+ Meer informatie

Daling aantal belijdende en doopleden zet zich opnieuw voort

Lutherse synode vergadert in Den Haag

6 minuten leestijd

DEN HAAG — Gisteren en vandaag vergaderde en vergadert nog de 174ste synode van de Evangelisch-Lutherse Kerk in het Koninkrijk der Nederlanden in bejaardentehuis „Swaenesteijn" te Den Haag. Gisteren stonden vooral verkiezingen en benoemingen op het programma en bespreking van o.m. de „staat der kerk in 1976". Een deel van de vergadering gisteren was geheim, o.a. over een gedeelte van het verslag der werkzaamheden van de synodale commissie in 1976.

Eén van de eerste daden was uiteraard de verkiezing van een moderamen. Ds. W. Bleij uit Amstelveen, die vorig jaar drs. P. H. G. C. Kok als president opvolgde, werd herkozen evenals de beide vice-presidenten: mevr. E. de Mooi-Wallien en dr. A. Johannes (Amsterdam). In plaats van de overleden eerste secretaris ds. J. Gronloh, die ter synode herdacht werd, werd nu een „leek" gekozen: mr. T. R. Seinstra. De tweede secretaris werd ds. H. Mudde; hij kwam in de plaats van ds. J. A. Roskam uit Den Haag, die geruime tijd deze functie heeft bekleed.

Een andere benoeming, die moest geschieden, was die van de Amsterdamse kerkhistoricus prof. dr. C. W. Mönnich (bij vernieuwing) tot pre-adviseur der synode.

Balans in mineur.

Naast tal van verslagen en rapporten — waarover men ook al van gedachten kon wisselen op de generale kerkelijke vergadering die altijd aan de synode voorafgaat en nu op 7 mei is gehouden — was een van de meest opmerkelijke agendapunten de balans van het Nederlandse Lutherdom. Die „staat van de kerk" is al jaren in mineur getoonzet en ook nu weer sprak ze van teruggang, dalend ledental e.d. Er was een daling van vier procent der belijdende leden: van 18.766 tot 17.930 op 31 december 1976.

Die dalende trend was al enkele jaren zichtbaar, soms met sterkere fluctuaties. In december 1970 was de stand nog: 24.400 leden, maar in 1973 was dit aantal teruggelopen tot 20.100 (een daling van 18 procent ten opzichte van 1970) en in 1976 tot de genoemde 17.930 belijdende leden. (De gegevens van Gouda en Heerlen ontbreken echter).

De statistiek van de doopleden is volgens de opsteller van de ,,staat", M. van Staalduine uit Geldrop iets minder betrouwbaar: per 31 december j.l. waren er 18.900 doopleden (exclusief de gegevens van Haarlem), terwijl dit aantal in 1971 nog 22.800 bedroeg. Een andere statistiek is die over de teruggang van kerkelijke dopen (1971 nog 272, 1976: 165), belijdenissen (resp: 119 en 84), huwelijken (136 en 55) en kerkelijke begrafenissen of crematies (333 tegenover 285 in 1976).

Catechisanten

De vier grootste Lutherse gemeenten hebben qua ledental een flinke teruggang te verwerken gehad; met name Amsterdam waar in één jaar tijd het aantal belijdende leden terugliep van 4703 tot 4423 en de doopleden van 5604 tot 5375. Maar ook in Rotterdam, Den Haag en Utrecht is de toestand niet rooskleurig.

In een aantal kleinere gemeenten was wel weer sprake van een verheugende toename van het aantal catechisanten, maar het saldo als geheel was toch negatief; Den Haag had in 1972 nog 42 catechisanten, maar in 1976 slechts drie. Ook het aantal mannenverenigingen daalde; in de grotere gemeenten bestaan nog wel bijna overal vrouwenverenigingen.

De greep op de jeugd is duidelijk sterk verminderd. Er zijn in nog zestien gemeenten jeugdverenigingen in de oude trant, evenveel als in 1972, maar het aantal jongelui dat erbij betrokken is, is aanzienlijk minder; dat daalde bijv. in Amsterdam van 252 naar 35 en in Rotterdam van 66 naar 14, terwijl ook de kerkkoren in aantal terugliepen.

