+ Meer informatie

“GEESTELIJK LEVEN VAN EEN AMBTSDRAGER” *)

14 minuten leestijd

Mannenbroeders, mij is gevraagd een inleiding te houden over het geestelijk leven van een ambtsdrager. Nu verschilt het geestelijk leven van een ambtsdrager niet van dat van een ander gemeentelid. Ik bedoel dit, dat ons geestelijk leven gewerkt en onderhouden moet worden door de Heilige Geest. Wel is het zo dat een ambtsdrager meer in het spanningsveld zit van de geestelijke strijd en een dienende taak heeft in het koninkrijk van God. En dat betekent dat hij persoonlijk, maar ook ambtelijk vanuit Gods Woord de kudde des Heeren moet en mag leiden door deze aardse levenswoestijn en daarom persoonlijk maar ook ambtelijk zijn leven in de handen des Heeren mag overgeven om dagelijks kracht en wijsheid te mogen ontvangen om in de vreze des Heeren te mogen leven met de bede: “Heere, wat wilt Gij dat ik doen zal, want in mijzelf ben ik onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad”. Dit geeft een aangebonden leven aan de genadetroon des Heeren en is een kenmerk van geestelijk leven dat wij, onder inwachting van de hulp des Heeren, met elkaar wat nader zullen bezien.

Om het geheel wat overzichtelijk te houden zullen we dit onderwerp splitsen in vier gedachten:

ten eerste - het persoonlijk geestelijk leven

ten tweede - het geestelijk leven in het ambt

ten derde - het geestelijk leven in het gezin

ten Vierde - het geestelijk leven in de maatschappij.

Ten eerste dus het persoonlijk geestelijk leven van een ambtsdrager.

Voorop willen wij stellen: kan iemand ambtsdrager zijn zonder geestelijk leven? En hiermee bedoeld ik zowel predikant als ouderling en diaken. Want wil het goed zijn dan worden voor het ambtelijk werk bekwame eigenschappen vereist (zie 1 Tim. 3). Maar bovenal geestelijk leven; hiermee bedoeld ik dat de Heilige Geest ons heeft bearbeid, zodat wij onze doodstaat gaan inleven en ons heil en zaligheid buiten onszelf in de Heere Jeuzs Christus hebben gevonden. In welke mate? Dat kan bij een ieder onzer verschillen, als er maar geestelijk leven als vrucht uit het zaad der wedergeboorte in ons wordt gevonden, want hoe zouden wij in eigen kracht ons ambtswerk kunnen verrichten als de Heere de liefde en toewijding niet schenkt? Daarbij kenmerkt het geestelijk leven ook strijd, want de Heere Jezus heeft het zelf gezegd: “Die Mijn discipel wil zijn, neme dagelijks zijn kruis op en volge Mij” (Lukas 14:27).

Dat wil zeggen dat wij in ons persoonlijk geestelijk leven met een driehoofdige vijand, de duivel, de wereld en onze oude adamsnatuur, te strijden hebben. En hoewel wij uit Gods Woord mogen weten dat de vorst der duisternis is overwonnen, toch kan hij een kind des Heeren nog benauwen. Daarbij komen de wereldse verleidingen die het geestelijk leven trachten te verstikken. Bovendien wordt een kind des Heeren de tweemens in zichzelf gewaar, de oude adamsnatuur die ook na ontvangen genade nog zo op kan spelen, zodat wij het met Paulus moeten belijden: dat, als ik het goede wil doen, het kwade mij bijligt (Rom. 7:21). Dit geeft een voortdurende strijd in het geestelijk leven van een gelovige, maar zeer zeker in dat van een ambtsdrager omdat de duivel en de antichristelijke machten het werk in Gods koninkrijk afbreuk willen doen. Maar nu is het zo rijk dat wij die strijd niet in eigen kracht behoeven te strijden want we mogen zien op de grote Voorloper, de overste Leidsman en Voleinder des geloofs, Jezus, dewelke voor de vreugde, die Hem voorgesteld was, het kruis heeft verdragen en de schande veracht en is gezeten aan de rechterhand van de troon van God (Hebr. 12:2). Die het Zijn discipelen en daarin al Zijn volgelingen heeft beloofd: “Ik ben met ulieden, al de dagen, tot aan de voleinding der wereld” (Matth. 28:20). En in deze troost mogen wij met al de noden van ons persoonlijk geestelijk leven bij de Heere schuilen en al ontzinkt ons soms de moed, als wij zien op de ontkerstening van ons land en volk tot in het kerkelijk leven toe, toch mogen wij steeds weer krachten putten voor ons geestelijk leven en ambtelijk werk door in het gebed de toevlucht te nemen tot de Heere Jezus Christus, de Koning der kerk, die Zijn dienstknechten toeroept: “Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven” (Matth. 11:28). Ook Paulus kon hiervan getuigen toen hij bad om verlost te worden van die scherpe doom in zijn vlees namelijk een engel van de satan die hem met vuistslagen sloeg, waaruit we onder anderen mogen veronderstellen dat hij veel aanvechtingen had, die hem in zijn ambtelijk werk belemmerde enerzijds en hem anderzijds bewaarde voor zelfverheffing, want ook na ontvangen genade moeten wij ervoor bewaard worden om niet in hoogmoed of eigengerechtigheid onze weg te gaan maar steeds weer van onze dagelijkse zonden verlost te worden. Daarom moest Paulus - en ook wij - er steeds weer bij bepaald worden wat de Heere tot hem sprak: “Mijn genade is u genoeg, want Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht” (2 Kor. 12:17-19).

