+ Meer informatie

Geestelijke gevaren

12 minuten leestijd

Wat bedoelen we?

Het dient vooral voor ambtsdragers duidelijk te zijn, dat er tal van gevaren zijn die de gemeente in haar bestaan en welzijn bedreigen.

Dit is geen nieuwe zaak. Zolang de gemeente bestaat is dit kwaad er, al kent het in de loop der tijden zijn wisselingen in de openbaring er van.

De prediking heeft er mee te doen. Zij heeft bepaalde geestelijke gevaren concreet aan te wijzen en er tegen te waarschuwen. Men denke hier aan de prediking van Jezus Christus aan de zeven gemeenten van Klein-Azië.

Ook de ambtsdragers in het huisbezoek hebben met dit kwaad te doen. Zij kunnen geestelijke gevaren ontdekken, die invloed oefenen en schade doen in het leven van de enkeling en ook van de gemeente. Er dient dan onderwezen en gewaarschuwd te worden juist omdat men veelal zich de gevaren niet bewust is en er dus ook niet tegen strijdt.

Toen Jezus eens aan een bezetene zijn naam vroeg antwoordde deze dat hij „legio” genoemd kon worden. Hetzelfde zou men ook van de geestelijke gevaren, die de gemeente in haar geheel en elk van haar leden bedreigen, kunnen zeggen. Zij zijn vele en gevarieerd. Het is daarom moeilijk er een catalogus van op te stellen.

Er zijn gevaren aan te wijzen, die zich openbaarden als een bepaald systeem van denken ten opzichte van de openbaring van Gods heil. Men denke hier aan gevaren, die in de geschiedenis grote invloed gehad hebben als Judaïsme en Gnosticisme waarbij vanuit het Jodendom en de Griekse wereld het verstaan en recht beleven van het evangelie belemmerd en verstikt werd. De strijd hiertegen staat op de achtergrond van het N. Testament.

Er is ook een groep van gevaren aan te wijzen, die voortvloeien uit een eenzijdig verstaan en beleven van de openbaring van Gods heil. Dr. A. Kuyper Sr. gaf in 1901 zijn boekje „De drie kleine vossen”, waarin hij achtereenvolgens het intellectualisme, het mysticisme en het practicisme als eenzijdigheden signaleerde, die met hun uiterste consequenties veel kwaad gedaan hebben en dit nog doen. Het eenzijdig nadruk geven aan het hoofd (denken, rede) aan het hart (gevoel) en aan de hand (het doen) is telkens in het christelijk leven een geestelijk gevaar.

Tenslotte is er een groep van bepaalde invloeden, eenzijdigheden en misvattingen. die belemmerend, verhinderend, je. verwoestend werken, in de persoonlijke verhouding tot God, Die zijn openbaring ons geeft en zijn heil ons verkondigt en wil deelachtig maken.

Hier gaat het niet om een bepaald denksysteem (een stelsel) ook niet om bewust beleefde opvattingen maar om een bepaalde, veelal persoonlijke instelling en reactie op de heilsopenbaring Gods in Christus Jezus. waaronder men leeft en waarmede men ook wel op een bepaalde wijze bezig is. Deze gevaren mogen dan niet zo aanwijsbaar zijn als de bovengenoemde groepen, zij zijn niettemin even werkelijk en oefenen niet minder schadelijke invloed uit in het geestelijk leven. Zij staan in meer dan één opzicht het verstaan — het leven uit — en de vreugde over het heil Gods in de weg. Het is op enkele van deze geestelijke gevaren dat ik wil wijzen. Ik beoog daarbij in geen enkel opzicht de volledigheid, maar, door op enkele te wijzen wil ik het besef verlevendigen dat zij er zijn en dat ook deze gevaren volle aandacht van de ambtsdragers dienen te hebben. Zij toch begeren en zoeken in hun arbeid de welstand en het welzijn van de gemeente Gods.

Oorsprong en achtergrond

Er is op deze aarde een strijd gaande tussen de waarheid en de leugen. Dit is in het algemeen zo maar vooral ook rondom de openbaring van de waarheid Gods. Gods waarheid wil ons onder haar macht brengen. Zij wil triumferen en ons vrijmaken. Het gevaar bestaat nu dat allerlei factoren dit, zo al niet verhinderen, dan toch belemmeren. Ik noem enkele:

1. De vader der leugen, de duivel, speelt hierin een grote rol. Het is een merkwaardig verschijnsel dat waar men voorheen achter alles wat vreemd was de invloed van de satan vermoedde en zocht, hij nu bijna niet meer ter sprake komt. Zeer ten onrechte echter.

De vader der leugen is de grote vijand van de God der waarheid en van de behoudenis van de mens.

Petrus schrijft dat hij bruut optreedt, als een briesende leeuw maar ook sluw en misleidend wanneer hij zich voordoet als een engel des lichts. Paulus schrijft dat zijn listen ons niet onbekend zijn. Waar en hoe ook, hij zal alle krachten aanwenden om de kracht der waarheid, die vrij maakt, te verhinderen. Kan het niet met de aperte leugen dan door het verdraaien, verkeerd verstaan of de schijn van de waarheid. Met behoud van zijn doel beoefent deze vijand een bizonder grote aanpassing.

