+ Meer informatie

Openingswoord landelijke ambtsdragersconferentie in de ichthuskerk te amersfoort op zaterdag 16 april 1988

7 minuten leestijd

De verantwoording van de keuze voor het thema van deze conferentie heeft u allen kunnen lezen in de Wekker van 5 februari 1988. Maar omdat niet alle ambtsdragers van onze kerken de Wekker lezen - ook daarin zit een stuk verarming ben ik geneigd te zeggen - haal ik uit die verantwoording graag enkele dingen aan.

De keuze voor het thema „Verarmt de geloofsbeleving in de reformatorische kerken?” (want dat wordt het) is ingegeven door het grote aantal schriftelijke en telefonische reacties op de geplaatste artikelen onder de titel „De wereld schreeuwt erom ”, waarin het vooral ging om het persoonlijke getuigenis van de gelovigen naar buiten. Veel reacties kwamen hierop neer, dat het met dat getuigenis van reformatorische/gereformeerde christenen niet zo best is gesteld, in tegenstelling tot wat men op dit punt bij christenen uit de charismatische geloofsgemeenschappen waarneemt. Door de meeste briefschrijvers werd als oorzaak genoemd dat het onder reformatorische christenen met de geloofsbeleving naar binnen niet zo goed is gesteld. Die geloofsbeleving is verarmd en verschraald, stelden sommigen. Door steeds méér mensen zou het geloofsklimaat bin nen de reguliere kerken als kil en statisch worden ervaren.

Dáárdoor komt het dat de charismatische geloofsgemeenschappen op veel mensen ook uit onze kerken, zo’n grote aantrekkingskracht hebben. Op enkele plaatsen zou sprake zijn van opmerkelijke en zelfs collectieve overgangen naar deze geloofsgemeenschappen.

Uit alle reacties bleef een aantal heel indringende vragen over.

Wat hebben zij dat wij niet hebben? Te denken valt hier aan de blijmoedigheid, ongedwongenheid, aanstekelijkheid en het collectieve enthousiasme waarmee men binnen de charismatische geloofsgemeenschappen de geloofsgeheimen viert en naar buiten uitdraagt. Zou de oorzaak van wat door sommigen een verarming van de geloofsbeleving in de reformatorische kerken wordt genoemd, voor een deel gelegen kunnen zijn in de omstandigheid dat onze erediensten in het algemeen arm (lijken te) zijn aan mogelijkheden tot expressie van geloofservaring en geloofsbeleving door de gelovigen persoonlijk en als gemeente gemeenschappelijk?

Is veel prediking niet te veel beschouwend en te weinig aansluitend bij, beter gezegd, te weinig toegespitst op de realiteit en de praktijk van het geestelijk leven van de luisterende gemeente? Is het werkelijk waar dat veel prediking vandaag niet meer in staat is vanuit het Woord op overtuigende wijze aan te duiden wie God (voor ons) is en wie wij voor God zijn? In dit verband zal onder beschouwende prediking moeten worden verstaan of intellectualistische verhandelingen over Gods Woord zonder toepasselijke spits naar het hart van de gemeente of een uitstalling van schematische geloofswaarheden en geloofsvoorstellingen, zonder dat de gemeente heilzaam wordt opgeschrikt of verrassend getroost. Zou het echt waar zijn dat in onze tijd niet meer wordt gehoord van „krachtdadige” bekeringen onder en door de verkondiging en dat getuigenissen, waaruit verdieping van het geloofsleven spreekt, uiterst zeldzaam zijn geworden? Hoe komt het dat maar zo weinig prediking in staat is bij de gelovigen heilige geestdrift te wekken, zo men wil, de gemeente in (Schriftuurlijke) spirituele vervoering te brengen, zodat er via het geleide van de Heilige Geest onderling vonken overslaan?

Zijn onze kerkdiensten, welke prachtige theorieën er ook over zijn geschreven, niet wat erg statisch en missen ze niet de dynamiek, die men in de meer spiritueel georiënteerde geloofsgemeenschappen aantreft? Of wordt dáár voor spiritualiteit aangezien wat in wezen niet veel méér is dan menselijke emotionaliteit?

