+ Meer informatie

Van Bangladesj naar Calcutta

Wandelen is worstelen door een chaos van mensen, kraampjes en riksja's

15 minuten leestijd

Bangladesj is het dichtstbevolkte land ter wereld. Elke wandeling door een stad is er een worsteling van wringen en wachten, omlopen en botsen. Bangladesj is ook het land van de armoede en van cyclonen en overstromingen. Het straatbeeld in Calcutta (India) is niet veel anders dan in Bangladesj. Getoeter, muziek en overal mensen en kraampjes op het gescheurde asfalt. Duizenden mensen liggen in rafelige kleren onder afdakjes van plastic of karton.

Als de raderboot stipt op tijd de haven van Dhaka verlaat, slaak ik een zucht van verlichting. Eindelijk rust. Ik leun ontspannen tegen de roestige en doorgebogen railing en zie tevreden hoe we geleidelijk, maar zeer zeker de mij aangapende massa op de steiger verlaten. Ontspannen wandel ik over het krakende dek naar mijn tweede-klascabine, waar ik een bed tot mijn beschikking zal hebben. Maar wanneer ik de deur opendoe, zie ik dat een vijftal mannen zich al over mijn rustbank hebben ontfermd, waarop ik naar de voorplecht vlucht om me door het landschap op andere gedachten te laten brengen. Ik kon ook niet anders verwachten. Dit was immers Bangladesj, wat met zo'n 120 miljoen mensen als het dichtstbevolkte land ter wereld bekend staat. Wat overbevolking betekent werd mij in een aantal dagen aardig duidelijk. Met het enorme aantal mensen veranderde elke wandeling in een worsteling. Steeds weer wringen en wachten, omlopen en botsen, want alles stond vol met kraampjes, fruitstalletjes, riksjarijders of wat dan ook.

Chaotisch carrousel
Het oversteken van een straat vraagt de gaven van een spitsroedeloper, want het op de hoogste snelheid voortrazende verkeer lijkt zo snel mogelijk uit dit chaotisch carrousel te willen ontsnappen. Overvolle steden hebben strenge regelgeving nodig, zou je zeggen. Maar die is in Bangladesj ver te zoeken. Een paar meter ruimte op het kruimelige asfalt betekent hier: zo snel mogelijk bezetten, vóór een ander in het gat duikt. De voor tegenliggers bedoelde rijstrook wordt dus ook onmiddellijk geannexeerd, waarna het hele zaakje onwrikbaar vastzit. Dan is er helemaal geen doorkomen meer aan. Als voetganger heb ik eens tien minuten tussen bumpers, wielen en metaal ingeklemd gestaan en dat allemaal onder een enorm getoeter, een boel geschreeuw en fietsbelgerinkel. Want iedereen is woedend op elkaar. De rinkelende fietsbel is het geluid van Bangladesj. Bellen zijn op de sturen van de riksja's bevestigd en worden bijna doorlopend gebruikt. Het geeft een kermisachtige sfeer, zeker 's avonds in het oude centrum van Dhaka, waar de lange rijen tingelende riksja's worden omgeven door open vuurtjes, rondscharrelende of met steentjes bekogelde honden en mensen in open cafés, die mijn aanwezigheid juist als een curiositeit beschouwen. Waarom was ik in Bangladesj? Ik kende van het land alleen de berichten die waren verschenen o over cyclonen en overstromingen, waarbij honderdduizenden waren omgekomen.