2. De tegenstander Gods heeft een sterke aansluiting in het hart van de mens. O. en N. Testament zijn vol van typeringen van de boosheid, de dwaasheid, de diepte, de arglistigheid van onze innerlijke existentie (het hart). Zij zegt: Wie zal het kennen? Zij waarschuwt tegelijk: Behoed uw hart boven al wat te behoeden is want daaruit zijn de uitgangen des levens! In het hart leeft geen tegenstand tegen de godsdienst — zeker niet bij kerkelijke mensen — maar wel tegen de onttroning van het eigen ik, het in de kinderlijke vreze Gods de Here te voet vallen en het alleen leven van de onverdiende genade en het heil Gods.

Misleid door het boze hart is de mens op eigen wijze bezig met de waarheid en het heil Gods. Een voorbeeld: De gelijkenis van de twee bouwers. Zij waren in veel het eens en één maar in het eindresultaat bleek dat het verschil radicaal en totaal was. En toen was het te laat voor correctie.

3. Andere factoren. Ik noem in het kort.

a. Een onduidelijke prediking, die geen licht geeft over de wijze, waarop de ware vreze Gods beleefd wordt en waarin de schijn daarvan niet „ontdekt” wordt. Dan worden de geestelijke gevaren niet onderkend en de strijd ertegen wordt niet geleerd.

b. De wijze spreukenzegger schrijft: (28 : 17) ijzer wordt scherp door ijzer en een man maakt het aangezicht van zijn naaste scherp. Prof. Gispen schrijft: „Deze spreuk zegt, dat de omgang van de ene man (mens) met de andere vormend werkt”. Wanneer er weinig omgang, weinig eerlijk en open gesprek is over de vreze Gods in het licht van de Schrift, wordt de één niet gescherpt door de ander. Elk kan dan in de sfeer van eigen denken blijven, zonder dat misvattingen, eenzijdigheden enz. enz. aan het licht komen en de gevaren, die daaraan kleven niet gezien worden.

c. Traagheid is ook een factor die geestelijke gevaren bevordert. Men zoekt dan niet te verstaan wat de Schrift zegt over de weg tot — het leven uit — en de vreugde door het heil dat God geeft en waaruit het geloof, door de H. Geest leert leven. Men kan wel zeggen dat onkunde uitkomend in gebrek aan geestelijke onderscheiding, altijd geestelijke gevaren bevordert.

Voorbeelden

Na de boven gegeven algemene opmerkingen mogen ter illustratie enkele geestelijke gevaren genoemd worden. Ik geef een vijftal.

1. Een vage christelijkheid.

Hierbij valt de nadruk op ons onderhouden van een zekere godsdienstigheid. Wat wij doen — of niet doen — wordt heimelijk de grond waarop wij „geestelijk” rusten. Niet dat wat wij doen van geen betekenis is, maar dit moet (mag) vrucht zijn van ons kennen van — en ons leven uit het heil Gods. Een theologische omschrijving zegt: Alle imperatieven rusten in indicatieven Gods, m.a.w. wat gezegd wordt (bevolen) wat wij doen moeten moet voortkomen uit wat God eerst gedaan heeft, voor ons zowel als in ons.

Men komt tot deze vage christelijkheid, omdat wij mensen enerzijds behoefte hebben aan een zekere godsdienstigheid en anderzijds tegenstanders zijn van het leven uit de genade Gods. Bij deze gevaarlijke gesteldheid rusten wij ten diepste in eigen bestaan. De Here kan niets aan ons kwijt en wij dringen Hem het onze op.

2. Logicisme.

Weer een gevaar, waarbij ons dwaze hart ons misleidt. Een bepaalde vorm van intellectualisme (verstandelijkheid). Men leeft dan bij conclusies, die men uiteraard niet uitspreekt, maar in zijn innerlijke overleggingen wel trekt. Men doet dit b.v. op de volgende manier: Ik ben verbondskind dus …; ik ben meelevend kerklid dus …; Christus is voor zondaren, ik ben een zondaar dus …; ik ben ziek geweest, heb ernstig gebeden en ben verhoord dus … Hier wordt op een bepaalde wijze naar zekerheid gezocht. De algemene stelling, die men daarbij poneert kan verschillend zijn maar altijd zoekt men tot een bepaalde conclusie over zichzelf te komen. Men zoekt een denkmatige zekerheid. Dit verstandelijke zoeken is net niet verstandig genoeg om de fout van het zo bezig zijn te doorzien. De fout is nl. dat de waarheid van het eerste niet logisch de waarheid van het tweede waarborgt. Een vorm van zelfbedrog, die gevaarlijk is.

Er is verschil tussen een beredeneerde geloofsbewustheid (een vorm van zelfsuggestie) en een door Gods Woord en Geest gewerkte geloofsvervrijmoediging, die de overtuiging van de echtheid in zich draagt.

3. Vanzelfsprekendheid.

Dit gevaar van de vanzelfsprekendheid van het christen zijn hangt samen met en wordt bevorderd door een tweetal theologische gedachten, die meer invloed hebben dan wij ons bewust zijn.