Iemand heeft eens gezegd dat de eigenlijke liturgie begint als de kerk uitgaat, waarmee bedoeld werd dat het verkondigde Woord, als het goed is, zijn uitwerking zal vinden in het leven van de gelovigen van elke dag. Daarvan zal ook vandaag zeker nog sprake zijn maar zou het ver naast de werkelijkheid zijn als wordt gesteld dat in veel gezinnen en in veel conversaties binnen de gemeente, de evaluatie van de zondagse prediking blijft steken in een kritische toetsing van vormgeving en presentatie en van de vaststelling van het soortelijk gewicht? De lof op het verkondigde Woord blijft dikwijls hangen in loftuitingen of misprijzende kritiek op de prediker, met voorbijgaan van het eigenlijke van de boodschap.

En als we werkelijk zouden moeten spreken van verarming in de geloofsbeleving binnen de reformatorische kerken, zou dat dan ook kunnen samenhangen met het feit dat het element „toekomstverwachting” in veel prediking niet of nauwelijks meer aan de orde komt? Over de wederkomst van de Here Jezus wordt nagenoeg nooit gepreekt, noch in vermanende noch in vertroostende zin.

De gevestigde kerk lijkt in elk geval niet uit die verwachting te leven. In dit verband moet ik steeds weer denken aan wat ik enige weken geleden op zondagmiddag meemaakte. Vanwege het mooie weer reed ik op de fiets naar de Nebo-kerk in Den HaagZuid. Rijdend over de Maartensdijklaan, aangekomen bij de kruising met de Kuinre-straat, viel mijn oog op een oude man van Surinaamse afkomst, gezeten op de bank bij het water. In de ene hand een boterham waaruit hij gretig hapte, in de andere een lange omhoog gestoken stok met een stuk karton waarop met grote letters stond: „Jezus komt spoedig”! Enkele passanten keken wat meewarig in zijn richting en liepen schouderophalend verder. Een zonderling zeker. Ik dacht aanvankelijk hetzelfde. ’k Stopte, reed terug en vroeg hem: „Wat u daar op die stok hebt staan, gelooft u dat werkelijk?” „Dat geloof ik vast en zeker”, was zijn antwoord en hij voelde zich gedrongen zijn medemensen te waarschuwen dat het wel eens heel dichtbij zou kunnen zijn. Zijn goede eetlust verklaarde hij vanuit de overtuiging dat hij, als het zover is, in optimale conditie diende te zijn.

Zijn wij als kerken in optimale conditie? Zijn wij bezig met datgene waarmee wij blijkens het Evangelie, als Hij komt, bezig moeten zijn? Het heeft er niet de schijn van, broeders, althans niet in de mate en op de manier waarop dat van de kerk mag worden verwacht.

Het brede kerkelijke leven in ons land en in de omliggende landen biedt een beeld van verwarring en onzekerheid, van verburgerlijking en verzakelijking.

Alle tijd, geld en energie, gestoken in het motto „Samen op weg” lijken niet het begeerde rendement op te leveren. Stuntelend en stakkerend wordt getracht hier en daar iets overeind te krijgen of overeind te houden, maar het doet naar binnen en naar buiten weinig overtuigend aan.

Christelijk-gereformeerden en gereformeerd-vrijgemaakten vlooien in eikaars pelzen ter vaststelling van de wederzijdse geestelijke hygiëne. Overdosering en onderwaardering van de bevinding zijn daarbij de voorwerpen van onderzoek. Deze uitermate vermoeiende bezigheid onder de zon was er lang en zal er nog lang zijn, als niet wordt ingezien dat het woord bevinding niet op formule is te brengen, maar dat zij vrucht is van contemplatieve en meditatieve omgang met het Woord van God, waaraan het onder ons maar al te zeer ontbreekt. Misschien ook bij een ieder van ons persoonlijk.

En ik durf hier te zeggen dat in het ontbreken hiervan de diepste oorzaak ligt van veel kerkelijke conflicten, dat het daarop teruggaat wanneer men met geschillen uiteindelijk voor de wereldlijke rechter belandt en dat het daarmee verband houdt als dominees, stijfstaand van stress en frustratie, vanwege een vertrouwenscrisis met hun kerkeraad niet meer kunnen preken. Waarmee zijn we eigenlijk bezig?

Zie ik kom spoedig, houdt wat gij hebt. Deze woorden komen met klem op ons toe; ze komen steeds duidelijker door nu de donder en de bliksem in het wereldgebeuren niet meer van de lucht zijn. In die ernst en onder die klem zetten wij ons nu voor de bezinning in deze conferentie.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.