+ Meer informatie

Voor de jeugd

8 minuten leestijd

Beste Jongelui!

De vorige keer hebben we jullie iets geschreven over het genadeverbond. En dat naar aanleiding van een vraag daarover. We hopen dat omtrent deze zo gewichtige zaak enige duidelijkheid is ontstaan. Daar zou natuurlijk nog veel meer over te zeggen zijn, maar dan kreeg men een hele verhandeling daarover. De punten waar het in wezen altijd om draait, kan men ook vinden in de vijf artikelen tegen de remonstranten. Ik heb daar al eerder op gewezen en zou jullie toch allemaal willen aanraden: Lees en bestudeer ze. Het is de moeite waard. Onze vaderen, dat zul je wel merken, hebben ook alle vragen niet op kunnen lossen, als het ging over de verantwoordelijkheid des mensen en Gods soeverein welbehagen. Zij hebben niet wijzer willen zijn dan God en eenvoudig gebogen onder het Woord van God. Dit deden zij uit eerbied voor God en Zijn Woord. Zij wisten: Wij zijn mensen, met een eindig, beperkt verstand en dat is door de zonde nog verduisterd ook. Terwijl God groot is. Zo groot dat wij het niet begrijpen. Als we dus de grootheid Gods niet kunnen begrijpen, hoe zullen we dan met ons eindig verstand de Oneindige zelf kunnen bevatten?

Wie dat goed verstaat, buigt zonder meer voor hetgeen God zegt. Die wil niet alle dingen kurieuselijk onderzoeken, zoals onze belijdenis dat zegt, maar die weet, dat de dingen die hij niet begrijpt, bij God in orde zijn.

Dat onvoorwaardelijk buigen voor het Woord van God is een zaak, die vandaag onze aandacht echt wel hebben mag. De wereld, die openlijk Gode vijandig is, heeft dat nog nooit gedaan. Dat behoeft ons niet te verwonderen. Ik zou zeggen: Daar is het dan ook de wereld voor. Je kunt er moeilijk anders van verwachten. Zij is Gode vijandig en leeft haar vijandschap tegen God en Zijn Woord uit.

Maar het komt vandaag voor op gereformeerd terrein, waar men vroeger ten bloede toe gestreden heeft, omdat men pal wilde staan voor het Woord van God, dat men het steeds meer diskutabel gaat stellen. Het wordt een boek waarover te diskussiëren valt. Men kan het er mee eens zijn en men kan het er niet mee eens zijn. De één neemt alles nog aan wat er in staat en de ander neemt niet alles aan wat er in staat. Tot de laatsten behoren de zogenaamde wetenschapsmensen. Zij komen heel veel in de Bijbel tegen, dat ze met hun wetenschappelijke resultaten niet meer in overeenstemming kunnen brengen. En dan moet men niet van hen vragen dat men het ook nog gelooft. Men kan het doodeenvoudig niet meer. De zodanigen hebben nooit het echte geloof gehad. Zij hadden alleen een historisch geloof. En dat laat men dan nu ook los. Gevolg is dat de Bijbel steeds „dunner” wordt en de normen voor het leven worden steeds „ruimer” gesteld. En zo gaat het de duivel wel naar de zin. Want de duivel houdt niet van mensen, die het nauw met Gods Woord nemen. Want het Woord Gods, hetwelk is het zwaard des Geestes, heeft alle eeuwen door een bedreiging voor zijn „duistere rijk” gevormd.

Nu er daarom een aanval op het Woord van God gedaan wordt, als zou men in al z’n delen er niet meer achter kunnen staan, moeten we meer dan ooit op onze hoede zijn. Niet dat wij het Woord als zodanig behoeven te bewaren. Daar zal God zelf wel voor instaan. Want alle vlees is als gras, maar het Woord onzes Gods bestaat tot in der eeuwigheid. Maar de roeping om het te bewaren, ligt er toch. Eén van de zeven Klein-Aziatische gemeenten wordt er om geprezen dat ze het Woord Gods bewaard hadden.

Ik schrijf deze dingen naar aanleiding van een volgende vraag in de brief, de vorige keer genoemd. De vraagsteller haalt daar art. 5 aan van de Ned. Gel. Bel., waar staat: „Alle deze boeken ontvangen wij voor heilig en kanoniek, om ons geloof daarnaar te reguleren, daarop te gronden en daarmede te bevestigen. En wij geloven zonder enige twijfeling al wat daarin begrepen is (dat is taal naar mijn hart. v.d.E.); en dat niet zo zeer, omdat ze de kerk aanneemt en voor zodanige houdt, maar inzonderheid, omdat ons de Heilige Geest getuigenis geeft in onze harten, dat zij van God zijn; en dewijl zij ook het bewijs van die bij zichzelf hebben; gemerkt de blinden zelf tasten kunnen, dat de dingen die daarin voorzegd zijn, geschieden”.