Weinig toeristen
Bangladesj was synoniem voor honger en ellende, storm en een boel nattigheid. Geen reisdoel voor de in Azië rondtrekkende toerist, eerder een doodlopend steegje, verstopt en verscholen achter het reusachtige India. Op het Bureau van Toerisme knikt Mohammed Masoon me ernstig toe. Er komen er niet veel, beaamt hij en dat is jammer, want er is hier veel te zien. En met die overstromingen valt het wel mee. Het toeristenseizoen loopt van november tot halverwege maart en dan is het immers droog. Maar het is de vraag of er in Bangladesj wel van een "toeristenseizoen" gesproken kan worden. Want reizigers kom ik nauwelijks tegen. In Khulna ontmoet ik een verdwaalde Ier en in Dhaka is de enige toerist die ik er zie een dromerige buschauffeur uit Eindhoven. Een paar jaar geleden hingen er affiches in de hoofdstad met daarop: „Bezoek Bangladesj voor de toeristen komen." Dit blijkt nog steeds van kracht. Volgens Masoon valt dat allemaal wel mee. Het aantal toeristen neemt elk jaar toe en allemaal willen ze langer blijven. Maar wat maakt het land nu zo interessant? Masoon: „Onze gastvrijheid, het strand van Cox's Bazaar, dat met 110 kilometer het langste strand van Azië is, de Sundarbans, een Nationaal Park in het zuidwesten, en natuurlijk het uitgestrekte rivierenlandschap, dat met boten kan worden doorkruist." Een van die schepen is een oude Engelse raderboot, die dienst doet tussen Dhaka en Khulna in het westen van het land. En inderdaad, de tocht door het zuiden van Bengalen is zo gek nog niet. Het schip pruttelt rustig over de brede Meghna (waar Ganges en Brahmaputra al eerder in overgingen) langs rijstvelden, fruitbomen, dorpjes en af en toe een stad.

Dijken
Het zuidwesten behoort tot de gebieden die sinds 1947 twaalf maal door zware overstromingen zijn getroffen. Er liggen dijken, maar die zijn lang niet hoog genoeg en meestal van klei en afgedekt met wat gras. In Bangladesj weet men dat de dijken het nooit lang houden. Terwijl men in Nederland uitgaat van een overstromingskans van eenmaal in de 1250 jaar (in de Betuwe), is dat in Bangladesj eenmaal in de 25 jaar. Op de boot ontmoet ik een Bengaalse ingenieur. Hij schudt z'n hoofd als ik hem vraag of een grootschalig Deltaplan uitkomst kan bieden voor de steeds terugkerende overstromingen. „Onmogelijk", zegt hij. „De rivieren verleggen steeds hun loop en een behoorlijke cycloon slaat alles onmiddellijk weer weg." Hij wijst op de kaart. „Van oost naar west, vijftig kilometer uit de kust, is het het gevaarlijkst. Daar vallen de meeste doden." En het zijn in het overbevolkte Bangladesj weer de armen die de eerste slachtoffers zijn. Volgens de ingenieur (zelf een vermogend man) zijn veel arme pachters en landlozen door de grootgrondbezitters van de hoger gelegen gronden verjaagd, zodat alleen nog in de zuidelijke moerasgedeelte voor hen wat ruimte overbleef De Gangesdelta blijkt ook in de droge tijd een veel geteisterd gebied. Volgens een krantebericht in de Morning Sun stierven er in de laatste drie weken al minstens 583 mensen aan diarree. Het zeewater rukt op en verzilt en verziekt nu al het drinkwater op zo'n 200 kilometer uit de kust.

