+ Meer informatie

Ouderling en Kerkorde

11 minuten leestijd

De twee begrippen die door het woordje „en” worden samengevoegd in de titel van het onderwerp „Ouderling en kerkorde”, zullen voor de lezers van ons blad niet vreemd zijn en de samenvoeging ervan zal geen pikante sensatie betekenen, noch verdediging behoeven, ’t Ligt immers in de „aard van de zaak” dat een ouderling met de kerkorde te maken heeft, en dat de kerkorde spreekt over de ouderling. Een combinatie als deze zal dus weinig bevreemding wekken, misschien zelfs het pikante van het actuele voor verschillende lezers missen.

Wie echter mocht menen dat alleen het nieuwe, het sensationele actueel is. vergist zich hopeloos. De behoefte aan eten en drinken is zo oud als de mensheid, ’t Wekt allerminst sensatie dat te constateren. Toch is deze behoefte hyper actueel, elke dag weer. Actueel is wat de acte, de daad van vandaag vraagt, ’t doen en laten van elke dag bepaalt. Daarom blijft de kerkorde ook altijd „ctueel” om dat de samenleving in de kerk erdoor wordt bepaald, het „doen en laten” van de ambtsdragers, niet ’t minst van de ouderlingen.

Dit onderwerp kan natuurlijk van verschillende kanten benaderd worden. Verschillende vragen dringen zich op. Bijvoorbeeld: Hoe staat het met de kennis van de kerkorde onder de ouderlingen? Is het nodig dat zij een behoorlijke kennis hebben van de kerkorde? Hoe waarderen zij de kerkorde? Of ook: Hoe spreekt de kerkorde over de ouderlingen? Wat zegt de kerkorde van hun ambt, hun arbeid enz.? Uiteraard is het niet mogelijk binnen het raam van een tijd-schrift-artikel een enigszins volledige verhandeling te geven omtrent alle punten die aan de orde gesteld kunnen worden. Slechts enkele zaken kunnen aangestipt worden die, naar ik hoop, reden geven tot nadere persoonlijke bezinning.

De uitgever van onze Kerkorde liet de voorlaatste uitgave in een blauw bandje

Het „blauwe boekje” uitkomen. Verschillende ambtsbroeders spreken sindsdien van het „blauwe boekje”. De intonatie zal ik nu maar niet analyseren, wanneer op deze wijze over de Kerkorde wordt gesproken. Deze kan variëren van welwillend tot denigrerend, van bewust verantwoordelijk zijn tot hopelijk niet bewust vijandig terzijde schuiven om eigen gang te gaan. ’t Zou misschien de moeite lonen eens een enquête in te stellen naar de waardering die er onder ambtsbroeders leeft omtrent de

Kerkorde.

De een zal waarschijnlijk opmerken dat het „blauwe boekje” — „blauw” ook al is de laatste uitgave in een neutraler grijs uitgegeven! — je juist in de steek laat als je met bepaalde moeilijkheden zit. „Liefhebbers” duiken dan in oude synodale Acta om „analoge” gevallen op te duiken, pogen verwoed de lijnen van het gereformeerde kerkrecht te ontdekken en het specifieke geval binnen die lijnen te trekken en tot oplossing te brengen en zo de leemte te vullen die de vigerende kerkorde juist in dit moeilijke geval blijkt te hebben, al of niet met zovele woorden toegegeven.

Een ander zal het „blauwe boekje” verwijten dat een leuk en fris initiatief — althans naar zijn mening leuk en fris — in de kiem wordt verstikt omdat de tegenstanders van dat leuke en frisse initiatief een beroep doen op het „blauwe boekje” om hun tegenstand te argumenteren en te wettigen. Voor zijn besef word het „blauwe boekje” dan een sta-in-de-weg. Zijn initiatief gaat — natuurlijk! — om het Evangelie. En dat mag niet gehinderd worden. Daarom — althans in dit geval —: Schuif dat blauwe boekje aan de kant en ga gerust je gang! Weer een ander zal heus niet pretenderen dat zijn idee leuk en fris is. Hij vindt het alleen maar hinderlijk dat hij niet in alle opzichten z’n gang kan gaan als het hem uitkomt. De „Geest is ongebonden”, mag niet gebonden worden door allerlei kerkordelijke bepalingen. En naar mate de „Geest” dan gebruikt kan worden om de over het algemeen dubieuze lading van eigen vrijbuiterige geest te dekken, naar die mate wordt het „blauwe boekje” een ergernis, waarvan je je niet al te veel moet aantrekken!

Zo zouden we nog wel een poosje kunnen doorgaan. Ieder die reeds enige tijd heeft „meegelopen”, heeft z’n meer of minder prettige ervaringen die voor een belangrijk deel z’n visie op de kerkorde en de functionering van de kerkorde bepalen.

