+ Meer informatie

Voor de jeugd

7 minuten leestijd

Beste Jongelui!

Ik heb naast mij een brief liggen van een vriend, die zich niet meer tot de jeugd wil rekenen en ook niet tot de middelbaren van leeftijd en nog minder tot de ouden van dagen. Nu dat kan ik allemaal begrijpen, als jullie weten dat hij 25 jaren oud is. Dan behoor je inderdaad niet meer tot de tieners en je bent ook nog geen man, in de volle zin van het woord. Althans, ik kan mij voorstellen dat hij zich zo nog niet gevoelt en daarom ook niet wil bekeken zijn. Hij staat er tussenin. Dat is een heel mooie positie in dit verband, want dan geef je jong en oud de hand. Zodat door middel van deze vriend, jong en oud onderwijs ontvangen kan.

Hij zit met bepaalde vragen, die hij graag beantwoord zag. Het gaat over die gelijkenis van het koninklijke bruiloftsmaal, zoals jullie die beschreven kunnen vinden in Matth. 22:1-14. Hij heeft daar eens een dominee een verklaring van horen geven, die hem helemaal niet bevredigde. Nu heeft het weinig zin, om de gegeven verklaring, die hij mij mededeelde, te verhalen. Ik kan hem alleen wel zeggen, dat de mij meegedeelde verklaring ook niet bevredigt.

Over het algemeen is het niet eenvoudig om over gelijkenissen te spreken, hoe eenvoudig het ook schijnt. De verhalen op zichzelf zijn meestal niet moeilijk, daar ze ontleend zijn voor het merendeel uit de gangbare gebruiken, zoals die in de dagen van de omwandeling van de Heere Jezus op de aarde, waren. Maar elke gelijkenis heeft een bepaalde betekenis. En als je dan de verklaringen gaat lezen, die men van de gelijkenissen gegeven heeft, kom je er achter, dat deze veel en velerlei zijn.

Wat deze gelijkenis betreft, geloof ik dat je het beste de kanttekening van de Statenvertaling volgen kunt. Ik zou mijn jonge vrienden aan willen raden, om in voorkomende gevallen, als men met bepaalde vragen zit, omtrent Gods woord, toch eerst een? de kanttekening te raadplegen. Niet dat deze onder alle omstandigheden het einde van alle tegenspraak zijn, maar omdat ze geschreven zijn door mensen, die in hun tijd veel licht en zicht hebben gehad in het woord van God.

De kanttekening zegt dat de bedoeling van deze gelijkenis is: „voor ogen te stellen de grote ondankbaarheid der Joden, die, van God door de predikatie des evangelies tot de gemeenschap Zijns Zoons en der zaligheid geroepen zijnde, dezelve veracht hebben, en daarom zwaarlijk gestraft en verworpen zouden worden, en dat de heidenen daarna in hunne plaats zouden worden geroepen”.

Hier heb je de sleutel die toegang geeft tot de heilgeheimen, die God naar Zijn vreeverbond aan Zijn volk en kinderen bekend maakt.

De Joden waren een volk dat door de Heere afgezonderd was van alle andere volken. Zij waren de kinderen des koninkrijks. Zij waren de genodigden, de „eersf’genodigden, om te komen tot de bruiloft, die God voor Zijn Zoon bereid heeft. Dat wil met andere woorden zeggen: om te komen tot het volle heil, hetwelk in de Heere Jezus Christus aanwezig is voor arme zondaren.

De nodiging is tot hen uitgegaan, onder het O.T. door de profeten en priesters, en onder het N.T. door de apostelen en de evangelisten. Aan hen is eerst het evangelie verkondigd en aan hen moest ook steeds eerst het evangelie verkondigd worden, gelijk jullie dat in de Handelingen der apostelen herhaaldelijk beschreven kunnen vinden.

Doch hoe heeft men op de nodiging, om te komen tot het heil, gereageerd? Al werd de maaltijd hen nog zo aantrekkelijk voorgesteld, al werd het heil dat door de Heere Jezus Christus teweeggebracht zou worden en nu teweeggebracht is, nog zo ruim gepredikt, schier niemand sloeg er acht op. „Zij zulks niet achtende zijn heengegaan, deze tot zijn akker en gene tot zijn koopmanschap. En anderen grepen zijne dienstknechten, deden hun smaadheid aan en doodden hen”. Dat was in het verleden allemaal gebeurd. En dat zou in de toekomst weer gebeuren. Er zijn profeten en apostelen gedood, als trouwe dienaren van God. De koning in de gelijkenis is daarna toornig geworden en heeft zijn krijgsheren gezonden en de doodslagers vernield en de stad in brand gestoken. Dat ziet op de toorn Gods, die geopenbaard is, met de komst van de Romeinen, waardoor vele inwoners van Jeruzalem gedood zijn geworden, terwijl zij ook de stad in brand hebben gestoken, in het jaar 70.