Kerrierijst
Op de boot wordt tegen zonsondergang door een aantal in vlekkerige uniformen gestoken stewards een stevige maaltijd van kerrierijst, bloemkool en aardappels en salades voorgezet. Het diner is naar Oosterse begrippen tamelijk prijzig (omgerekend drie gulden), maar smaakt, zoals bijna overal in Bangladesj, voortreffelijk. Laat in de avond keer ik terug naar m'n tweede-klas hut. De cabine is weer verlaten. Het bezoek heeft slechts mijn laken verfrommeld en zal onderweg wel uitgestapt zijn. Ik ga naar bed en luister tevreden naar het ritmische gestamp van de machines en het opgewonden geroep van passagiers en personeel. Midden in de nacht komt opeens iemand mijn cabine binnen. Ik had mijn deur niet afgesloten, omdat er onderweg nog een passagier voor het tweede bed zou kunnen komen. De gestalte zwaait in de donkere hut om zich heen, vindt dan de schakelaar van het lampje boven m'n hoofd en doet het Hcht aan. Verontwaardigd doe ik het weer uit en mompel verstoord dat hij z'n eigen nachtlampje maar moet gebruiken. De man verstaat geen Engels en zeker geen Nederlands, waarop het aan-uit-ritueel zich enkele malen herhaalt en ik, woest, m'n bed uitstap om het lampje boven zijn bed aan te knippen. Met een kwaad hoofd probeer ik de slaap weer te vatten, maar dat lukt natuurlijk niet. De man is monkelend op z'n bed gaan zitten en ritselt dan ineens een plastic zak open. Kipgeuren vullen de kleine cabine en het komende uur moet ik het doen met een hutgenoot die het vanzelfsprekend vindt tegenover mij zijn kerriemaaltijd op te smakken. Nog lang daarna zijn er in de dampige scheepshut rochelende en reutelende geluiden te horen.

Oerbos
De volgende dag is mijn gast opeens verdwenen. Ik sta op, ga het dek op en kijk uit over vergeelde rijstvelden. De dijken zijn hier hoger en de beboste contouren van de Sundarbans dienen zich al aan. Dit wilde moeraswoud strekt zich uit van Zuidoost-India tot aan de rivier de Harighat en is met een oppervlakte van 3600 vierkante kilometer een van de grootste moerasdelta's ter wereld. De Sundarbans zijn het laatste restje oerbos, dat ooit deel uit maakte van de uitgestrekte wouden van de Gangesdelta. Het is een gebied van modder, mangrove en 25 meter hoge Sundaribomen. Trekvogels vinden er een uitstekende schuilplaats en een goed gedekte tafel van verschillende soorten vis. Duizenden herten lopen er rond en de beruchte Bengaalse tijger maakt het gebied voor mensen tamelijk gevaarlijk. Vorig jaar werden er veertig mensen door de ongeveer 400 rondzwervende roofdieren opgepeuzeld.

Thee met meisjes
Een aardige aanleiding om in Monghla uit te stappen en een privé-bootje te huren voor een tocht naar het dorpje Dhangmari, waar de moerasdelta begint. Officieel moet er in Khulna toestemming worden gevraagd, maar dat kost me te veel tijd. In Dhangmari krijgen mijn jonge schipper en ik toestemming om een paar uur over de slikkige rivier te roeien, zodat ik een indruk kan krijgen van de wildernis, die zich daarachter nog een paar honderd kilometer uitstrekt. Op de terugweg krijgen we dorst en besluiten we op een eiland een kopje thee te nemen. Opeens komen er allemaal enthousiast wuivende meisjes uit de hutjes te voorschijn, die bepaald niet overdadig gekleed gaan. Wat krijgen we nu toch zeg! Gewend aan achter doeken verstopte vrouwen komt deze verschijning me in een islamitisch land absurd voor. Ik Idim toch de wankele steigertrap op en word daar, voor ik ook maar iets vragen kan, door giechelende vrouwen aan m'n armen getrokken en gevraagd of ik niet mee wil komen. Dan dringt een man met twee achter elkaar staande voortanden zich naar voren, duwt de meisjes aan de kant en slist me toe dat er ook bier, whisky en hasj voorradig is. En wat die meisjes betreft; dan weet hij nog wel betere, ver- > trouwt hij met met toegeknepen ogen toe. Ik besluit maar van m'n thee af te zien, keer terug naar de roeiboot en verlaat fluks het losbollige eiland.

Krakende gezangen
In de namiddag stap ik, na een volle-busrit tamelijk gekreukeld en gebutst, uit in het provinciestadje Khulna, waar ik mijn intrek neem in het Arafathotel. Khulna is geen plaats om lang te blijven. Nog meer dan in Dhaka wordt er hier gestaard, naar me gemompeld en in m'n bagage geloerd. In de restaurantjes komt men naast me zitten, kijkt mij met open mond aan en gooit zelfs mijn thee op een schoteltje, waarna het opgeslobberd wordt. En overal geschreeuw en geroep, getingel en getoeter. Hotel Arafat had tot mijn schrik behalve op de gangen ook in de kamers een luidspreker bevestigd, waaruit 's nachts plotseling krakende gezangen te voorschijn golfden. In de vroege ochtend werd ik weer gewekt door het gejank van de minaretten en vluchtte ik weg naar het station.