„Blauw” is de kleur van de „trouw”

Hoe gevarieerd die visie ook moge zijn, hoe de waardering van het „blauwe boekje” ook moge uitvallen, — een en ander hangt voor een heel groot deel af van de kennis die men heeft van de kerkorde en de beginselen van het gereformeerde kerkrecht — het feit valt niet te ontkennen dat in de kerkorde een onmisbaar deel kerkelijke trouw is verdisconteerd. Waar die trouw wordt ondermijnd, of — erger — ontbreekt, daar wordt het kerkelijke leven zo niet direct, dan toch op de duur voos en waardeloos, aan een vernietigende willekeur prijsgegeven.

En juist het ouderlingeambt heeft hier — als wachters op Sions muren — de wacht te betrekken!

Wat tot dat ambt behoort wordt bepaald door het Woord des Heren. Aan de ouderlingen is toevertrouwd de regering, de leiding van de gemeente, de oefening van opzicht en tucht over de gemeente. Het zou te ver voeren dit breed uit te werken. Reeds zolang de christelijke kerk bestaat, heeft deze getracht zowel in haar belijdenis als in haar kerkorde te omschrijven wat zij hieromtrent uit dat Woord heeft beluisterd en daarom in de onderlinge samenleving van de kerk als accoord van gemeenschap moest laten gelden om alle willekeur en wanorde zoveel als menselijker wijze gesproken mogelijk was en is, uit te bannen.

Wie met een eenmaal gesloten accoord, in welk samenlevingsverband ook, gaat marchanderen, gaat sollen al naar het hem uitkomt, bewijst daarmee met de „rouw” overhoop te liggen. Aan de „trouweloosheid” wordt dan open ruimte verschaft. Dat je niet meer op elkaar ààn kunt, elkaar niet meer kunt vertrouwen, is overal erg. Maar het allerergst wel in de kerk van Jezus Christus. Hoe zwaar de Here Israel trouweloosheid toerekende, is uit de Heilige Schrift voldoende bekend. Trouweloosheid jegens elkander is ten diepste immers blijk van trouweloosheid jegens Hèm, van Wiens trouw de kerk alleen maar kan bestaan. Het accoord moge gebrekkig zijn, soms in de steek laten, misschien zelfs af en toe hinderlijk zijn, zolang het geldt moet verwacht kunnen worden dat ieder er zich aan houdt. Waar geen onvoorwaardelijke trouw aan het eens gegeven woord, ook in de kerkorde, meer aanwezig is, daar wordt het samenleven in de kerk onmogelijk. Dan krijgen despotisme, hiërarchie de overhand. Kortom dan wordt het een chaos. En de scheppende God wenst geen chaos, ook niet in Zijn herscheppend werk!

Dat samenleven in de kerk raakt zowel de plaatselijke kerk als het kerkverband. De twee grondprincipes van het gereformeerde kerkrecht, de zelfstandigheid van de plaatselijke kerk èn de noodzakelijkheid van het kerkverband, eisen onvoorwaardelijke trouw aan de overeengekomen rechtsregels voor samenleving en dat met name omdat deze geen resultaat zijn van menselijke vinding, maar van het luisteren naar en leven uit het Woord van God.

En wi overtuigd is dat juist dat luisteren naar en leven uit Gods Woord hem in conflict brengt met de vigerende kerkorde als zijnde in strijd — naar zijn overtuiging — met dat Woord, die heeft de heilige roeping de gemeenschap waarin dit accoord geldt, terug te roepen tot het Woord van God en te bewijzen dat het accoord naar dat Woord ,.gereformeerd” moet worden! Wie die overtuiging mist en dat bewijs niet kan leveren, conformere zich opdat hij niet een trouweloze, een querulant bevonden worde!

Was het misschien symbolisch bedoeld dat de uitgave van onze Dordtse Kerkorde in 1948 in een „blauw” jasje werd gestoken?

„Trouw” moet blijken!

Er kunnen mooie woorden over trouw gesproken en geschreven worden! Maar als het daarbij blijft, dan is ’t nog waardeloos. „Trouw moet blijken!”

Die noodzakelijke trouw kan en moet blijken in twee opzichten: in het kennen van en het zich houden aan de kerkorde — het laatste uiteraard onder de boven reeds genoemde conditie.

Natuurlijk raakt dit àlle leden van de kerk, maar inzonderheid de ambtsdragers en onder hen met name de ouderlingen. Van hen vooral mag verwacht worden dat zij de kerkorde kennen om zich in hun „actuele handelen” te laten leiden door het accoord waarop het onderlinge vertrouwen is gebaseerd.