Ons geestelijk leven is geen vrucht van eigen akker maar een genadegave van God waardoor Hij een gelovige, maar in het bijzonder een ambtsdrager, dagelijks weer zijn afhankelijkheid van de bearbeiding door de Heilige Geest doet ervaren voor instandhouding van zijn persoonlijk geestelijk leven.

Als tweede punt zouden wij iets zeggen over het geestelijk leven in het ambt.

Zoals we gezien hebben is een eerste vereiste dat we persoonlijk geestelijk leven kennen en in alles de Heere van node hebben. En dit geldt zeker in het ambtelijk werk; want wie is tot deze dingen bekwaam?

In het ambtelijk werk worden we in deze geseculariseerde samenleving geconfronteerd met vele materiële zaken en dat is nodig, maar daardoor mag het geestelijke niet op de achtergrond geraken. Men kan wel eens moedeloos worden over al die zaken, die op kerkeraadsvergaderingen behandeld moeten worden, want hoe groot de tijdelijke noden ook mogen wezen, het eeuwige belang van de gemeente moet ons zwaar wegen. Dit is ook een kenmerk van het geestelijk leven van een ambtsdrager, dat het zieleheil van de aan hem toevertrouwde gemeenteleden hem ter harte gaat. En wat is het dan een groot voorrecht dat men vanuit Gods Woord op huisbezoeken of in andere gesprekken kan vertroosten, bemoedigen, vermanen, onderwijzen, opwekken en ondersteunen en, indien nodig, ook vanuit eigen geestelijk leven mag getuigen van het heil, door de Heere Jezus Christus verworven.

De praktijk van het ambtelijk leven is, dat men vaak tegen de huisbezoeken opziet en zijn eigen onbekwaamheid en onwaardigheid inleeft. Toch wordt men soms wonderlijk ondersteund. Dit vraagt wel een nabij leven aan de troon der genade, want geestelijk leven, in welke mate dan ook in de ziel aanwezig, verlangt steeds weer naar geestelijk voedsel en de Heere heeft het gezegd in Zijn Woord: “Want zonder Mij kunt gij niets doen” (Joh. 15:5).

Een belangrijke taak van een ambtsdrager is ook het toezien op de leer. Vooral in deze tijd van geestdrijvers, wereldgodsdiensten, occulte machten, schriftverdraaiingen en wat er ook maar meer mag wezen om Gods Woord te ondermijnen en zo mogelijk te laten verdwijnen, is het zo noodzakelijk om Gods Woord te onderzoeken. Dit tot zegen van ons persoonlijk geestelijk leven maar ook tot stichting van de gemeente. Want de duivel gaat rond als een briesende leeuw, maar ook als een engel des lichts. Daarom zegt de Heere Jezus dan ook tot Zijn discipelen: “Waakt en bidt, opdat gij niet in verzoeking komt” (Matth. 26:41). In de brief aan de gemeente van Philadelphia lezen wij dat de Koning der kerk zegt: “Want gij hebt kleine kracht en gij hebt Mijn Woord bewaard, en hebt Mijn Naam niet verloochend, maar omdat gij het woord Mijner lijdzaamheid bewaard hebt, zo zal Ik ook u bewaren uit de ure der verzoeking die over de gehele wereld komen zal, om te verzoeken die op de waarde wonen” (Openb. 3:8 en 10). Daarom breeders, wees waakzaam, laat u Gods woord niet ontnemen. Ziet toe dat het Woord Gods als een tweesnijdend scherp zwaard gehanteerd wordt, opdat de gemeente niet als de dwaze maagden inslaapt op droggronden, maar wakker geschud wordt door de zuivere bediening van Gods Woord, wat het zaad der wedergeboorte is en moet vallen in een weltoebereide aarde.