Douane met thee
De laatste kilometers door Bangladesj leg ik, vanuit Jessore, af met de riksja. Het is winter en bitterkoud. De temperatuur daalt 's nachts tot zo'n zeven graden en de kou heeft in het noorden in twee maanden tijd al een paar honderd levens geëist. Reusachtige Bristighas (regenbomen) doemen op. Daar is de grens, daarachter ligt India. In het kantoortje van de douane moet ik wachten. Namen en nummers worden in beduimelde boeken genoteerd en er wordt me een kopje thee aangeboden door een vriendelijke douanier. Na een kwartier verlaat ik, opgelucht, maar ook met een vleugje heimwee, het voor mij zo rommelige, maar ook gastvrije land. Ik loop de grens naar India over en stap het "Immigrationoffice" binnen, waar me opnieuw een kop thee wordt voorgezet. De man achter het bureau met het stapeltje paspoorten valt ineens bars uit tegen een jongetje. „Waar zijn de koekjes!", roept hij, waarna hij verontschuldigend naar me glimlacht. Het jongetje holt geschrokken weg. De beambte heeft het druk. Een groep Turkse moslims passeert de grens en hun namen moeten allemaal in de grote, beduimelde boeken worden opgeschreven. Ik moet gewoon op m'n beurt wachten, maar heb voorlopig thee. En het jongetje komt even later nog met koekjes ook...

Twee meter
Een uurtje later hots ik, zittend achter in een riksja, over een door hoge bomen omzoomde weg. De riksjarijder trapt er zo'n 50 minuten over. Dan zijn we in Bangaon, waar we hopeloos vast komen te zitten in een kluwen van auto's, karren, riksja's en vrachtauto's. En allemaal toeteren, natuurlijk. Na drie kwartier trekken, duwen en een boel geschreeuw over en weer zijn we twee meter opgeschoten. Ik ben het zat, betaal m'n riksja, passeer lopend het dolle schouwspel en neem waar de drukte weer wat minder is een nieuwe riksja. Vlot word ik afgezet bij het treinstation, waar ik nog net op tijd op de trein naar Calcutta kan springen. De trein zit, hoe kan het ook anders in India, tjokvol. Niet in de laatste plaats vanwege het grote aantal bedelaars en verkopers die zich zingend en roepend langs de menigte persen. Er wordt van alles verkocht; fruit, snoepjes, ragebollen en een soort "zwart-wit" tegen maagkramp. Iemand slaagt erin een Zweedse pater een agenda voor 1993 aan te smeren waarin alleen de maand december voorkomt.

Cultuur of nachtmerrie
Een paar uur later ben ik in Calcutta, waar intens getoeter en een boel muziek klinkt. Overal mensen en kraampjes op het gescheurde, vettige asfalt. De zwart-beschimmelde huizen bevinden zich in een ver gevorderd stadium van verval en duizenden en nog eens duizenden mensen liggen in rafeli- > ge en stoffige kleren onder afdakjes van plastic of karton. Men noemt Calcutta "een stad van cultuur", maar anderen hebben het ook wel „een levende nachtmerrie" genoemd. Ik schrik van de uitzichtloze armoede (hoewel ik in Bangladesj ook wel wat gewend was). In de Jagadist Boiseroad bij voorbeeld wonen honderden mensen naast een muur waarop geschreven staat dat die op instorten staat. „Voorbij lopen alleen op eigen risico." Maar op de stoep wonen al jaren honderden mensen, waar het verkeer met blauwe walmen langs dendert.