De eerste is de gedachte van de alverzoe-ning. Heel de wereld, heel de mensheid is in Christus behouden; het ongeloof is dan zo ongeveer een onmogelijke mogelijkheid. Een andere theologische gedachte, die de laatste tijd nogal aan invloed gewonnen heeft, is die van de corporatieve persoonlijkheid. Het deelhebben aan het verbond, aan de gemeente, aan Christus (denk aan Joh. 15) waarborgt zonder meer persoonlijk deelgenootschap aan het heil. Bij dit voorondersteld deelgenootschap aan de heilsgoederen komt het persoonlijk werkzaam zijn daarmede niet aan de orde en wordt daarover niet gesproken.

4. Het minimale.

Een nog al eens herhaald gezegde van een oud-voorganger onzer kerken was: ,.lk behoef niet vooraan te staan als ik maar mee mag gaan”. Een sympathiek gezegde dat van grote bescheidenheid getuigt. Toch kan de tevredenheid met het minimum in geestelijke zaken een gevaar worden wanneer dit leven bij het geringste vaste regel wordt en verstaan wordt als het hoogstbegeerlijke. De Schrift zegt dat er veel te ontvangen is uit de rijkdom en de volheid des heils, er is zekerheid en vreugde, opwas in de kennis en de genade van Jezus Christus. Zeker, kruimels zijn ook brood maar daarvan alleen wordt men niet volwassen. De Schrift spreekt van hen, die bij de melk willen blijven en aan het vaste voedsel niet toekomen. Het kind mag (moet) groeien tot de volwassenheid. Dat is ook nodig om inderdaad aan het volle leven met bewustheid te kunnen deelnemen, te getuigen en te strijden en vruchten te dragen. De opwekking daartoe, het leiden daarheen, de opvoeding daartoe mag in de geestelijke bearbeiding niet ontbreken. De Here is gewillig om veel te geven.

5. Traditionalisme.

Wij spreken meest van traditie en traditio nalisme (leven bij het overgeleverde) wanneer het de levensstijl betreft. Er is ook een traditioneel element in het spreken over geestelijke zaken. Men heeft dan een stereotype wijze van denken en spreken daarover, vaak gepaard met een sterk schematische uitstippeling van wat er alzo ervaren wordt (moet worden) op de weg, die ten leven leidt. Dit kan napraat worden.

Men bedenke dat deze traditioneel geworden voorstellingen niet ontstaan zijn in de bloeitijden van het geestelijke leven maar juist in tijden dat dit ging ontbreken. Het schema werd dan opgesteld als ideaal en ging dan gemakkelijk als „wet” fungeren. Bloeit het leven echt en rijk dan heeft het geen schema nodig.

Wordt het schema over het leven gezien als het ideaal dan gaat men daarover spreken in de wensende vorm (mocht het eens …) Dit is vaak goed bedoeld maar kan ook zijn oorzaak vinden in het leven bij iets anders dan bij de beloften en onderwijzingen des Heren. En dat is een gevaar.

Gevolgen

Wanneer deze geestelijke gevaren (en vele andere) niet worden gezien en niet met wijsheid en liefde worden aangetoond en bestreden, richten zij veel schade aan. Een schade, die een eeuwig gemis kan brengen of een geestelijke onvolgroeidheid tot gevolg kan hebben.

Laboreren aan deze kwalen brengt mee dat men ze hoe langer hoe moeilijker ziet en het innerlijk verzet tegen het er van verlost worden steeds sterker wordt. De wortels van dit verzet schuilen in ons boze hart dat ons verleidt.

Een ander gevolg is dat de Here de volheid van zijn heil aan ons niet kwijt kan. Er is geen echte bekering tot Hem. En zo er al een beginsel des geloofs is, draagt het niet die vrucht, die het zou kunnen hebben. De onderwijzing van het Woord Gods in al zijn rijkdom gaat aan ons voorbij, het raakt ons niet.

Er komt geen geestelijke onderscheiding omtrent datgene wat wij behoeven noch van al wat in Christus Jezus geschonken is. De geestelijke wijsheid ontbreekt.

Er kan ook geen geestelijke vrijheid en blijheid zijn, die leeft uit wat de Here is en geeft.

Een kwijnend bestaan, waarin het geloof. de liefde en de hoop niet leven is geen aanbeveling naar buiten.

Medicijn

Het medicijn tegen deze geestelijke gevaren ligt niet in een subtiele ontleding van de kwalen. Dat wordt een spitsvondige analyse zonder uitzicht.

De ontdekking van de gevaren en hun genezing zal vanuit de overmacht der waarheid Gods kunnen geschieden. In Zijn licht zien wij het licht maar ook de duisternis en de dwaasheid en het verzet.

Men wijze in de ambtelijke bearbeiding bij deze gevaren op de wondere bereidwilligheid van de Drieënige God om alles voor ons te zijn. Hoe pover staat daartegenover alles waarmede wij ons zoeken te rechtvaardigen en overeind te houden.

Wie de Here kinderlijk te voet valt leert Zijn wegen en Hij leert ook daarop te gaan.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.