+ Meer informatie

MAN EN VROUW IN BIJBELS PERSPECTIEF

16 minuten leestijd

In de rij van de vele, vele geschriften van mannen die zich hebben beziggehouden met de positie van de vrouw en de man/vrouw-verhouding, kan ook het boek worden opgenomen waarover dit artikel (ook van een man) gaat. Het is een uitgave „vanwege de Gereformeerde Bond in de Nederlandse Hervormde Kerk, samengesteld door een studiecommissie onder leiding van ds. C. den Boer” (Uitg. Kok - Kampen, prijs f. 29,75).

De ondertitel luidt: „Een bijbels-theologische verkenning van de man-vrouw verhouding met het oog op de gemeente”. Dat deze „verkenning” niet uitsluitend een mannenaangelegenheid is geweest, wordt in een „Ten geleide” door de vroegere voorzitter van de Geref. Bond, ds. L.J. Geluk, uiteengezet: de studiecommissie heeft „gesproken met een viertal dames” over het resultaat, nadat ds. Den Boer een ontwerp had gemaakt dat de commissie „breedvoerig heeft beziggehouden” (blz. 8). Ook al biedt deze studie volgens het „Ten geleide” veel meer dan alleen „een onderzoek betreffende het vraagstuk van de vrouw en de kerkelijke ambten”, niet te ontkennen is dat dit vraagstuk wel heel sterk meespreekt, zo niet centraal staat in deze studie.

Allereerst past dan wel een woord van respect dat de Geref. Bond deze zaak aan de orde stelt. Als Bond „in” de Ned. Herv. Kerk die de „vrouw in het ambt” in de jaren '50 en '60 accepteerde, heeft de Bond op een speciale manier met dit vraagstuk te maken. Zonder het voor zichzelf en voor eigen parochie te accepteren moet zij er kerkelijk wel mee leven en, hoe men het wendt of keert, klaarblijkelijk wil en kan ze ermee leven. Controversieel is deze zaak intussen wel, waardoor dat ermee-willen-en-kunnen-leven meer de feitelijke situatie schetst dan de hartelijke toestemming.

Juist omdat het hier om zo’n controversiële zaak gaat-niet alleen voor de Geref. Bond! -past een woord van respect wel extra. Overigens meestal het zgn. harmoniemodel predikend wordt, als het om een zaak als deze gaat, naar hartelust het conflictmodel in praktijk gebracht, waarbij ieder voor zich absoluut de waarheidspretentie zonder scrupules toepast. De één is fel tegen, de ander fel vóór en daartussen zijn er dan nog - nauwelijks geduld - die ’t niet weten. De beide uitersten, voorzover ze zich willen laten gezeggen door Gods Woord, proberen om strijd hun gelijk te identificeren met dat Woord, waarbij zij naar zich toehalen wat die identificatie dient en wegredeneren wat die identificatie relativeert of weerspreekt. Het gevolg is doorgaans een verregaande wederzijdse verkettering, waardoor het samen luisteren naar Gods Woord wordt bemoeilijkt, zo niet onmogelijk gemaakt en van de (ook kerkelijke) liefde naar het grote gebod weinig of niets overblijft. Dat is heel vaak de praktijk binnen de gereformeerde gezindte. In dat licht past dan wel een woord van diep respect!

Ook voor de wijze waarop het onderwerp is behandeld. Hier is geen onbijbels traditionalisme of conservatisme aan het woord dat haastig „achtergronden” vindt of schept, zo zwart en ketters mogelijk, om daarop de volle laag te concentreren, in de waan raak te schieten, terwijl het in wezen de andere partij niets doet. Evenmin is hier sprake van de mentaliteit van ik-lap-het-aan-m’n-laars wat de ander ook zegt of argumenteert. Bewust staande in de gereformeerde traditie wil men met deze „bijbels-theologische verkenning” van de zaken die hier aan de orde zijn, eerlijk rekenschap geven van een „doordenking gedurende enkele jaren in een kleine kring van theologen, die exegetisch en bijbels-theologisch is bezig geweest” met deze zaken, waarbij er hun alles aan gelegen was „om in het licht te stellen wat de Heere ons in Zijn Woord voorhoudt met betrekking tot de relatie van man en vrouw in Zijn gemeente” (Woord vooraf, blz. 9 v.).