Vrijzinnig

De „staat van de kerk" laat ook het een en ander zien over de aard van de plaatselijke Lutherse gemeenten. Zoals in tal van kerken zijn er hier ook onderling duidelijke verschillen. Hoewel Lutheranen niet direct scherpslijpers zijn, die elkaar op dogmatisch vlak verketteren, zijn er zeker nuances, soms zelfs duidelijk tegenstellingen.

Zo meldt bijv. de gemeente van Maastricht, dat zij daar volhardend tracht, er de vrijzinnige prediking te continueren, vooral nu er al sinds een kwart eeuw geen Vrijzinnig Hervormd predikant meer staat in deze Limburgse stad. Het leden- en doopledental daar bedraagt nu 32 en 44.,

Daartegenover zou men bijv. — de „staat" vermeldt het niet — een Lutherse gemeente als die van Dordrecht kunnen zetten, met predikant ds. J. Kraima. Ds. Kraima staat tamelijk alleen in Luthers Nederland als een rechtzinnige prediker, die meer contacten zoekt in de richting van bijv. een Amerikaanse Lutherse Kerk der Missouri-synode.

Overigens: nog altijd is wel de oorsprong van een deel der Lutherse gemeenten en predikanten bepalend voor de huidige situatie: een kwart eeuw geleden kwamen zij immers als groep over, toen de Hersteld Evang.-Lutherse Kerk werd opgeheven.

En hoewel er niet gesproken kan worden van een echte beweging van verontrusten in de Lutherse Kerk van ons land, zijn er toch duidelijk meer behoudende sympathieën bij hen die contacten hebben met bijv. de Martin Luther Bund of the Lutherse Leken Liga en die kritiek hebben op de Lutherse Wereldfederatie, waarvan de Nederlandse kerk deel uitmaakt.

Kerkgang

De „staat" meldt ook opmerkelijke zaken ten aanzien van de kerkgang. Deventer constateert een toename tot gemiddeld 60 (bij in totaal 160 belijdende leden), maar Beverwijk daarentegen slechts achttien, bij een ledental van 104.

De gemeente van Naarden-Bussum stelde een verheugende toenadering vast tot de Rooms-Katholieke Kerk en sommige gemeenten tobben met het vervullen van de ambtsdragersposten, terwijl andere er kennelijk bijna teveel hebben. Zo heeft Woerden ongeveer één kerkeraadslid op de tien leden, (elf ambtsdragers), terwijl Utrecht twaalf kerkeraadsleden heeft voor 1041 lidmaten, dus 1,2 per honderd en Amersfoort drie voor 240 lidmaten.

Natuurlijk laat zich niet heel het kerkelijk leven uit deze staat van de kerk aflezen. Van belang waren ook de werkzaamheden van de synodale commissie, waaronder zeer veel organisatorische.

Theologiestudie

Maar de principiële zaken, waarmee deze commissie te maken had waren: theologische overwegingen inzake Kerk-Oude Testament-Israël, de liturgie, de Wereldraad-assemblee van Nairobi, de Raad van kerken in Nederland, de vragen rond intercommunie en ambt en de op handen zijnde reorganisatie van de theologiestudie aan de diverse faculteiten, waarbij het kandidaatsexamen zal komen te vervallen.

Die verandering zal ook betekenis hebben voor het Lutherse Seminarium aan de Universiteit van Amsterdam. (De vraag is nu o.m., of eventueel enkele zogeheten kerkelijke vakken kunnen worden opgenomen in het doctoraal-nieuwe stijl om op die manier het proponentsexamen te verlichten).

Van het vele verslagwerk vermelden we nog slechts dat van de archiefcommissie. De secretaris daarvan, J. L. Klaufus, geeft een schoolvoorbeeld van de mogelijkheid, een luchthartig verslag te schrijven over een zoal niet ernstige dan toch tamelijk saaie aangelegenheid. Ironisch kritiseert hij bijv. de veiling bij Sotheby-Mak van Waay van ouwelschalen uit de Ronde Lutherse Kerk in Amsterdam, waarvan ook het fraaie Batz-orgel ,,door een opeenstapeling van fouten definitief tot zwijgen gebracht is".

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.