+ Meer informatie

Versoepeling beleid hennepprodukten

Onbevredigende drug-wetgeving

9 minuten leestijd

Deze week, woensdags en donderdag', vond In de Tweede Kamer het debat over het te voeren drug-beleid in Nederland plaats. Het gaat er nu op l^ken dat we binnen niet al te lange tijd een nieuwe wetgeving zullen hebben. Daar zijn dan Jarenlange discussies met rapporten, nota's, hoorzittingen, symposia, enz. aan vooraf gegaan.

De in vele opzichten woelige tweede helft van de jaren zestig gaven ook een toenemend gebruik van drugs (tot dan toe werd eigenlijk alleen maar gesproken van verdovende middelen) te zien. Het aantal overtredingen van de Opiumwet van 1928 nam opzienbarend toe. Ter illustratie een paar cijfers. Het aantal onherroepelijke veroordelingen bedroeg in 1964 25, het aantal sepots 14. Tien jaar later in 1974 dus, waren deze aantallen 827 respectievelijk 1254. Tekenend is ook dat het aantal definitieve veroordelingen in 1974 het totaal aantal veroordelingen van 1928 tot en met 1964 (774) ruimschoots overtrof. Daarbij moet dan nog, om een globale indruk te krijgen van het gebruik, bedacht worden dat het klimaat ronddom druggebruik in tien jaar tijds aanzienlijk milder geworden is, hetgeen natuurlijk invloed  gehad heeft op de opsporingsactiviteiten van de politie.

Hetzelfde beeld krijgt men als men de in beslag genomen hoeveelheden drugs vergelijkt. Enerzijds werd aangedrongen op liberalisatie van de drugwetgeving, zelfs op legalisatie van beptialde middelen, anderzijds werd verstrakking van de aanpak voorgestaan.

Een belangrijk moment in de geschiedenis van de herziening van de drugwetgeving was de instelling door Staatssecretaris R. J. Kruisinga (kabinet-De Jong) van de Werkgroep Verdovende Middelen in oktober 1968.

In februari 1972 bracht de Werkgroep het rapport uit „Achtergronden en risico's van druggebruik" (naar de voorzitter van de werkgroep het rapport-Baan geheten) waarin een reeks aanbevelingen gedaan werden met betrekking tot het justitiële beleid, de voorlichting en de hulpverlening.

Op 4 juli 1972 maakte de Minister van Volksgezondheid en Milieuhygiëne L. B. J. Stuyt, deel'uitmakend van de regering-Biesheuvel, het regreringsstandpimt ten aanzien van het rapport bekend en het in afwachting van een regeringsnota te voeren drugbeleid.

Zoals men weet heeft het kabinet-Biesheuvel het slechts kort volgehouden. Aan verdere vormgeving van het drugbeleid kwam het niet toe.

Voorlichting

In een brief aan de Kamer d.d. 4 januari 1974 kondigde Minister Vorrink reeds beleidwijzigingen aan. Deze kregen nauwkeurig gestalte in de Memorie van Antwoord van 20 mei 1975 die vergezeld ging van het wetsontwerp waarover we nu schrijven.

Bij de verdere bespreking van het wetsontwerp dat deze week behandeld is, beperk ik mij tot het justitiële beleid, hoe belangrijk de andere genoemde aspecten voor een effectieve' aanpak van het drugprobleem ook zijn. Uitsluitend justitiële repressie kan onmogelijk de oplossing zijn. Anderzijds mag men geen enkel geoorloofd middel ongebruikt laten om het toenemend druggebruik in te perken.

Zorg voor de medemens ên zorg voor de maatschappij dwingen tot overheidsoptreden, ook langs de weg van de justitie, waarbij rechtspleging en hulpverlening best hand in hand kunnen gaan. Ook ten aanzien van de voorlichting heeft de overheid een taak; zeker zal de wetgever het optreden tegen voorlichting die eerder stimuleert dan terug houdt mogelijk moeten maken. Ik denk o.a. aan de VARA-radiorubriek waarin de zoon van de huidige Minister van Volksgezondheid de beursberichten van drugs wekelijks bekend maakt.

Misschien is het dienstig globaal aan te geven welke de voornaamste wijzigingen zijn die het deze week behandelde wetsontwerp poogt aan te brengen in de huidige Opiumwet.