Alle respect die er kan en behoort te zijn voor het feit dat en de wijze waarop dit voor velen geleden onderwerp aan de orde wordt gesteld, neemt niet weg dat met dit boek natuurlijk het laatste woord nog niet gesproken is over deze zaak. En evenmin dat er geen vragen meer overblijven, hoe consciëntieus men zich ook van de „verkenning” gekweten heeft. Op een verkenning wordt min of meer een vervolg verwacht. Wat gebeurt er met het materiaal dat de verkenning oplevert? In dit geval dus „met het oog op de gemeente”. De vragen rondom het ambt zijn dan niet te ontgaan. In zijn „Woord vooraf” geeft ds. Den Boer zelf reeds aan dat er „in de gemeenten, dieper en grondiger dan dat tot nu toe het geval was, wordt nagedacht over een rechte samenhang en samengang van ambt en gemeente” (10). Gehoopt wordt dat deze publikatie daartoe een bijdrage zal leveren en in het laatste hoofdstuk „Man en vrouw in de gemeente vandaag” wordt daarop concreter ingegaan en worden zelfs „aanbevelingen” gegeven (175-188). Volgens een persbericht werd op de laatste jaarvergadering van de Geref. Bond een vervolgstudie over de gereformeerde ambtsleer in uitzicht gesteld. Naast een „verkenning van de man-vrouw verhouding” is de ambtsvraag wel een voortgaande verkenning waard (Zet het ambt, hoe dan ook, op een voetstuk, „torenhoog”? - 184 - Heeft God aan de vrouw één chromosoom meer meegegeven, waardoor dat voetstuk voor haar té hoog is?). De ambtsvraag zou wel eens doorslaggevend kunnen zijn. Tenslotte beslist niet een ambtsdrager, maar dè Ambtsgéver wie Hij het ambt toevertrouwt. Met veel belangstelling zien we deze studie tegemoet!

Het zou te ver voeren en te veel ruimte eisen in ons blad om de inhoud van dit inhoud-rijke boek zelfs beknopt weer te geven. Men leze en bestudere zelf dit boek! In het kort willen we op een paar zaken wijzen.

Terecht wordt in het eerste hoofdstuk gesproken over „Omgang met de Bijbel”. Immers als er inzake het gezag van Gods Woord en het gelovig luisteren naar en zich laten gezeggen door dat Woord geen samenstemming bestaat, is in wezen elke discussie zinloos. Uit argumentatiezwakheid vlucht men soms in het verdacht maken van de ander in dit opzicht, maar ’t is duidelijk dat elk gesprek dan uitzichtloos wordt. Daarom is het goed dat het omgaan met de Bijbel zo met klem voorop gesteld wordt. Wat betekent het Schriftgezag en het Schriftgeloof voor ons? De studiecommissie wijst dan op wat zij noemt de „structuur” van de Bijbel, alsmede op het „verstaan van de historische context”. Er is „eenheid in de verscheidenheid van de Schrift” waardoor enerzijds „vervulling” (nl. in het NT) wordt gezien als „voleinding en opheffing”, anderzijds als „volle openbaring in Christus”, ook al blijft de „structuur van de openbaring” historisch. Toegepast op de man-vrouw verhouding komt dan tamelijk breed (voor ’t eerst) Gal. 3 :28 ter sprake, de kardinale tekst in dit verband die nog verschillende keren aan de orde zal komen, waarbij „schepping en zondeval” uiteraard niet ontgaan kunnen worden. Met enkele hermeneutische regels wordt dit hoofdstuk besloten (plus een viertal „excursen” over fundamentalistisch, historisch-kritisch en feministisch Schriftgebruik en over de „(on)bruikbaarheid van de Schrift”.

Het tweede hoofdstuk behandelt de „verhouding van man en vrouw in het Oude Testament”. Op het in zijn tweevoudigheid geschapen zijn van de mens naar Gods beeld wordt alle nadruk gelegd. De vrouw als „huipe tegenover hem” is „de gelijkwaardige bijstand van de man”, maar tegelijk mag zij „degene zijn, die de man voorrang geeft en die zijn leiding aanvaardt” (40v.). De vraag kan natuurlijk gesteld worden of hiermee aan het begrip „hulp” recht wordt gedaan. Ook al wordt als om strijd betoogd dat er van „inferioriteit” geen sprake is, wordt hier toch niet (onopzettelijk) Gen. 3:16 („heerschappij”) binnengesmokkeld, waardoor „onderdanigheid” - ondanks Ef. 5 : 21 - toch de betekenis van „ondergeschiktheid” krijgt, zij het niet „slaafs”? Is de vrouw „in correspondentie met de man” beeld van God en kan zij het beeld-Gods-zijn „niet realiseren los van haar verantwoordelijke relatie en positie tegenover de man” (102)? Er zal niet bedoeld zijn dat de een alleen via de ander het beeld Gods kan zijn. Maar wat dan wel? Met „behulp” van de ander? Maar geldtdatdan niet wederzijds („tegenover hèm”)? Alles is toch „uit God” (1 Cor. 11 : 12)? Dat door de zonde de oorspronkelijke relatie ontwricht is en „heerschappij” in bovenschikking en onderschikking alle kans krijgt, is duidelijk. Maar er wordt op gewezen dat in „Gods genadige wetgeving” bescherming aan de vrouw gegeven wordt, ook al blijft „alles beneden de maat” van Gen. 1 en 2 (48). Vrouwen zijn niet geheel uitgesloten van „openbare functies”.

