+ Meer informatie

Met ontferming bewogen

4 minuten leestijd

„En als hij nog ver van hem was, zag hem zijn vader, en werd met innerlijke ontferming bewogen." Lukas 15:20m

We kennen de gelijkenis van de verloren zoon, waaruit bovenstaande tekst genomen is. De jongen ging naar een vergelegen land, de wereld in. Daar verloor hij alles, zijn geld, zijn goed, zijn eer. Gezondigd tegen de hemel en tegen zijn vader. Maar hij komt tot zichzelf. Ontdekte zichzelf: Zag wie hij in werkelijkheid was. Aan zichzelf alle ellende te wijten.

Niet aan zijn vader. Ook niet aan zijn broer. Hij wijt het ook niet aan z'n vrienden en vriendinnen. Aan lager wal: Varkens hoeden, een onrein beroep. En dan nog een natuurramp: Grote hongersnood. Geen vriend of vriendin om te helpen. Geen God meer en geen vader meer. Geen vader meer? „Ik zal opstaan en tot mijn vader gaan."

En hij laat het niet bij goede voornemens, maar voegt de daad bij het woord, hoewel hij wist dat de reis ver zou zijn. Voor de heenreis had hij alles bijeen vergaderd. Voor de terugreis viel er niets bijeen te vergaderen dan alleen schuld. Maar hij gaat! Om bij de huurlingen van zijn vader een plaatsje te zoeken.

En dan gebeurt het wonder waar hij nooit meer op had durven rekenen. „En als hij nog ver van hem was, zag hem zijn vader." Die zoon had zich wel losgemaakt van zijn vader, maar die vader niet van zijn zoon. Sinds zijn jongen weg was, hadden de knechten de vader een paar maal per dag naar de weg zien gaan.

Dan stond hij daar, de hand boven de ogen, te turen in de verte als verwachtte hij iemand die maar niet komen wilde. En inderdaad, hij verwachtte iemand; hij verwachtte zijn zoon. Kon die jongen het dan zó lang uithouden buiten de vader? Dreef het heimwee hem dan nog niet terug naar huis? En de vader wachtte op hem, want hij was altijd vader gebleven, al was de zoon hem ontrouw geworden.

En eens, toen hij weer zo stond te turen, zag hij zijn zoon komen. De liefde ziet ver en scherp. Veel mensen hebben de jongen wellicht op zijn reis gezien, en toen hij dichter bij huis kwam ook wel mensen die hem vroeger gekend hadden, maar zij liepen hem voorbij en herkenden hem niet. Maar zijn vader zag hem, en werd met innerlijke ontferming bewogen!

In deze verlangend wachtende vader tekent de Heere Jezus ons de tegemoetkomende barmhartigheid van God, Die in Christus nog met innerlijke ontferming bewogen is over ieder die het bij het leven in de zonde niet meer houden kan. Ver boven de gelijkenis uit gaat de werkelijkheid van het wachten Gods om genadig te zijn. Hij ziet uit om genade te kunnen bewijzen aan doemwaardige zondaren.

De vader uit de gelijkenis moest stilzitten, en zo hij hem dan al niet uit het hart verloor, hij kon toch zijn zoon daar in de vreemde niet bereiken en bewaren voor het verderf. Maar Gods wachten is een werkzaam wachten. En dat is de enige mogelijkheid van wederkeer, want de Heere zou altijd tevergeefs wachten om genadig te kunnen zijn als Hij Zelf niet een zondaar aan zijn verlorenheid ontdekte en tot Zich trok.

En in het geloof terugziende roemen Gods kinderen in vrije genade: „Heere, U verloor mij in mijn afdwalen niet uit het hart, maar ook niet uit het oog. U zag mij op mijn zondeweg. U nam redenen uit Uzelf, vóór ik wist in welke ellende ik lag. Zonder dat ik naar U vroeg, bewaarde U mij voor eeuwig wegzinken in de afgrond; en in de weg van wachten en werken, vervulde U Uw Woord: Ik trok ze met mensenzelen, met touwen der liefde.

Dat is de reden waarom ik naar U ging vragen; waarom ik ging omkomen van honger; waarom het met mij aan een eind kwam; waarom de Heere Jezus waarde voor mij kreeg, en er geen leven meer voor mij overbleef buiten Hem."

Terwijl de zoon nog ver weg was, en er niet meer op durfde rekenen als kind te worden ontvangen, zag zijn vader hem. De vader ziet de bijna onherkenbaar geworden zoon, die van honger uitgeteerd, ellendig en vuil, tot hem komt. Geen kleding draagt hij, slechts wat lompen. Zijn schoenen zijn reeds lang versleten, maar wat hindert dat? Nu de vader hem ziet zal alles terechtkomen.

Het is de Heere niet om uw kleding of sieraad, niet om uw offers te doen, maar om uzelf! En als u naakt en arm, jammerlijk en ellendig, tot Hem komt, zal Hij u reinigen, kleden en versieren. „Brengt hier voor het beste kleed, en doet het hem aan, en geeft hem een ring aan zijn hand, en schoenen aan de voeten; en brengt het gemeste kalf en slacht het; en laat ons eten en vrolijk zijn. Want deze mijn zoon was dood, en is weder levend geworden; en hij was verloren en is gevonden!"

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.