Geen dromen
Ik praat er met Gulamali, een man van 55 jaar, die hier een paar jaar geleden met z'n familie is komen wonen. Gulamali komt uit de delta van de Sundarbans, werd daar tijdens een overstroming weggespoeld en verloor behalve familie ook z'n hutje en al z'n spullen. Ook het dorp was verdwenen en de boer trok naar de stad, waar hij zich bij de groep aan de muur heeft aangesloten. Maar in Calcutta is geen werk. Iedereen bedelt maar wat, verzamelt oud papier of sjouwt stenen voor de bouw. Gisteren had de "muurgroep" in totaal 12 roepies (ongeveer een gulden) verdiend, genoeg om wat eten te kopen. Ze hebben geen huis, omdat de borgsom voor de huur 30.000 roepies bedraagt. Sommigen zijn al jaren ziek, omdat ze de 50 roepies voor de dokter niet kunnen betalen. Honger hebben ze niet, want ze krijgen voedselbonnen voor wat brood, rijst of een kop soep. Als ik ze vraag wat voor dromen ze hebben, schudden ze het hoofd en zeggen: „Wat valt er te dromen? Rijk zullen we nooit worden, want we kunnen niet lezen of schrijven. Onze kinderen kunnen niet naar school, want we hebben geen geld voor boeken, uniformen of de wekelijkse fooi voor de leraar. Het enige dat we hopen is dat we ooit nog een kamer krijgen." In Sudderstreet (het straatje van de goedkope hotelletjes, de hippies, de reisbureaus en de ophchters) relativeert Robbert de verhalen van de straatbewoners.

Ze overdrijven
Robbert is Amerikaan, verkoopt en koopt boeken in en leeft zo al jaren in India. Ze overdrijven, vindt de man met de baard en het lange haar. „Iedereen die ziek is, kan naar het ziekenhuis en als je geen geld hebt, helpen ze je gratis. Dat hebben ze ook met mij gedaan toen ik ziek was en absoluut geen geld meer had." Robbert huurt voor 200 roepies (ongeveer / 15,—) een huis in Varanasi. „En als ik per maand 300 roepies betaal, krijg ik drie maaltijden per dag gratis en doen ze nog de was voor me ook." De boekverkoper zit nu enkele dagen noodgedwongen in Calcutta om zijn visum te verlengen. Hij logeert in het Mariahotel, een van de goedkoopste pleisterplaatsen van de stad. „Ik betaal daar 20 roepies per nacht. Voor een plek op het dak, wat een oplichterij!"

Perspectief
Armoede, sloppenwijken, ellende. Robbert vraagt zich af wat dat allemaal precies inhoudt. Wat voor hem of voor mij een krot is, kan voor een ander een paleis betekenen. Hoe meet je armoede? Om van ellende nog maar te zwijgen. Maar ik kan me toch moeilijk voorstellen dat al die miljoenen mensen in de goot, onder drukke viaducten, langs stinkende riolen, gelukkig of op z'n minst tevreden zouden zijn. Misschien hebben ze (nu) dan wel te eten. Misschien kunnen ze af en toe ook wel naar een dokter, maar wat is er voor perspectief in een stad waar werk en voedsel met steeds meer mensen moet worden gedeeld? En voedsel zelf zegt ook niet genoeg. Een week eerder las ik in een krant dat Bangladesj meer dan anderhalf miljoen bhnden telt. Elk jaar zouden er vanwege ondervoeding 30.000 kinderen het gezichtsvermogen verliezen. En voor Calcutta zal dat niet anders zijn. 's Avonds laat zie ik een stoet mensen in een rij onder de pui van restaurant Magnolia. Dan krijgen de straatbewoners de laatste restjes van het eten dat de rijken (ook ik heb daar gegeten) hebben overgelaten. Er staan er zo'n honderd, waardoor een ieder twee pollepels van de door elkaar gehusselde potpourri krijgt. Maar soms staan er ook 300 man in de rij, zodat er voor ieder slechts een mager schepje overblijft...

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.