+ Meer informatie

HET GOED RECHT VAN DE KERK

3 minuten leestijd

Er verscheen begin 2009 op het gebied van het kerkrecht een dik boek, dat eerder verschenen boeken actualiseert en verbreedt: het boek van de hoogleraar kerkrecht en oecumene aan de Protestantse Theologische Universiteit L.J. Koffeman – jarenlang was hij deelnemer aan het Contactorgaan Gereformeerde Gezindte (COGG), in de tijd dat de Gereformeerde Kerken in Nederland van dit platform deel uitmaakten. Koffeman put uit collegestof die hij met studenten in Utrecht, Kampen en Leiden heeft gedeeld. Dat delen mag men ook als een over en weer zien: ‘hun inbreng draagt bij aan de actuele betekenis die dit boek kan hebben voor predikanten en theologisch geïnteresseerde gemeenteleden’, zo is op de achterkant te lezen. Om op de openingszin van dit Profiel terug te komen: ik doel op boeken als W. van’t Spijker e.a., Inleiding tot de studie van het kerkrecht, inmiddels 17 jaar geleden verschenen, waar duidelijk is dat de kerkelijke kaart inmiddels ingrijpend veranderd is, en Van Drimmelen e.a., Kerk en recht, dat gekenmerkt wordt door een sterk juridische insteek (ze worden genoemd op blz. 25).

Daarmee betreden we meteen ook een vraag die bij velen leeft: hebben theologie en kerkrecht wel zoveel met elkaar te maken? Voor velen – ook predikanten – is de kerkorde een boekje dat meer te maken heeft met wetten en regeltjes, zoals in het burgerlijk recht, dan met theologie en Schriftbeschouwing. En toch is dat een vergissing. Het boek zet met deze vragen in, en men mag hopen dat verwerking van het gebodene een geestelijker zicht op het kerkrecht in den lande bewerkstelligt. Niet alleen in de PKN (het is te begrijpen dat veel thema’s concreet gemaakt worden vanuit de kerkorde van die Kerk), maar ook in andere kerken – met regelmaat worden ze genoemd: ergens tussen de Rooms-Katholieke Kerk en kerken binnen de gereformeerde gezindte. De PKN heeft met recht en reden een belijdende kerkorde. Dat is uit de hele opzet ervan duidelijk, en wel ‘ondubbelzinnig’, zo wordt terecht op blz. 22 gesteld. Terzijde merk ik op dat in de discussies om ds. K. Hendrikse blijkt hoe weerbarstig de praktijk van dat alles is, maar dat is een ander verhaal. Maar niet de PKN alleen heeft zo’n K.O: dit geldt ook kerken die een kerkorde hanteren die rechtstreeks teruggaat op de Dordtse Kerkorde van 1618-’19.

Hoe dit alles dan in een kerkordelijk raam wordt gegoten, wordt duidelijk uit deel I hoofdstuk 4: ‘Kerkstructuren’. Binnen de bekende vier (episcopaal, consistoriaal, congregationalistisch en presbyteriaal-synodaal) wordt de keuze voor de laatste gemotiveerd; tegelijk worden de risico’s erbij benoemd.

Vanuit deze theologische stellingname in deel 1 trekt de auteur vervolgens lijnen naar allerlei kanten. Zo komt in deel II grond en wezen van de Kerk aan de orde, met aandacht voor het liturgisch kerkrecht (het gaat daarin immers o.a. over erediensten, doop en avondmaal?), de gemeente en het ambt. Deel III werkt de in deel I al genoemde gedachten over het oecumenisch kerkrecht uit, en ten slotte is in deel IV aandacht voor de kerk in het Nederlands recht e.d.

n.a.v. Leo J. Koffeman, Het goed recht van de kerk. Een theologische inleiding op het kerkrecht. Uitg. Kok Kampen 2009, 366 blz., €34,90.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.