Waar nu mijn korrespondent mee zit, is deze regel: „…maar inzonderheid, omdat ons de Heilige Geest getuigenis geeft in onze harten, dat ze van God zijn”. Hij haalt hierbij aan Rom. 8:16, waar ook gesproken wordt over „het getuigenis des Heiligen Geestes”. In genoemde tekst staat letterlijk: Die Geest getuigt met onze geest, dat wij kinderen Gods zijn”. De vraag is nu: Is dat hetzelfde als wat bedoeld wordt in art. 5 van de N.G.B.?

Ik zou willen antwoorden: Niet direkt, maar het houdt er wel verband mee.

Het gaat in art. 5 over het gezag of de geloofwaardigheid van de Heilige Schrift, d.i. de Bijbel. We moeten daarbij niet vergeten dat de N.G.B. een „geloofsbelijdenis” is. Dat is een geschrift, dat opgesteld is door een gelovige, die daarin uitdrukking heeft willen geven van zijn geloof. En dan niet van een historisch geloof, maar van het ware zaligmakende geloof. Dit belijdenisgeschrift is door de kerken aanvaard als uitdrukking van het geloof der kerken. Als het goed is, moet ieder lid deze belijdenis met zijn hart kunnen onderschrijven. Dat is nog iets anders dan alleen met het verstand. Want als het alleen met het verstand gebeurt, dan houdt dat op den duur geen stand. Wie niet achter loopt in deze tijd, gaat dat al meer zien.

Wie echter het ware geloof bezit, dat uiteindelijk alleen rust op al datgene wat God in Zijn Woord zegt, die verstaat die zin uit art. 5 „maar inzonderheid, omdat de Heilige Geest getuigenis geeft in onze harten, dat zij van God zijn”.

Hoe gaat dat dan?

God onderwijst Zijn volk door Zijn Woord en door Zijn Geest. Die twee moeten niet vereenzelvigd worden en ook niet gescheiden. Beide gebeurt veel. Wanneer men Woord en Geest vereenzelvigt, dan is de aparte werking van de Heilige Geest niet meer nodig bij de bediening van het Woord. Men slikt dan, om het plat te zeggen, met het Woord de zaligheid in. Het gaat allemaal automatisch. Vanzelf! De zodanigen kunnen ook ongeveer alles zelf. Als het er op aan komt hebben ze God niet meer nodig. Men komt in feite klaar voor de eeuwigheid zonder God.

Anderen gaan Woord en Geest scheiden en komen bij de geestdrijverij uit. Men acht het Woord van weinig of geen betekenis. De Heilige Geest krijgt dan het zwaartepunt. Men gaat dan vaak als werk van de Heilige Geest aanzien, wat in werkelijkheid niets anders is dan een produkt van de eigen geest. Dat blijkt wanneer hetgeen men verkopen wil voor „Geesteswerk”, in strijd is met Gods Woord. Het laatste is niet minder gevaarlijk dan het eerste.

De Heilige Geest, Die Zelf de Auteur van het Woord is, werkt altijd door Zijn Woord. Hij kan te dezen Zichzelf niet verloochenen.

Wanneer God nu Zijn volk onderwijst door Woord en Geest, dan wordt het Woord met kracht door de Heilige Geest toegepast aan het hart op een zodanige wijze dat voor hem of haar die dit te beurt valt, er geen twijfel meer overschiet, dat het van de Heere is. Er gaat dan, zoals dat ook wel eens gezegd wordt, kracht van het Woord uit. Paulus zegt, dat het Evangelie een kracht Gods is tot zaligheid voor een ieder die gelooft. Wie dus het getuigenis des Heilige Geestes in zijn hart ervaart, die weet dat hij in het Woord van God, met God Zelf te doen heeft. Dat behoeft natuurlijk niet altijd betrekking te hebben op het „kindschap” waarover gesproken wordt in Rom. 8.

Het gaat in Rom. 8 over een gelovige, die de Heilige Geest tot een Inwoner in zijn hart heeft. En die Heilige Geest getuigt nu met de geest van de gelovige dat hij een kind van God is. D.w.z. de gelovige wordt zich door dit getuigenis van „zijn kindschap” bewust. Dit getuigenis heeft natuurlijk ook plaats door het Woord. Het is geen aparte beleving buiten het Woord om. De Heilige Geest doet dan de gelovige het door het geloof in het Woord verstaan, dat God, om Christus wil, hem tot een kind heeft aangenomen. Dat is een zeer rijke zaak.


Erenamen, al te samen;
Vorstentitels, niets dan schijn.
Niets zo heerlijk, zo begeerlijk,
Dan een kind van God te zijn.


Ik hoop dat hiermede deze zaak voor mijn vrager en voor vele anderen ook wat duidelijker is geworden. Wat in art. 5 van de N.G.B. staat is dus niet precies hetzelfde als wat in Rom. 8 staat. Maar het heeft wel ergens verwantschap met elkander.

Jongelui, als je dit leest, zit je misschien midden in je vakantie. Ik zou zeggen: „Bewaar ook dan het pand” je toebetrouwd, en zie voor de krant een abonnee te winnen. Met een hartelijke vriendengroet jullie

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.