Het derde hoofdstuk gaat over „Vrouwen in het Nieuwe Testament”. Van „enige terughoudendheid uit hoofde van het feit, dat het hier om vrouwen gaat” blijkt in de evangeliën niets; de „bestaande kaders” (minachting van de vrouw) worden juist doorbroken. Wel bevindt er zich geen vrouw onder de twaalf discipelen, maar dat is te verklaren door wat men de „representatie” noemt: „zij mag zich mee begrepen weten in de inhoud van het door de twaalf apostelen gerepresenteerde” (71). Tamelijk uitvoerig gaan de schrijvers in op de activiteiten van de vrouwen in de (huis)gemeenten („waarschijnlijk” gaven zij als „gastvrouw mede leiding aan zo’n huisgemeente” - 73) en op de betrokkenheid van vrouwen bij de arbeid in de gemeente in Paulus' brieven. Het zou de moeite lonen hierover breed te informeren, maar we volstaan met de conclusie: „De nauwe betrokkenheid van vrouwen bij allerlei vormen van gemeente-arbeid is een vaststaand gegeven” (trouwens de participatie van de gemeenteleden in het algemeen was toen stellig groter dan nu - 86). Is de bekende tekst uit Galaten reeds verschillende keren ter sprake gekomen (vs. 27, 28), nu wordt er een speciale paragraaf aan gewijd. Ergens (98) wordt deze tekst een „zeer fundamenteel woord met fundamentele gevolgen voor de man-vrouw verhouding” genoemd. Wat al eerder werd opgemerkt (21), wordt nu met klem naar voren gehaald: dat „de Griek en de slaaf en de vrouw er volop bij mogen horen en volop mee mogen functioneren in de dienst van Christus, voor God en de mensen, in de gemeente en in de wereld”. De oude onderscheidingen als absolute tegenstellingen doen niet meer mee „waar het gaat om de begenadiging door God en het deelhebben aan de Heilige Geest” (88). Natuurlijk blijven het man- en vrouw-zijn wel een rol meespelen: „In het christelijk huwelijk dient de vrouw onderdanig te zijn aan de man” (= ondergeschikt - volgens de commissie overeenkomstig de „scheppingsorde”). Maar in Christus is er „geen sprake van eerste of tweede rang, van meer of minder”. De vloek van Gen. 3: 16 is „in principe opgeheven”. De eenheid in Christus staat centraal en „die eenheid gaat het gehele leven beheersen in alle verbanden en verhoudingen” (21). Van die eenheid wordt nu gezegd dat die „uitwaaiert naar huwelijk, gezin en maatschappij” (89). Dit „stralend eerherstel van de vrouw” in Gal. 3: 27, 28 brengt mee per consequentie dat vanuit het „een-zijn in Christus” de „onderlinge verhoudingen in de gemeente op orde gebracht” worden (90). Dan „doet de vrouw voluit mee, net zo waardevol als de man”, maar dat heft „niet iedere onderscheiding op in die zin, dat het man en vrouw zijn niet meer ter sprake dient te komen in de ordening van het gemeenteleven”. Men verwijst dan naar Ef. 5 : 21 vv.: ook in het huwelijk wordt de „door God gestelde orde” niet opgeheven door de in Christus geheiligde man-vrouw verhouding („man als het hoofd van zijn vrouw” - of het begrip hoofd inderdaad een soort bóvenschikking inhoudt, lijkt een extra verkenning waard; immers „alles echter is uit God”). Onderstreept kan worden dat „elke verscheidenheid alleen maar recht van bestaan heeft binnen de in Christus en door Zijn Geest gegeven eenheid van man en vrouw en op basis van de door God in de Schepping gelegde orde” - ook al kunnen er vragen rijzen wat die „orde” precies en concreet inhoudt. Voor de commissie is die orde wel van doorslaggevende betekenis, de onderbouw van heel haar standpuntbepaling. Maar het lijkt mij dat de verkenning iets te vanzelfsprekend ervan uitgaat.

