+ Meer informatie

AAN DE RAND…

8 minuten leestijd

Wie de ledenlijst van de gemeente doorneemt, weet dat er verschillende namen in staan van leden die weliswaar officieel nog bij de gemeente behoren, maar daar in de praktijk weinig of niets van laten blijken. Hoe moet het verder met die leden? In het kerkelijk spraakgebruik noemen we hen randleden. Toegegeven, het is geen fraaie benaming. Ze duidt op een bepaalde manier echter wel aan wat er aan de hand is: iemand balanceert (geestelijk) op het randje. Van de gemeente? Inderdaad, maar daarbij moet worden bedacht dat de gemeente meer is dan een verzameling van mensen die een speciale hobby hebben en waarvan iemand afscheid heeft genomen. Nee, het gaat om díe gemeenteleden, die niet meer aanspreekbaar zijn voor de gemeente én ook niet voor het geloof in de Here, zoals ons dat in de Bijbel wordt voorgehouden. Zó wil ik met u in dit artikel de benaming ‘randleden’ verstaan. Dat houdt in dat die leden hier buiten bespreking blijven, die om de één of andere reden niet met de gemeente meedoen, maar toch verbonden willen blijven aan de Here en zijn dienst.

CONCRETISERING EN BEPERKING

Het geloof in de Heiland is enerzijds een persoonlijke zaak, maar anderzijds een zaak die binnen het geheel van de gemeente gevoed wordt. Beide zijn in Bijbels licht voor alle leden van de gemeente van belang. Te denken is aan het feit dat in het OT God zich een ‘volk’ vergadert, dat in het NT de Heiland zich de goede Herder noemt, die de schapen bij de kudde brengt en vervolgens naar de stal leidt, en dat Paulus de gemeenteleden leden van een lichaam noemt. Dat is het niveau voor de gemeente van Christus.

Daarom moet een kerkenraad ook op dit niveau inzetten als hij zich noodgewongen met de vraag moet bezighouden hoe leden die vervreemd zijn geraakt van de gemeente én van de Heiland bearbeid moeten worden. Hoe kan het tot een verandering ten goede komen?

Concreet kan men twee categorieën randleden onderscheiden:

zij die al een tijd ver buiten het geografisch gebied van de gemeente wonen;

zij die min of meer binnen het geografisch gebied van de gemeente wonen.

DE EERSTE CATEGORIE

Eerst enkele woorden over de eerste groep. Volgens de kerkorde moet bij hen die vervreemd zijn van het leven met de Here tucht worden geoefend. Bij deze leden stuit dat in de praktijk op het grote probleem dat dit eenvoudigweg niet bij hen overkomt. Dat wordt door kerkenraden allerwegen erkend. Daarom wordt gezocht naar andere geestelijke wegen om iemand de ogen en het hart te openen, onder de zegen van de Here zelf. De ervaring leert helaas dat positief ingezette trajecten soms een tegengesteld effect hebben. Daar is niemand op uit, maar dat kan wél gebeuren. Het alternatief is: niets doen. Daar is ook niemand bij gebaat. De broeders en zusters over wie we het hier hebben zijn in feite door de geografische afstand niet goed bereikbaar voor gericht pastoraat. Er valt niet aan te denken met hen meerdere gesprekken te voeren. Dat is wél nodig, wil er enig geestelijk effect zijn. Toch is niemand gebaat met het in stand houden van de gegroeide situatie. De gemeente niet, want die heeft te maken met schapen van de Goede Herder, met wie redelijkerwijs geen intensief contact mogelijk is. De bedoelde gemeenteleden niet, want zij krijgen geen geestelijke prikkel om zich te bezinnen op hun levenswijze.

Mijn gedachte is als volgt: laat de kerkenraad met de betrokken gemeenteleden contact zoeken via een brief, waarin

geconstateerd wordt dat zij zich al een tijd geleden buiten het gebied van de gemeente hebben gevestigd, en dat dit, voor zover het overzien kan worden, van permanente aard is;

geconstateerd wordt dat zij nog steeds lid van de gemeente zijn, maar dat het contact met elkaar onderhouden door de geografische afstand niet goed mogelijk is; de wenselijkheid wordt uitgesproken dat zij zich aansluiten bij een andere christelijke (gereformeerde) gemeente bij hen in de buurt;

wordt geïnformeerd of zij al zicht op een dergelijke aansluiting hebben, bijv. door het bezoeken van zondagse kerkdiensten;

hulp wordt aangeboden als het gaat om het komen tot een keuze;

wordt gevraagd om een reactie.

Wanneer deze reactie positief is, tracht de kerkenraad te leiden tot een overgang naar een andere gemeente; het geestelijke doel is daarmee bereikt. Wanneer de reactie negatief is (of wanneer er helemaal geen reactie volgt), zal de kerkenraad nog een keer contact leggen (schriftelijk of telefonisch). Als dat opnieuw geen positieve reactie oplevert, moet geconstateerd worden dat het betrokken lid zich buiten de gemeente heeft gesteld. Uitschrijving is dan onvermijdelijk.

