+ Meer informatie

ONZE CATECHISMUS V (a).

6 minuten leestijd

Dat ze niet met een kapitalist, maar met een armen man trouwde, wist ze heel goed. Om de gemaakte schulden te betalen en 't begeerde recht ten eeuwigen leven te verkrijgen, moet hard en nog eens hard gewerkt worden. Ze weet heel goed, wat de wet van haar eischt en aan dien eisch wenscht zij te voldoen.

't Gaat goed, daar ze als een voorbeeldige vrouw letterlijk alles in 't werk stelt om in liefde en vrede met haar man ie leven. Zij wenscht dag en nacht voor hem te werken en daarom is 't haar nooit te vroeg en nimmer te laat.

Met de wereld leeft zij niet; in geen geval, want die heeft ze bij het doen van haar keus met een volkomen hart verlaten.

Zij wenscht met haar man voor den Heere en Zijn volk te leven en doet die menschen zoo veel mogelijk wel.

Zij mogen bij haar logeeren en ze vindt het heel niet erg al loopen zij den boel vuil. Zeg van het volk des Heeren geen kwaad, want dan spreekt ze 't oordeel over U uit. Trouw gaat ze naar de kerk en vindt dien leeraar een engei.

Maar wat zegt die man nu? Ik zal haar wel gedurig prijzen en gelukkig met haar zijn? Zij dacht natuurlijk, dat haar man net zoo gelukkig met haar was, als zij met hem. Prijzen doet hij haar nooit, maar wel maakt hij gedurig op-en aanmerkingen. En zij doet zoo haar best. Dit valt haar tegen, daar zij met een grooten ijver voor hem ijvert. Toch wil ze haar man behagen en gaat met nog meer ijver hem dienen om aan al zijn wenschen te voldoen. En met dit alles vermagert zij vanwege haar vlijt, om door hem toch maar zalig gesproken te mogen worden.

't Is dan oojt een bittere teleurstelling voor haar, als hij haar komt te bestraffen omtrent haar bidden. Hoe trouw sij den plicht des gebeds ook vervult, zoo wordt zij er toch in veroordeeld, daar wereldsche en zondige gedachten haar aankleven voor Gods aangezicht. Mozes wil, dat zij zich in 't gebed onbevlekt zal stellen voor den Heere. 't Is niet geoorloofd met schoenen en dan nog met vuile schoenen op die heilige plaa's te komen. Dat mag niet en dat kan niet met Gods Heiligheid bestaan.

En zoo wordt, zij ook om haar bijbellezen en kerkgaan veroordeeld, wat haar niet weinig bedroeft. Wel belooft ze beterschap, maar inplaats dat het beter wordt, wordt 't erger. Steeds meer komt de wet met haar eisch om heilig voor God te leven op haar aan. Dit doet haar weenen en zuchtend klagen: , , Mijn bestraffing is er alle morgens".

Kan die man dan niet anders met haar handelen? Hij moest de wil houden voor de daad, daar 't toch een vrouw is, die alles doet, wat in haar vermogen is.

Maar dat kan niet toegestaan worden door Mozes, daar hij geheel aan de zijde Go< ^§ staat en de Heere niet één zondige gedachte ongestraft kan laten.

Zoo krijgt die vrouw een heel slecht leven bij haar man. 't Is toch niet te dragen als men dag in, dag uit zijn best doet en 't nooit goed is, wat men ook doet.

Naar het oordeel van velen handelen wij in onze prediking met zulke menschen geheel verkeerd. Wij prediken den eisch van Gods wet en hebben, naar het oordeel van die mannen, geen troost voor die bedroefde zielen, daar zij tot den Heere Jezus geleid moeten worden. Maar dat kan toch niet. Dat laat de Bijbel niet toe.

'c Is zelfs onredelijk dat te doen. 't Is toch niet geoorloofd, naar een tweeden man om te zien, als de eerste man nog leeft. Hoor maar, wat Paulus ervan zegt in Rom. 7 : 3: Daarom dan, indien zij eens anderen mans wordt, terwijl de man leeft, zoo zal zij een overspeelster genaamd worden; maar indien de man gestorven is, zoo is zij vrij van de wet, alzoo dat zij geen overspeelster is, als zij eens anderen mans wordt."

't Is niet te zeggen, - hoeveel godsdienstige overspeelsters er gekweekt worden, als men menschen tot Christus leidt, die niet gestorven zijn aan de wet.

Dat zijn predikers, die wet en Evangelie vermengen. Wel moet men wet en Evangelie prediken, maar niet vermengen. We moeten van het Verbond der Genade geejj Werkverbond maken, want dan staan we de ontdekkende werkingen des Heiligen Geestes tegen. Christus neemt niet één zondaar aan, die niet door den dood gescheiden is van den eers'en man.

Paulus zegt 't ons duidelijk in Gal. 2:19 als hij spreekt ui; t zijn ervaring. Hoor maar: Want ik ben door de wet der.wet gestorven, opdat ik Gode leven zou". Hij is met al zijn godsdienst in den dood terecht gekomen. Hij heeft het oordeel des doods van gan& cher harte mogen aanvaarden. Hij is een verloren zoon geworden voor God, om 't te verstaan, dat Christus gekomon is om te zoeken en zalig te maken wat verloren is. Bij den een duurt dit langer dan bij den ander. Daar zijn er, die slechts enkele dagen met Mozes getrouwd geweest zijn en toen door den dood van hem zijn gescheiden om getrouwd te worden door Christus. Hoe verder we met al 't onze in den dood komen, hoe beter 't is voor ons geestelijk leven. Zoolang we nog werken om uit de werken der wet gerechtvaardigd te worden, staan we onder den vloek der wet. 't Moet ons in de beleving, bij het licht des Heiligen Geestes duidelijk worden, dat we aan den eisch van Gods wet niet kunnen voldoen.

Die ontdekking en ontgronding is op zichzelf niet begeerlijk, maar wel noodzakelijk en profijtelijk. Daar zijn heel wat menschen, die bij Mozes vandaan geloopen zijn en nu spreken van den Heere Jezu^, maar 't niet kunnen vertellen hoe Christus door God geopenbaard is in hun hart. Al denken zij met den Heere Jezus te leven, daarom leeft de Heere Jezus nog niet met hen en dat blijkt uit hun geestelijke onvruchtbaarheid.

De bloote wetenschap, dat we verloren zondaren zijn, doet ons Christus niet dierbaar worden. We moeten een geestelijke kennis van onze verlorenheid bekomen om de zaligheid buiten onszelf te leeren zoeken. Bij 't licht des Geestes moet de eisch der wet gepredikt worden, daar de Heilige Geest door den eisch der wet ons wil leiden in onze verlorenheid en verdoemelijkheid voor God.

Wanneer de Geest gekomen is in ons hart, dan worden we door Hem overtuigd van zonde, gerechtigheid en oordeel. Zonder de onwederstandelijke werkingen des Heiligen Geestes is de mensch er niet van te overtuigen, dat Hij den eeuwigen dood waardig is. Die. den Geest der wet niet heeft, gevoelt niet, dat hij staat onder den eisch der wet en heeft in zijn hart aan Gods genade geen behoefte.

We kunnen onze zonden wel bedekken met onze gerech-

tigheid voor 't oog van menschen, maar niet voor 't heilig oog des Heeren.

Gelijk de dochteren Sions en de burgers van Jeruzalem moeten we van onze liefde tot de zonden gezuiverd worden door den Geest des oordeels en door den Geest der uitbranding.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.