Veel zou nog te zeggen zijn breeders over de noodzakelijkheid van het persoonlijk geestelijk leven in het ambtelijk werk, maar we zijn hier als ambtsdragers bijeen en een ieder zal in zijn eigen omstandigheden hier nog veel aan kunnen toevoegen, maar het belangrijkste is dat we ingeënt mogen wezen op de ware wijnstok Jezus Christus en vanuit Hem onze geestelijke levenssappen mogen betrekken” (Joh. 15:4).

En al worden wij dan ook gesnoeid en beproefd, het is om meer vruchten te mogen dragen in ons persoonlijk en ambtelijk leven maar bovenal tot eer van God en uitbreiding van Zijn koninkrijk.

Ons derde punt was het geestelijk leven van een ambtsdrager in zijn gezin, want ook het gezinsleven is nauw betrokken bij het ambtelijk werk.

Hoeveel uren moet een ambtsdrager uit de beslotenheid van zijn gezin vaak besteden in het ambtelijk werk. Vooral in de wintermaanden moet veel overgelaten worden aan moeder de vrouw, die ook haar taak in het gezin alleen kan volbrengen in afhankelijkheid van de Heere. Wat is het dan een voorrecht als man en vrouw, maar ook de kinderen iets mogen kennen van het geestelijk leven, want alleen in die kracht kan ook in het gezin de vreze des Heeren worden beleefd. Het gezin van een ambtsdrager staat, zoals wel eens wordt gezegd, in een glazen kastje. Er wordt nauwlettend op toegezien, en terecht. Want hoe zouden we opzicht over de kudde kunnen hebben, als we zelf een siecht voorbeeld geven; daarom is het zo noodzakelijk dat we in gezinsverband bidden om de bewarende hand des Heeren, opdat we leven mogen tot Zijn eer en niet opgaan in de dingen van deze wereld. Dit vraagt veel zelfverloochening maar ook tact en wijsheid, vooral in een gezin met opgroeiende kinderen. Alleen in die afhankelijkheid van de Heere kunnen we onze kinderen erop wijzen waarom een christen geen tv in huis haalt, niet meedoet aan modeverdwazing, geen lectuur in huis haalt die zedebedervend is, kortom alles van ons weren wat in strijd is met Gods Woord en inzettingen. Want we leven in een tijd waarin op het gezinsleven van alle kanten aanvallen worden gedaan. Het gezin is de kern van de samenleving en de duivel is eropuit om verwarring te stichten en hij gebruikt ook de geestelijke verwording en wereldgelijkvormigheid om juist de christelijke gezinnen te ondermijnen. Daarom is het zo noodzakelijk om bescherming bij de Heere te zoeken en vervuld te worden met de Heilige Geest zodat wij evenals Jozua, in wie wij een prachtig voorbeeld zien van het geestelijk leven van een ambtsdrager, mogen belijden: “Maar aangaande mij en mijn huis, wij zullen de Heere dienen” (Jozua 25:15).

Het is opvallend dat in de Bijbel veel over gezinnen wordt gesproken, helaas ook over gezinnen waar de vreze des Heeren wordt gemist. Meestal was dit een gevolg van het afwijken van de paden des Heeren. De 128e psalm geeft een mooie vertolking van de weldaden des Heeren, als men leeft in de vreze des Heeren. We lezen daar: “Want welgelukzalig is een iegelijk die de Heere vreest, want gij zult eten de arbeid uwer handen. Welgelukzalig zult gij zijn en het zal u welgaan. Uw huisvrouw zal wezen als een vruchtbare wijnstok aan de zijden van uw huis, uw kinderen als olijfplanten rondom uw tafel. Ziet, alzo zal zekerlijk die man gezegend worden die den Heere vreest” (Psalm 128:1-4).

Nu zult u wellicht opmerken, ja, dit zijn gezegende omstandigheden, maar als nu ziekte, werkeloosheid, sterfgevallen enz. ons gezin binnentreden, wat dan? Ja, dan is het voor het tijdelijk leven zeer moeilijk te verwerken, maar denk nu eens aan David. Ook een ambtsdragers van wie we in de psalmen veel van zijn geestelijk leven kunnen opmerken. Veel moeite, veel verdriet, ja eens bij Ziklag is hem alles ontnomen. Maar dan lezen we telkens hoe hij na een bange zielenstrijd van schuldverslagenheid en verootmoediging zich toch weer aan de Heere mocht toevertrouwen. Zo zien we dat ook in het gezinsleven van een ambtsdrager het geestelijk leven alleen de ware zielenvreugd kan geven, ondanks alle moeite, zorgen en tekortkomingen die ons dagelijks omringen.

