+ Meer informatie

IV Uitspraken over instructies

23 minuten leestijd

De synode deed een aantal uitspraken naar aanleiding van instructies vanuit particuliere synodes.

1. Artikel 3. K.O., lid 1

De generale synode heeft kennisgenomen van
1. de instructie van de particuliere synode van het Oosten d.d. 20 mei 2015 en 25 augustus 2015 inzake art. 3 K.O., lid 1;
2. het desbetreffende rapport van haar commissie van onderzoek en rapport;
heeft gehoord
de bespreking ter vergadering;
constateert
1. dat uit de overzichten van de verschillende jaarboeken blijkt dat classes de laatste twee decennia steeds vaker kerkenraden conform art. 3 K.O., lid 1 toestemming geven om een bekwaam geachte broeder uit de gemeente onder opzicht van de kerkenraad een stichtelijk woord in de gemeente te laten spreken en andere arbeid in de gemeente te laten verrichten;
2. dat art. 3 K.O., lid 1 wel spreekt over de wijze waarop deze toestemming verkregen kan worden, maar – behalve het bepaalde in art. 3 K.O., lid 5 – verder niet spreekt over de verantwoordelijkheden die deze toestemming met zich meebrengt voor de betrokken kerkenraden en voor de betrokken broeders;
3. dat de gegroeide praktijk van het verlenen van toestemming om naar art. 3 K.O., lid 1 een stichtelijk woord in de gemeente te spreken tot dusver niet gevolgd is door een nadere kerkelijke inkadering hiervan;
4. dat het rapport van ds. D. Quant duidelijkheid geeft over de relatie tussen art. 3 K.O., lid 1 en de oorspronkelijke bedoeling van art. 3 K.O., namelijk dat art. 3 K.O., lid 1 toegevoegd is vanwege de nood der kerken;
5. dat niet helder omschreven is onder welke voorwaarden op lokaal of classicaal niveau van ‘nood’ kan worden gesproken die gebruikmaking van art 3 K.O., lid 1 of lid 2 rechtvaardigt;
overweegt
1. dat het zowel voor de betrokken kerkenraden als voor de betrokken broeders van belang is dat de kerken zich bezinnen op de verantwoordelijkheden die voortvloeien uit de verkregen toestemming en die eventueel nader bepalen;
2. dat daarbij in ieder geval ook de vraag overwogen dient te worden of de kerkvisitatie het geschikte moment is om de verantwoordelijkheid van de classis tot uitdrukking te brengen door in het reglement voor de kerkvisitatie een passage op te nemen met betrekking tot de broeders die conform art. 3 K.O., lid 1 een stichtelijk woord in de gemeente spreken;
is van oordeel
1. dat bezinning op de groeiende praktijk om een broeder toestemming te verlenen naar art. 3 K.O. lid 1 een stichtelijk woord te spreken wenselijk is, in rapport met de oorspronkelijke bedoeling van art. 3 K.O.;
2. dat duidelijkheid over het begrip ‘nood der kerken’ en de toepassing daarvan heden ten dage noodzakelijk is;
3. dat de verantwoordelijkheden zowel voor de betrokken kerkenraden en classes als voor de betrokken broeders, die voortvloeien uit de verkregen toestemming nader geformuleerd dienen te worden;
en besluit
1. deputaten kerkorde en kerkrecht op te dragen zich nader te bezinnen op verdere doordenking, uitwerking en eventueel nadere kerkelijke inkadering van het bepaalde in art. 3 K.O., lid 1 en de verhouding daarvan tot de positie van een evangelist en een dienaar van het Woord, en de generale synode 2019 te dienen met een voorstel;
2. hiervan kennis te geven aan de particuliere synode van het Oosten.

2. Evangelist art. 4 K.O. – Instructie PS van het Westen

De generale synode heeft kennisgenomen van
1. de instructie van de particuliere synode van het Westen d.d.6 april 2016 inzake voorgaan van de evangelist naar art. 4 K.O.;
2. de instructie van de particuliere synode van het Oosten d.d. 6 april 2016 inzake de positie van de evangelist naar art. 4 K.O.;
3. het desbetreffende rapport van haar commissie van onderzoek en rapport;
heeft gehoord
de bespreking op de vergadering;
constateert
1. dat de instructie van de particuliere synode van het Westen ten onrechte stelt dat aanwezigheid van deputaten naar art. 49 K.O. bij het examen bevestigt dat de bevoegdheid van de evangelist classisoverstijgend is;
2. dat deze instructie wel spreekt van mogelijkheden die men meent te zien maar niet van knelpunten;
3. dat de instructie van de particuliere synode van het Oosten juist vraagt om een evaluatie van de gegroeide praktijk;
4. dat in de praktijk soms onwenselijke situaties kunnen ontstaan, zoals het voorbeeld vanuit Apeldoorn laat zien;
oordeelt
1. dat het noodzakelijk is de gegroeide praktijk te evalueren zoals de instructie van de particuliere synode van het Oosten voorstelt;
2. dat de uitspraak van de generale synode 2004 (dat er een duidelijk onderscheid dient te zijn tussen de bevoegdheden van een predikant naar art. 4 K.O. en die van een evangelist naar art. 4 K.O.) het onmogelijk maakt zonder nader onderzoek de instructie van de PS van het Westen aan te nemen;
en besluit
1. de instructie van de particuliere synode van het Westen af te wijzen, in de wetenschap dat de vraag van deze instructie wordt meegenomen in het besluit ten aanzien van de instructie van de particuliere synode van het Oosten;
2. daarvan kennis te geven aan de particuliere synode van het Westen.