Vooraf zij nog opgemerkt dat Nederland een van de zestig landen was die in 1961 te New York een verdrag ondertekenden, waarvan blijkens de considerans de dbelstelUng was het nemen van doeltreffende maatregelen 'tegen het misbruik van verdovende middelen door een gecoördineerd wereldomspannend optreden en beperking van die verdovende middelen tot geneeskundige en wetenschappelijke doeleinden. Dit zgn. Enkelvoudig Verdrag zal hieronder nog nader ter sprake worden gebracht.

Wijziging

Het wetsvoorstel wil een differentiatie in strafbedreigring (maximale straffen) invoeren. De huidige wet kent geen differentiatie naar middel of gebruik. De maximale „eenheidsstraf' bedraagt bij opzet 4 jaar gevangenisstraf en anders hechtenis van 6 maanden of geldboete van 3000 gulden.

De differentiatie, die men gewenst acht omdat men meent dat alle inbreuken op de Opiumwet niet van hetzelfde gewicht zijn, wordt voorgesteld aan de hand van een aantal onderscheidingen, zoals:

• Een verschil tussen hard drugs en soft drugs op basis van de aanvaardbaarheid van de risico's die het gebruik meebrengt. Hard drugs zijn de opiaten, de hallucinogenen en wekaminen. Soft drugs zijn de hennepprodukten als mariuana en hasj. Het criterium voor d«ze onderscheiding is de verslavende werking van deze stoffen. Onder verslaving wordt verstaan lichamelijke en psychische afhankelijkheid.

• Bezit voor eigen gebruik in een hoeveelheid onder of boven 30 gram hennepprodukten. Deze grens is gebaseerd op een veel voorkomend gebruikspatroon waarbij ongeveer 7 a 8 gram per week wordt gebruikt en een kleine voorraad voor ± twee weken wordt aangehouden, waarvan de helft voor eigen gebruik is bestemd, en de andere helft wordt weggegeven.

• Verschil wordt gemaakt tussen aanwezig hebben voor eigen gebruik, kleine handel en grensoverschrijdende handel. Met kleine handel wordt de professionele binnenlandse handel bedoeld.

Deze onderscheidingen hebben het volgende effect op de hoogte van de strafbedreiging:

 a) zwaarder kan gestraft worden binnenlandse professionele handel en grensoverschrijdende handel (smokkel) in hard drugs.

 b) lichtere straf staat op het aanwezig hebben (bezit) voor eigen gebruik van minder dan 30 gram hennepprodukten of „een geringe hoeveelheid" hard drugs en op de binnenlandse 'landel in soft drugs.

 c) dezelfde straf blijft mogelijk voor grensoverschrijdende handel in soft drugs.

Nu blijken de onder b) en c) genoemde wijzigingen niet al te grote weerstanden op te roepen. Voor een strengere aanpak van de handelaars is vrijwel iedereen te vinden.

Gebruik

Over de onder a) genoemde wijziging is heftige strijd ontstaan. Enerzijds (van progressieve zijde) eist men dat het gebruik en het bezit voor eigen gebruik geheel buiten het bereik van het strafrecht gehouden wordt. Anderzijds twijfelt men eraan of het terugbrengen van gebruik van misdrijf tot overtreding werkelijk een bijdrage zal leveren aan de bestrijding en voorkoming van het gebruik. Buitendien wordt ook de houdbaarheid van de hiervóór bedoelde onderscheidingen sterk in twijfel getrokken. '

 Nu zijn er vele kritische kanttekeningen te maken bij deze wetswijziging. Ik wil mij nu echter beperken tot het voorstel om het gebruik en het bezit voor eigen gebruik van 30 gram hennepprodukten, als overtreding strafbaar te stellen.

Ook ga ik niet in op die grens van 30 gram, die mi. veel te hoog ligt en bovendien te weinig zegt omtrent de risico's van het gebruik. Men verdedigt het voorstel met de nadelige effecten die vervolging en veroordeling voor de gebruiker kunnen hebben. Men bedoelt dan de niet-verslaafde gebruiker, omdat de verslaafden meer als patiënten gezien worden. Bovendien hebben hennepprodukten, althans theoretisch, geen verslavende werking.

