ignatius en Polycarpus, Clemens Romanus, stellen geen scherpe belijning over dit punt. Daarentegen wel de kerkvaders.

In de middeleeuwen komt bij de H. Schrift de traditie. De roomse kerk wordt al meer de enige autoriteit, die vaststelt of iets ketters is of niet. De kerk gaat heersen over de Bijbel. Zo had de roomse kerk belang bij de apocriefen in verb and met haar leer over het vagevuur (2 Macc. 12) en de voorbede der heiligen naar 2 Macc. 15.

Met de Reformatie van 1517 werd de belijning van dit vraagstuk sterker. De hervormers gingen van de traditie terug naar de Heilige Schrift. Het „sola Schriptura", alleen de Schrift. Zij rekenden de apocriefe boeken niet tot de Canon van de Heilige Schrift, omdat zij de bijzondere inspiratie van de Bijbel missen. Voor Calvijn had de naam „apocrief" aanduiding, om ze voor „private" geschriften te houden en niet voor gezagdragend.

In die lijn bewegen zich ook onze belijdenisgeschriften.

Principieel werden zij buiten de canon van de Bijbel gesloten. Echter om praktischeredenen (het volk was aan de apocriefen gehechtdoor eeuwenoud kerkelijk gebruik) werden de apocriefe boeken als leesbaar verklaard, omdat zij nuttig werden geacht om te lezen. Daarom nam de Nederl. Geloofsbelijdenis ze op.

In art. 6 lezen we:

„Dewelke de kerk wel lezen kan en daaruit ook onderwijzingen nemen, VOOR ZOVEEL ALS ZIJ OVEREENKOMEN MET DE CANONIEKE BOEKEN; maar zij hebben zulk een kracht en vermogen niet, dat men door enig getuigenis van deze enig stuk des geloofs of der christelijke religie zou kunnen bevestigen: zo ver is het van daar, dat zij de autoriteit van de andere, heilige boeken zouden vermogen te verminderen”.

De kwestie over het gebruik van de apocriefe boeken kwam ook op de Dordtse Synodeaan de orde. De buitenlandse afgevaardigden waren voor opneming in de statenvertaling ook om praktische redenen, terwijl Gomarus was voor uitsluting. Bogerman vond de uitweg. De synode besloot ook de apocriefe boeken opnieuw uit het Grieks te vertalen en ze mede op te nemen in de statenvertaling, maar dan niet tussen Oud en Nieuw Testament in, maar achter de Bijbel, onder een apart hoofd, met kleiner lettertype, afzonderlijke paginering enzonder kanttekeningen. Enin een voorrede over het gezag dezer boeken en over de dwalingen, die zij bevatten, moesten de lezers zorgvuldig worden ingelicht.

Nog een vraagpunt was het, of deze boeken openbaar in de kerk moesten gelezen worden of alleen voor persoonlijk gebruik. Maar men besloot tot het laatste. Deuitdrukkingvanart. 6 „dewelke de kerk wel lezen kan" liet men niet meer slaan op de ge’institueerde kerk, maar op de kerk als gemeenschap der gelovigen, dus voor persoonlijk gebruik.

De strijd over het gebruik van de apocriefe boeken eindigde toen het Brits en buitenlands Bijbelgenootschap besloot de apocriefen niet bij de te verspreiden Bijbels af te drukken.

De apocriefe boeken zijn dus door de kerk der Reformatie niet aanvaard als Goddelijk gezag dragend, zoals de ouden nieuwtestamentische boeken van de Bijbel, en wel om verschillende duidelijke motieven, o.m.:

De inhoud van deze boeken is meermalen twijfelachtig. Er komen krasse onjuistheden in voor. De loongedachte naar farizees-wettische opvatting speelt een vaak beslissende rol. (Boek Judith). Ook de verdienstelijkheid van de goede werken wordt geleerd (Boek van Tobias). Ze zijn van bijgeloof niet vrij te pleiten.

Alleen de boeken I en II Maccabeen zijn wel van betekenis. I Macc. is dat voor de kennis van de geschiedenis van het Joodse volk tijdens het zgn. dode tijdperk, het zwijgen van de profetie 400 jaar na Maleachi, hoewel de andere boeken der Maccabeen toch weernaar inhoud en karakter van het eerste boek afwijkende zijn. Art. 6 van de Nederlandse geloofsbelijdenis laat het derde boek der Maccabeen onvermeld.

R.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.