Hoewel de bekende „zwijgteksten” natuurlijk al herhaaldelijk ter sprake kwamen in het betoog tot dusver, besteedt de commissie een apart hoofdstuk aan deze teksten: 1 Cor. 14:34, 35 en 1 Tim. 2:11. Vaak zijn deze teksten zo geïnterpreteerd dat de eerste een absoluut spreekverbod voor de vrouw in de gemeente betekent en de tweede tekst een even absoluut leerverbod (97). Gewaarschuwd wordt deze teksten niet los te hanteren van wat Paulus elders over de vrouw in de gemeente schrijft. Dat mag niet worden „doodgedrukt”. Gal. 3 : 28 mag „als een brandglas boven deze tekstgedeelten” gehouden worden. Uit 1 Cor. 11 en 12 blijkt „zonneklaar” dat man en vrouw volgens Paulus „delen in de veelheid van charismata”. De commissie wil dat niet (selectief) negeren en wijst dan allereerst op de „profeterende vrouw in de gemeente” (1 Cor. 11). Volgens de commissie stelt Paulus „op geen enkele manier het bidden en profeteren van vrouwen in de samenkomsten van de gemeente ter discussie” (100). Wat dan met „zwijgen” bedoeld kan zijn? Het antwoord wordt er niet eenvoudiger op! De schrijvers denken allereerst aan een „wereldse emancipatiedrift” waartegen Paulus waarschuwt, en vervolgens aan misbruik van vrijheid (daarom de „hoofdbedekking” als een „toenmaals” welsprekend symbool - 104). Hoofdzaak is voor hen de orde in de gemeente. Die mag door niemand, ook niet door vrouwen verstoord worden: „Zij mogen op Gods tijd spreken. Maar zij moeten tegelijk ook op haar tijd weten te zwijgen” (108). Geen „interrumperende vragen”! De „goede orde” in het oog houden! Anders wordt „de stichting, de lering en vertroosting der gemeente” bedreigd (onwillekeurig moest ik denken aan het verhaal over wijlen mevrouw Van den Oever dat dr. Bos in Kruisdominees vertelt - 99v.). Graag geeft men toe dat met deze verklaring niet „alle vragen zijn opgelost”, maar enkele zaken zijn wel duidelijk: van een absoluut spreekverbod is geen sprake. Paulus vermaant de Corintische vrouwen „in de samenkomsten der gemeente niet te domineren door interrumperend spreken; zij moeten haar plaats als vrouw kennen”. Er is hem alles aan gelegen „dat mannen en vrouwen op een door God gewilde wijze met elkaar omgaan”.

De tweede „zwijgtekst” - 1 Tim. 2: 11vv. - geeft een „speciale toespitsing op het onderricht geven” (110), voor de commissie „de meest expliciete uitspraak op dit punt van het gehele Nieuwe Testament” (111). Er wordt op gewezen dat Paulus het leren in de zin van onderricht geven elders in zijn brieven noemt als een gave van de Geest naast andere gaven. Verbiedt hij nu iets aan vrouwen, „wat hij in eerder geschreven brieven aan de gehele gemeente, mannen en vrouwen toestaat” (vgl. 113)? Het lijkt er m.i. op dat de commissie hier niet helemaal uitgekomen is. Paulus zou bij „de overdracht van de apostolische leer met praktische voorschriften voor het dagelijks leven” in de samenkomsten van de gemeente, „waarin deze overdracht centraal staat, de vrouw geen actieve rol laten vervullen” (114). Maar kan de vraag dan ontgaan worden: wèl de gave om te „leren”, maar geen gebruikmaking van die gave? Wel de „profetische bezigheid, waardoor zij anderen in de gemeente inzicht geeft om verder te gaan en zich ook openstelt voor een toetsing door de gemeente zelf” toegestaan, maar tegelijk geen actieve rol „in de officiële leeroverdracht met zijn gezaghebbende oproep om in de leer der apostelen te blijven”? Heeft „gezag” hier dan toch iets van doen met menselijke „macht” over de ander wie dan ook? Is er in Christus' kerk enig gezàg anders dan Zijn gezag? Waar men ter wereld ook over „heersen” spreekt, toch zeker niet in Christus' gemeente, waar allen „broeders” zijn omdat Eén hun Meester is? De auteurs sluiten dit interessante hoofdstuk met een drietal „voorlopige opmerkingen” (plus evenals in de voorgaande hoofdstukken enkele excursen over zaken die verband houden met het behandelde) nl. a. de positie van de vrouw heeft eeuwenlang in kerk en gemeente niet beantwoord aan het beeld dat het Nieuwe Testament ons geeft: „voluit betrokken” bij het leven en functioneren van de gemeente; b. in onze eeuw is er „alle aanleiding” om Paulus' uitspraken „over een christelijke gelijkheid van man en vrouw en over de onderscheiden plaats, die man en vrouw in hun een-zijn in Christus hebben, in ere te houden”; c. welke consequenties hieraan te verbinden „met betrekking tot het handelen en arbeiden van de vrouw in de kerk en gemeente van vandaag” zijn, is niet los te zien van wat in bijbels licht over het ambt gezegd moet worden. Deze punten worden in de twee volgende hoofdstukken behandeld: „Het geheim van Christus en Zijn gemeente” (129-165, plus excurses) en „Man en vrouw in de gemeente vandaag” (175-188 plus idem).