Als men de tussen de regering en parlement gewisselde stukken leest komt men evenwel tot een merkwaardige conclusie. Dan lijkt het vrijwel vast te staan dat het bezit, het gebruik en de handel (zeker als zij niet-professioneel genoemd kan worden — „overdracht van gebruikers onderling" zegt de Memorie van Antwoord) vein hennepprodukten in kleinere hoeveelheden dan 30 gram praktisch vrijgegeven zal worden. Het risico dat men een geldboete subsidiair vervangende hechtenis krijgt moet praktisch op nihil geschat worden omdat de vervolging van deze feiten zo goed als zeker komt te vervallen.

Maar zelfs wanneer deze grens van 30 gram overschreden wordt, is het niet zeker dat tot strafvervolging zal worden overgegaan. Deze twijfel wordt nog gevoed door de opmerking in de Memorie van Antwoord dat in de taak van het opsporingsapparaat verschuivingen zullen optreden en dat het zwaartepunt zal worden verlegd naar de handel in drugs met onaanvaardbaar risico. ,

Verdrag:

Er wordt de schijn gewekt dat men handelt in overeenstemming met het Enkelvoudig Verdrag (E.V.) maar in werkelijkheid wordt daarmee de hand gelicht. Formeel is de wet in overeenstemming met het E.V., maar twijfel rijst of door het vervolgingsbeleid van Justitie de wet materieel inhoud gegeven wordt, m.a.w. of de Minister van Justitie van plan is een reëel vervolgingsbeleid te laten voeren. Die twijfel wordt nog versterkt door de wat spijtig klinkende mededeling van de bewindslieden dat zij •gaarne het gebruik èri bezit voor eigen gebruik geheel uit het strafrecht zouden lichten, maar dat dit vanwege het E.V. nog niet mogelijk is. Ook zeggen zij reeds toe pogingen in het werk te zullen stellen om het E.V. gewijzigd te krijgen.

Mijn hoofdbezwaar is echter van principiële aard. Principieel in de zin van de doelstelling van de wet. De primaire doelstelling van de wet moet toch zijn en kan niet anders zijn dan het beteugelen van het gebruik van O Turkse vrouwen zaaien hier papavers voor de opium-teelt. drugs en anders dan voor medische of wetenschappelijke doeleinden.

Om tactische redenen kan en moet men de handel extra zwaar aanpakken, maar het gaat toch uiteindelijk om (de schadelijke gevolgen van) het gebruik. Daarom is het principieel (in bedoelde zin) moeilijk aanvaardbaar dat de gebruikers praktisch straffeloos zouden blijven. De regering geeft zelf toe dat het gebruik van hennepprodukten geenszins van risico's ontbloot is en dat het gebruik van 30 gram marihuana of hashish risico's oplevert naar gelang de aard van het gebruik en de omstandigheden waarin het gebruik plaats vindt. „De hoeveelheid mag dus zeker niet als onschuldig worden aangemerkt".

Toch willen zij gebruik maximaal als overtreding (maximale straf hechtenis van een maand of geldboete van ten hoogste 500 gulden) strafbaar stellen omdat zij met betrekking tot deze middelen in de eerste plaats een beroep doen op het besef van persoonlijke verantwoordelijkheid.

Dit beroep op persoonlijk verantwoordelijkheidsbesef komt mij uitermate zwak en zelfs enigszins ongerijmd voor. Of men stelt iemand verantwoordelijk en dan ook strafrechtelijk verantwoordelijk óf men acht iemand niet verantwoordelijk voor zijn daden in welk geval een strafoplegging misplaatst moet heten.

Verslaving:

De kern van de drugs problematiek lijkt mij nu juist dat de gebruikers de persoonlijke verantwoordelijkheid trachten te ontvluchten en daarom hun heil zoeken in drugs. Dat lijkt mij ook één van de belangrijkste verslavingsoorzaken.

Ten aanzien van degenen voor wie dit niet geldt, en die uit nieuwsgierigheid of bij wijze van experiment drugs gebruiken en zo welbewust de wet overtreden is er geen reden te bedenken waarom de strafwet in deze gevallen terug zou moeten treden.

Ten aanzien van eerstbedoelde groep kan de strafwet toch altijd nog voor normbevestigende en mogelijk preventieve werking uitoefenen.

Voor al degenen die in drugs vluchten geldt natuurlijk dat strafrechtelijk optreden zondermeer niet alle problemen uit de wereld helpt. Nodig is dat hen gewezen wordt op een beter levensperspectief.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.