Toen de „genoden” zich de bruiloft niet waardig keurden en dus om eigen schuld van het heil, in Christus geopenbaard, verstoken bleven, moesten de dienstknechten uitgaan in de heggen en stegen, om iedereen te nodigen. „Daarom gaat op de uitgangen der wegen, en zovelen als gij er zult vinden, roept ze tot de bruiloft”. D.w.z.: Toen de Joden het evangelie niet aanvaardden, moest het aan de heidenen verkondigd worden. Zie Hand. 13: 46. Dat is ook gebeurd en velen hebben aan de nodiging gehoor gegeven. Zij zijn tot het geloof gekomen in de Heere Jezus Christus. Zij hebben Zijn heil aanvaard.

Doch niet allen, die van de heidenen de nodiging hoorden, zijn waarachtig bekeerd geworden. Ook daar zaten huichelaren tussen, wat ons voorgesteld wordt in die man zonder bruiloftskleed. Deze werd ontdekt, toen de gastheer binnenkwam en de aanzittende gasten overzag. Hij had de oude mens niet (als een kleed) uitgedaan, om de nieuwe mens, die naar God geschapen is in ware rechtvaardigheid en heiligheid, aan te doen (als een kleed). De man zonder bruiloftskleed was dus, geestelijk gezien, een onwedergeboren mens. Een mens die geen deel had aan de gerechtigheid van Christus. Hij was wel meegelopen en ook in de bruiloftszaal gekomen, doch was de kleedkamer van vrije genade gepasseerd. Daar wordt een zondaar ontdaan van zijn eigen klederen, van ongerechtigheid en eigengerechtigheid, om bekleed te worden met het kleed van de Borggerechtigheid van Christus. Dat kleed werd in feite door hem veracht. Het wijst dus op degenen, die Christus en Zijn werk verachten. En dat maakt Gods toorn gaande, waarom de man werd buitengeworpen. Zo zal het een ieder vergaan, die zal proberen binnen te komen, zonder dat hij waarachtig tot God bekeerd is en zijn hoop op de Heere Jezus Christus en Zijn werk alleen, heeft leren stellen.

Want velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren. Degenen die geroepen zijn, zijn zij, die onder het welmenende aanbod van genade verkeren. Zij horen de prediking. Doch het woord der prediking doet in hen geen nut, omdat het met het geloof niet gemengd is. Dat is alleen het geval bij diegenen, die door de Heere tot de zaligheid verkoren zijn. Die worden op Zijn tijd met de genade des geloofs begiftigd en komen daarom ook werkelijk tot de daad van het geloof. Dat is: af zien van alle eigen kennen en kunnen om alleen te vertrouwen op het volbrachte Middelaarswerk van de Zaligmaker.

Door de roeping maakt God Zich vrij van elk mens. Niemand, die het evangelie gehoord heeft, zal ooit kunnen zeggen dat het voor hem niet bestemd was. Door de uitverkiezing bereidt God Zichzelf de eer. Een ieder die tot het geloof komt zal daarom moeten zeggen: Het is door U, door U alleen om het eeuwig welbehagen.

Deze gelijkenis is natuurlijk vol lering, ook voor onze jongens en meisjes. Jongens en meisjes, jullie staan op één lijn met dat oude bondsvolk. God heeft jullie Zijn beloften gegeven, en deze door de doop aan jullie voorhoofden betekend en verzegeld. Jullie leven daardoor onder een dure verplichting. Zie er het (oude) doopsformulier maar op na. De grote vraag is daarom: Wat doen we? Van nature zijn we aan de Joden gelijk, de genoden in de gelijkenis. We hebben het allemaal overal druk mee, behalve met dat ene nodige. Een wonder als het anders is. Vraag daarom maar veel of de Heere Zijn wonderen in jullie leven verheerlijken wil, zodat de roeping ook verstaan zal mogen worden. Dit gebeurt wanneer deze inwendig, krachtdadig in ons leven wordt. Dan komen we als arme zondaren aan Zijn voeten terecht. Dan kunnen en willen we ook de kleedkamer van vrije genade niet meer passeren. Dan willen we eerlijke bruiloftsgasten zijn: dan willen we eerlijk zalig worden. God maakt al Zijn volk eerlijk. En wie eerlijk gemaakt is, houdt alleen maar schuld over. Voor diegenen liggen de klederen des heils gereed, die te verkrijgen zijn om niet. Ja, die worden er mede bekleed, om daar eeuwig de Heere de eer voor te geven.

Van harte worden jullie deze zaken toegebeden van jullie aller vriend,

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.