Voor zo’n procedure moet men alle tijd nemen. In de praktijk blijkt dat ze op enige termijn leidt tot duidelijkheid. Soms is de reactie geestelijk bemoedigend, vaak echter ook verdrietig. Het zal duidelijk zijn, dat niemand op dat laatste uit is (dat is overigens met kerkelijke tucht ook het geval!). Anderzijds: het is niet echt te ontwijken. Soms oogst men wrange vruchten, ook al wil men graag rijpe vruchten zien

DE TWEEDE CATEGORIE

Anders staat het met leden die nog wel binnen het geografisch gebied van de gemeente horen. Hier past het opbouwen van een persoonlijk contact, indien nog mogelijk, dat - onder Gods zegen - leidt tot meer betrokkenheid bij de gemeente. Hiervoor is een pastoraal traject nodig, waarvoor niet alleen kerkenraadsleden ingezet moeten worden. Het wijkteam of wellicht een speciale in te zetten ‘buddy-groep’ zou de handen ineen kunnen slaan, bijvoorbeeld als volgt:

Er wordt - indien van toepassing - allereerst gecommuniceerd met de ouders, indien dezen lid zijn van de gemeente, met de mededeling dat de kerkenraad van plan is met hun kind(eren) in contact te treden over het lidmaatschap van de gemeente;

de kerkenraad verzoekt de wijkteams te komen tot een pastoraal contact met de betrokken leden; de wijkteams kunnen dit contact zelf proberen te leggen, maar zij kunnen ook andere leden van de gemeente daarvoor inschakelen, wanneer op grond van vroegere of tegenwoordige situaties verwacht kan worden dat dezen een goed contact zouden kunnen opbouwen;

indien in dit pastorale contact wordt geconstateerd dat de betrokken leden al lange tijd niet meer met de gemeente meeleven, zal er worden geprobeerd daarin verandering te brengen; indien mogelijk wordt er een relatie opgebouwd;

indien dit leidt tot een verandering in opstelling, is het geestelijke doel bereikt; in dat geval is het wel gewenst dat het opgebouwde contact in stand blijft, om te voorkomen dat er een (snelle) terugval plaatsvindt;

indien er na verloop van een jaar geen zicht op verandering in opstelling is, zal de kerkenraad met verdriet moeten constateren dat deze schapen niet meer bij de kudde willen behoren…

SAMENHANGEND BELEID

Bij het in gang zetten van deze procedure dient de kerkenraad oog te hebben voor een pijnlijk punt: vaak gaat het bij deze leden om kinderen van gemeenteleden, leden van families die geworteld zijn in het gemeentelijk leven. Men moet niet onderschatten hoeveel verdriet het doet, wanneer je in het gemeenteblad moet lezen datje kind of kleinkind geen deel meer uitmaakt van de gemeente, zoals die hier op aarde bekend is. Daarom is het noodzakelijk dat een kerkenraad óók aan déze gemeenteleden pastorale aandacht besteedt.

Als de kerkenraad met deze zaken aan de slag gaat, doet hij er goed aan dit in een open gesprek met de gemeente te doen. Ruim eens een (behoorlijk) deel van een gemeenteavond voor dit geestelijke probleem in, en houdt het ook op geestelijk niveau. Heb begrip voor gemeenteleden die dit in het gezin dichtbij zien komen, en die het heel moeilijk vinden om erin mee te komen. Maak u er als kerkenraad niet afhankelijk van, maar laat het wel in uw hart toe. Ouders zien vaak het lidmaatschap van hun kind nog als het enige lijntje met de gemeente (flinterdun, maar toch…). Ze hopen op hoop tegen hoop dat het nog eens tot een inhoudelijk geestelijk lidmaatschap komt.

Snijd dat punt aan op een speciaal (huis)bezoek. Als men er werkelijk over in gesprek komt, hebben de familieleden er meestal wel begrip voor dat de kerkenraad niet ‘tot in het oneindige’ zijn leden kan vasthouden. Dat kan, zo is in dat gesprek duidelijk te maken, zelfs leiden tot een tegengesteld effect: iemand kan gemakkelijk geestelijk in slaap worden gesust, als er niet fundamenteel op zijn/haar hart wordt geklopt. Daarom is wakker schudden niet alleen gewenst, maar ook noodzaak. Maar daar moet indringend gebed aan gepaard worden, zowel thuis bij de familie, als in de zondagse samenkomsten. Dan komt er ook geestelijke ruimte in de gemeente voor het nemen van pijnlijke beslissingen. En het is geen ‘dooddoener’ wanneer ik stel dat wie geen lid meer is toch eens door God bij name is genoemd. Gedoopte mensen vinden Hem soms via wonderlijke wegen terug. Juist in het afgelopen jaar merkten we dat in de gemeente waartoe ik behoor op ontroerende wijze.

TOT SLOT

Nog één ding wil ik aanroeren. Soms moeten kerkenraden eerlijk constateren dat men deze dingen te lang op z’n beloop heeft gelaten. Gemeenteleden hebben dat vaak wel in de gaten. Daarom vind ik dat een kerkenraad daar eerlijk voor dient uit te komen en er excuus voor aan te bieden. Dat staat het voeren van een geestelijk beleid niet in de weg, maar bevordert het juist! Zo mag men oprecht bidden om geestelijk inzicht én fijngevoeligheid, om ook in deze dingen te onderscheiden waarop het aankomt (Fil. 1:9).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.