Ook deze hoofdstukken bieden enorm veel interessant materiaal met het oog op allerlei aspecten die met de man/vrouw-verhouding „met het oog op de gemeente” betrekking hebben. Tegen de achtergrond van het „totaalbeeld van de gemeente in het Nieuwe Testament, haar fundament, haar charismatische geleding, haar toerusting en haar structuren” wil men de „plaats van de vrouw in de gemeente” nader omschrijven (129). Het gaat dan o.m. over een begrip als leitourgia, over de charismata, Ef. 4 : 11 vv., presbyter-episcopos, het diaconaat enz. Men realiseert zich dat men „latere ontwikkelingen” niet moet „terugprojecteren op het Nieuwe Testament” (153). Verder wordt gesproken over diaconessen en weduwen („Al met al kunnen we dus denken aan vrouwelijke diakenen” - 156 - „vrouwelijke diakonale arbeid niet zonder meer gelijkgesteld” aan wat door „de opzieners en diakenen werd gedaan” - 159). Alvorens enkele „leerlijnen voor de ordening van het kerkelijk leven te trekken” wordt geconcludeerd dat een „voorbeeldige vormgeving” wordt gegeven „van wat God bedoelde met de schepping van man en vrouw naar Zijn beeld en gelijkenis, waarin de vrouw als ,hulpe tegenover’ voluit meedoet”. Dat is ook nu van waarde. „Een volstrekte scheiding tussen een ambtelijk bezig-zijn van mannen en een niet-ambtelijk bezig-zijn van mannen en vrouwen in de gemeente werkt voor de beleving van de eenheid in verscheidenheid tussen man en vrouw en het zich gezamenlijk verantwoordelijk weten voor het wel en wee van de gemeente, bepaald niet bevorderend” (160v.). De paragraaf over de „leerlijnen” en het hoofdstuk over man en vrouw in de gemeente vandaag geven in feite een uitwerking van deze conclusie „met gebruikmaking van de Bijbels-theologische hoofdlijnen” die uit het onderzoek naar voren zijn gekomen (176vv.). Naar aanleiding daarvan wordt gepleit met inachtneming van de representatie-gedachte voor differentiatie („zoals bij Calvijn” inzake diaconale bezigheden) mits geen „leidinggevend en gezaguitoefenend karakter” erbij in het geding is (182v.). Concreet wil men stellen „dat ook vrouwelijke lidmaten der gemeente met de haar geschonken gaven meer ingeschakeld zullen moeten worden in de arbeid in de gemeente”; „assisterend en complementerend” zullen zij „in het midden van de gemeente ertoe bijdragen om die gemeente een voorbeeld te doen zijn van vruchtbaar en inspirerend samengaan van mannen en vrouwen” (186vv.).

Tot zover de poging u enige informatie te geven over dit boek. Een beoordeling op zichzelf werd niet direct bedoeld: wel zijn er enkele kritische vragen gesteld. Hopelijk zal een en ander aansporen tot eigen onderzoek in het besef van de opwekking „weest elkander onderdanig in de vreze van Christus” (Ef. 5 : 21). Dan zal dat beleefd worden naar Filip. 2:1-5- bij exegese èn toepassing van het „onderdanig”-zijn helaas (ook in dit boek) al te zeer vergeten- met name: „Laat die gezindheid bij u zijn, welke ook in Christus Jezus was”.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.