+ Meer informatie

De Pelgrimsreis is voor Oud en Jong

6 minuten leestijd

66.

Het is Hoop vanuit het Woord duidelijk geworden, dat hij zijn leven had te beteren. Maar dat is ten opzichte van de verdorvenheid des mensen ten enenmale onmogelijk. Hoe zou een mens, die gans verdorven en verdoemelijk is in Adam, zich kunnen bekeren? Wij zijn in hem onverbeterlijke zondaren. En toch zegt de Schrift: „Betert u dan en bekeert u, opdat uw zonden mogen uitgewist worden”. Hier staat het op de voorgrond, het is in de eerste plaats noodzakelijk.

Denkende vanuit Gods genade is het mogelijk, dat de mens zich gaat beteren in zijn redelijk en zedelijk leven. Uit kracht van de ingeschapen Godskennis wordt hij in zijn geweten daartoe opgewekt vanuit het Woord en door de werkingen van de Heilige Geest aangespoord. Hier komt de zondaar dan ook in aanraking met de Goddelijke autoriteit van het Woord, en dat is van grote betekenis.

„Daarom o koning”, sprak Daniël, „laat mijn raad u behagen en breek uw zonden af door gerechtigheid, en uw ongerechtigheden door genade te bewijzen aan de ellendigen, of er verlenging van uw vrede mocht wezen”. Lang heeft de Geest des Heer en getwist met de eerste wereld om de slechtigheden te verlaten en te treden op de weg des verstands, maar de vermaningen des Heeren werden in de wind geslagen. Men ging er zelfs met meer afkerigheid tegen in.

Maar tot roem van Gods genade begon Hoop zijn leven te beteren. „Ik dacht”, zo sprak hij tot de Pelgrim, „dat ik moest beproeven mijn leven te beteren en dat ik anders zeker verloren zou gaan”.

Op de vraag: „En hebt gij ook beproefd u te beteren?” heeft Hoop volmondig „ja” gezegd. En dan gaat hij dat omschrijven. „Ik vlood niet slechts mijn zonden, maar ook de zondige gezelschappen en legde mij toe op het vervullen mijner godsdienstplichten, zoals bidden, lezen, wenen over de zonde, over de Waarheid spreken met mijn buren, enz. Al die dingen deed ik, en nog vele andere, te veel om hier op te noemen”.

In dat alles nu is Hoop prijzenswaardig. Naar het woord van de Heere Jezus was de rijke jongeling in zijn zedelijk leven een beminnenswaardig mens. En daar wij een redelijke godsdienst hebben, zijn wij het als redelijke schepselen verplicht ons zedelijk leven biddende en wenende te beteren.

Maar nu heeft het veeltijds plaats, dat men in die verbeteringen blijft staan. Hoop dacht zelfs voor enige tijd, dat het met hem in orde was, zodat hij de noodzakelijkheid van de waarachtige bekering uit het oog verloor. Uit gebrek aan geestelijke kennis blijft men dan staan in de verbetering van het zedelijke en godsdienstige leven. Hoop dacht toen, dat het met hem in orde was. En wordt men in die verbeteringen opgebouwd door anderen, dan is het nog al erger. U kunt er zeker van zijn, dat wij het nodig hebben vanuit het Woord door Gods Geest ontdekt en ontgrond te worden. Anders komen wij met al onze godsdienst niet verder dan in een verbeteringsgesticht.

Hoop werd door zijn vroegere bekommernis weer overvallen, want zijn innerlijke verhouding tegenover God was met al zijn verbeteringen niet in orde gekomen. Hij had het huis van zijn verwachting voor de eeuwigheid op een zandgrond gebouwd en daarvan moest hij afgebracht worden.

Gesteld onder de majesteit van Gods rechtvaardigheid, moest hij dit scherpe en ontdekkende woord: „Al onze gerechtigheden zijn als een wegwerpelijk kleed”, beamen. Met het kleed van zedelijke gerechtigheid kunnen wij in het gericht van Gods wrekende gerechtigheid niet bestaan.