Kennis komt zo maar niet aanwaaien. Dan moet er gestudeerd worden, individueel en gemeenschappelijk, ’t Zou zeker aanbeveling verdienen om af en toe eens samen een bepaald gedeelte van de kerkorde te bespreken! Verschillende handleidingen staan ten dienste. Ik denk aan de boeken van prof. Rutgers, prof. Bouwman, ds. Joh. Jansen, dr. F. L. Bos. De meeste van deze boeken zijn weliswaar afgestemd op de praktijk in andere kerkverbanden, ’t Is jammer dat de kerkrechtelijke studies van onze hoogleraren in het kerkrecht verborgen zijn in de vele jaargangen van „De Wekker”. De lange reeksen artikelen over de kerkorde eerst van de hand van prof. P. J. M. de Bruin („Onze Karkregeering” — beginnend april 1918 en lopend tot sept. 1936) en later van prof. J. Hovius („Toelichting op de Kerkorde” — verschijnend sinds sept. 1948; titel later gewijzigd) zijn moeilijk toegankelijk voor de ambtsdragers van nu, behalve dan de laatste nummers van De Wekker. Een toelichting in boekvorm zou zeker de bezinning op de kerkorde ten goede komen.

Natuurlijk heeft de ouderling met heel de kerkorde te maken. Vele artikelen van de kerkorde noemen de ouderling echter met name. In art. 2 is sprake van de vier diensten waartoe ook die van de ouderling behoort. Art. 3 verklaart dat ook een ouderling niet mag voorgaan in de dienst des Woords of der sacramenten zonder daartoe wettig beroepen te zijn. Opzicht over de ouderlingen heeft volgens art. 16 de dienaar des Woords en met hem oefenen zij tucht uit over de gemeente. Over de gelijkheid van rechten en plichten spreekt art. 17. Hun verkiezing behandelt art. 22. Hun dienst wordt bepaald in art. 23. terwijl hun diensttijd geregeld wordt in art. 27. Volgens het volgende artikel is het de taak van de overheid om o.m. de ouderlingen eventueel hulp te verlenen en te beschermen, zoals omgekeerd de ouderlingen verplicht zijn de gehele gemeente ijverig en oprecht de aan de overheid verschuldigde gehoorzaamheid, liefde en eerbied in te scherpen. De samenstelling van de kerkeraad komt in art. 37 aan de orde, evenals in art. 38. Afvaardiging naar classis, part. synode en generale synode wordt in art. 41, 47 en 50 geregeld. Hoewel in het artikel zelf niet genoemd, bevat het op art. 44 berustende reglement voor de kerkvisitatie een afzonderlijke rubriek voor de ouderlingen. Art. 53 vraagt ook van de ouderlingen bij de aanvaarding van hun ambt instemming met de drie formulieren van enigheid door ondertekening van het verbindingsformulier (waarin tevens gesproken wordt over de onderwerping aan de geldende kerkorde „op straffe van ontzetting uit het ambt”). Art. 63 stelt dat het Heilig Avondmaal alleen mag bediend worden onder toezicht van ouderlingen. In geval van openbare grove zonde zal een ouderling terstond na voorafgaand onderzoek door de kerkeraden van de plaatselijke en dichtstbijgelegen gemeente uit zijn ambt ontzet worden, aldus art. 79. Bij de Censura morum volgens art. 81 zijn ook de ouderlingen betrokken. Art. 85 stelt nadrukkelijk dat geen ouderling over de andere heerschappij zal voeren.

Het is niet de bedoeling op het hier genoemde breedvoerig in te gaan. Alleen zou ik willen wijzen in het kader van dit artikel op het verbindingsformulier waarover art. 53 spreekt. „Trouw moet blijken”, ook in het zich houden aan de kerkorde! Eigenhandig moet ook de ouderling de belofte ondertekenen dat hij zich onderwerpt aan de geldende kerkorde op straffe van ontzetting uit het ambt, gelijk hij met een heilig ja dat de kracht van een eed heeft, ook in het midden van de gemeente bij zijn ambtsaanvaarding betuigt dit te zullen doen. ’t Is dus niet alleen trouweloosheid als een ambtsdrager in casu de ouderling de „geldende kerkorde” aan z’n laars lapt, maar ook een breken van de eed! En: een rechte eed zweren is God aanroepen dat Hij mij straffe indien ik valselijk zweer! Wie het recht èn de plicht van appel volgens art. 31 met voeten treedt, indien hij omtrent het een of ander in het kerkelijke leven bezwaard is en niet voor vast en bondig kan houden als in overeenstemming met Schrift, belijdenis en kerkorde, door zich zonder meer aan kerk en/of kerkverband te onttrekken in het uiterste geval, of — minder vergaande — kerkorde en kerkelijke bepalingen en besluiten zonder meer naast zich neerlegt, maakt zich daaraan schuldig.

Ook met het „blauwe boekje” in de hand blijve onze bede zoals menige ambtsdrager is toegezongen bij de aanvaarding van zijn ambt:

Dat wij ons ambt en plicht, o Heer
getrouw verrichten, tot uw eer;
dat Uw gunst ons werk bekroon’,
Uw Geest ons leid’, en in ons woon’.

Dr.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.