En nu ten laatste ons Vierde punt, het geestelijk leven van een ambtsdrager in de maatschappij.

Dit vraagt heden ten dage veel moeite en strijd. De normloosheid en het materialisme vieren hoogtij. In het maatschappelijk leven worden de geboden des Heeren met voeten getreden. Maar daarin leeft een ambtsdrager wel die, als het goed is, dagelijks zijn ziel kwelt bij hetgeen hij hoort en aanschouwt, gelijk we ook lezen van Lot in Sodom die vermoeid was van de ontuchtige wandel der gruwelijke mensen (2 Petr. 2:7). En toch mogen we dan steun hebben aan het geestelijk leven, al lijkt het soms dat de geest uit de afgrond het voor het zeggen heeft. Maar dat is nu juist de kracht van het leven met de Heere, dat we niet meedoen, maar door woord, en meer nog door de daad, laten blijken dat wij een andere Koning toebehoren en in Zijn wijngaard mogen werken. Voor een ieder van ons ligt dat weer anders en is er maar één norm aan te geven, dat wij, onder welke omstandigheden wij in de maatschappij ons werk moeten verrichten, Gods Woord als een lamp voor onze voet en als een licht op ons levenspad laten schijnen (Psalm 119:105). Gods Woord geeft ons ook voorbeelden van kinderen des Heeren die onder moeilijke omstandigheden moesten werken. Denk aan Jozef in het huis van Potifar, aan Mozes aan het hof van Farao, Obadja aan het hof van Achab en de goddeloze Izebel, Daniël en zijn drie vrienden in Babel. Hoe moeilijk de omstandigheden ook waren, ze deden trouw hun werk en vertrouwden zich vooral toe aan de Schepper van hemel en aarde, Die alles bestuurt naar Zijn Goddelijke raad en wil en steeds weer wonderlijk uit- en doorhelpt.

We zien in alles dat wij in een gebroken maatschappij leven waar de zondeval zijn verwoestende werking doet en daarom is het een zegen, dat wij weten dat boven dit aards gewoel, zowel op kerkelijk, maatschappelijk als politiek terrein, de Koning der Koningen en de Heere der Heeren regeert en alles heenstuurt naar de grote toekomst waar alle duivelse machten en invloeden zullen zijn weggevaagd, waar God zal zijn “Alles en in allen”.

Geve de Heere dat wij allen mogen behoren bij dat volk dat de Heere Zich ten erve heeft uitverkoren, vrijgekocht door het zoenoffer van de Heere Jezus Christus. Een volk dat hier op aarde zowel in persoonlijk als ambtelijk leven veel strijd en moeite moet verwerken maar ook deel heeft aan het geestelijk leven, waardoor het, ondersteund door de Heilige Geest, van kracht to kracht voortgeleid wordt.

Daarom is het zo nuttig dat wij vanmiddag met elkaar mogen nadenken over het geestelijk leven van een ambtsdrager. Ik heb maar iets kunnen aanstippen, want wie is bekwaam om het Zielenleven te peilen? De Heere is de hartekenner en Hij weet wat een ieder nodig heeft.

Geve de Heere ons broederlijke eensgezindheid en een goede bespreking.

Zingen wij nu met elkaar uit de Morgenzang vers 3, 4 en 6.

Dat wij ons ambt en plicnt, o Heer,
Getrouwd verrichten tot Uw eer,
Dat Uwe gunst ons werk bekroon’,
Uw Geest ons leid’, en in ons woon’!

Zie op ons neder in genâ,
Opdat ons werk voorspoedig ga;
En scheid ons alle misdaân kwijt,
O Heer, Die vol ontfermijng zijt!

Schenk Uwe zegen bij Uw Woord,
Het rijk des satans word’ verstrood,
Sterk leraars, sterk onz’ overheid
In ’t werk, door U hun opgeleidl

*) De schrijver heeft dit onderwerp ingeleid op een classicale conferentie van ambtsdragers in Dordrecht.

Hij is ouderling van de kerk in Sliedrecht (Middeldiepstraat).

Hij is werkzaam geweest in de middenstandssector.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.