Maar desniettemin hebben wij deze ontdekking als een zegen van Gods genade aan te merken. Want hier worden wij door de Heere niet nodeloos ter neder geslagen. Zal Christus in Zijn gezegende offerande ons ooit recht dierbaar worden, dan moeten wij eerst met onze zedelijke gerechtigheid vergaan. De Schrift leert ons, „dat uit de werken der wet geen vlees zal gerechtvaardigd worden”. En: „Wanneer gij zult gedaan hebben al hetgeen u bevolen is, zo zegt: Wij zijn onnutte dienstknechten, want wij hebben maar gedaan hetgeen wij schuldig waren te doen”. Daar zit dus niet de minste verdienstelijkheid in tot grond voor de eeuwigheid.

Vanuit deze les sprak Hoop tot zichzelf: „Indien al mijn gerechtigheid verwerpelijk is in Gods oog; indien door de werken der wet geen vlees gerechtvaardigd kan worden; en indien al ons pogen om ons bij God aangenaam te maken vruchteloos is, dan is het een dwaasheid door eigen werken de hemel te willen verdienen. Ook bedacht ik: Als iemand honderd gulden schuldig is aan zijn winkelier, dan vermindert hij de schuld met geen enkele penning, al betaalt hij ook van heden af al wat hij koopt, zolang die oude schuld blijft staan. Ja, de schuldeiser zou hem zelfs in de gevangenis kunnen werpen, totdat hij alle schuld zou betaald hebben”.

Op de vraag van de Pelgrim: „En hoe paste gij dat toe op uzelf?” werd door Hoop geantwoord: „Wel, ik dacht zo bij mijzelf: Ik heb door al mijn zonden een grote schuld in Gods boek, en dat ik mij nu verbeter, zal die schuld niet uitdelgen. Daarom moet ik toch te gronde gaan, ondanks al mijn tegenwoordige verbeteringen. Hoe zou ik nu verlost worden van de verdoemenis, in gevaar waarvan ik mijzelf door mijn vroegere overtredingen gebracht had?”

„Een zeer juiste toepassing”, merkt de Pelgrim op, „maar ga voort”. En dat deed Hoop. „Iets anders”, zo sprak hij, „dat mij verontrustte, zelfs sinds mijn laatste verbeteringen, was, dat wanneer ik nauwkeurig acht geef op het beste, dat ik doe, ik nog altijd zonde zie, nieuwe zonden, die zich vermengen met mijn beste daden; zodat ik nu genoodzaakt ben te besluiten dat, niettegenstaande mijn vroegere ingenomenheid met mijzelf en mijn plichten, ik in één dag genoeg zonde gedaan heb om ter helle te moeten gaan, al ware mijn. vroeger leven geheel vlekkeloos geweest”.

Al zuchtende in deze banden werd de weg voor Hoop geopend er uit te spreken met Getrouw, die beleidvol met hem wist te handelen. „Wanneer”, zo sprak hij, „het zalig worden onzerzijds een verloren zaak is, zodat de schuld van dag tot dag groter wordt, moet het bij een Ander gezocht worden”. En dat stemde Hoop toe, het zal alleen door de gerechtigheid van een Ander kunnen, waarvan Getrouwdegeestelijke kennis bekomen had in zijn hart.

Heilbegerig luisterde Hoop toen hij zeide, dat het de Heere Jezus was, Die gezeten is aan de rechterhand des Allerhoogsten,endathijdoor Hem gerechtvaardigd moest worden, door te vertrouwen op hetgeen Hij Zelf in de dagen Zijns vieses gedaan en geleden heeft, toen Hij gehangen werd aan het hout.

Daarop vroeg ik hem hoe het mogelijk was, dat door de rechtvaardigheid van Die ene, andere mensen voor God gerechtvaardigd konden worden. En daarop gaf hij mij ten antwoord, dat deze Mens ook waar achtig God was en dat Hij de smadelijke dood des kruises was gestorven, niet voor Zijn eigen zonde, maar om mijn zonde te verzoenen en — dat Zijn werk mij zou toegerekend worden, indien ik in Hem geloofde.

Zo zeker als wij door de toerekening van Adams ongerechtigheid gans verdorven en verdoemelijk zijn, kunnen wij alleen door de toerekening van de borggerechtigheid, die is opgebracht door Christus, de Zoon Gods, zalig worden.

N

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.