3. Evangelist art. 4 K.O. – instructie PS van het Oosten

De generale synode heeft kennisgenomen van
1. de instructie van de particuliere synode van het Oosten d.d. 6 april 2016 inzake evaluatie van de positie van de evangelist;
2. de instructie van de particuliere synode van het Westen d.d. 6 april 2016 inzake voorgaan van de evangelist;
3. het desbetreffende rapport van haar commissie van onderzoek en rapport;
heeft gehoord
de bespreking op de vergadering;
constateert
1. dat het studierapport van deputaten evangelisatie uit 2004 op basis van de Schriftgegevens, genoemd in hoofdstuk 6 van dit rapport, de evangelist beschouwt als een pionier en opbouwwerker in een door zendingswerk nog maar pas ontstane kerk;
2. dat in het rapport uit 2004 in grote lijnen wordt verondersteld (hoofdstuk 6 en 7) dat de evangelist zijn werk tijdelijk in een bepaalde zendingsgemeente uitvoert en wel tot het moment dat een gemeente zelfstandig kan voortbestaan onder de leiding van een aangestelde herder en leraar, en dat de evangelist vervolgens (eventueel) elders zijn werk kan voortzetten;
3. dat deputaten evangelisatie in 2004 (in hun rapport, § 7.3.2.3) bewust aan de generale synode hebben voorgesteld om de evangelist naar artikel 4 K.O. te bevestigen als een dienaar van het Woord, waarbij zij het wenselijk achtten dat deze evangelist dan positioneel niet volledig werd gelijkgesteld aan een (gemeente)predikant;
4. dat deputaten evangelisatie in hun rapport van 2004 (§ 7.3.2.2) opmerken dat het niet noodzakelijk en mogelijk zelfs belastend zou zijn wanneer een voorganger in een zendingsgemeente dezelfde rechten en plichten zou krijgen als een predikant;
5. dat de instructie van de PS van het Westen vraagt om een uitbreiding van de preekbevoegdheid van de evangelist;
overweegt
1. dat het twaalf jaar geleden is dat de kerken besloten om het mogelijk te maken dat via artikel 4 K.O. evangelisten bevestigd kunnen worden;
2. dat het steeds vaker voorkomt dat in de kerken bevestigde evangelisten na een periode van opbouwwerk ook de taken van predikant op zich nemen;
3. dat het verschil in positie van predikant en evangelist vragen oproept omdat de taken van evangelist en predikant in de praktijk sterk overeenkomen;
4. dat er in de kerken vragen leven die laten zien dat het verschil in positie en mogelijkheden van predikanten en evangelisten niet altijd goed begrepen wordt, bijvoorbeeld het feit dat een predikant wel mag voorgaan in een zendingsgemeente, maar een evangelist niet in andere gemeenten van ons kerkverband dan de zendingsgemeente waarin hij bevestigd is;
5. dat predikanten opgeleid worden aan de Theologische Universiteit Apeldoorn en beoordeeld worden door het curatorium, terwijl evangelisten via heel verschillende routes op hun plek terechtkomen;
6. dat het feit dat na verloop van jaren evangelisten vaak (ook) dezelfde taken uitvoeren als predikanten, de vraag oproept waarom aan een evangelist andere opleidingseisen worden gesteld en hij ook een andere positie krijgt dan een predikant;
7. dat de vragen die de instructie van de particuliere synode van het Westen stelt over onduidelijkheden in de positie van evangelisten gaan en daarom kerkordelijke bezinning vereisen;
en besluit
1. deputaten kerkorde en kerkrecht op te dragen in overleg met deputaten evangelisatie:
a. te onderzoeken of de in de kerken gegroeide praktijk van werkzaamheden van de bevestigde evangelisten overeenkomt met de visie die in 2004 leidde tot de bevestiging van evangelisten;
b. op basis van de conclusies van dit onderzoek te bezien of artikel 4 K.O., lid 6 wijziging behoeft;
c. op basis van de conclusies van het onderzoek te bezien of de overwegingen van de generale synode 2004 om een evangelist niet te bevestigen naar artikel 8 K.O. nog steeds valide zijn;
d. te onderzoeken of het wenselijk geacht wordt dat evangelisten een bredere preekbevoegdheid krijgen (zie de desbetreffende instructie van de particuliere synode van het Westen) en, indien hier positief over gedacht wordt, zich te bezinnen op de wenselijkheid/noodzakelijkheid van een nadere theologische opleiding;
e. zich te bezinnen op de vraag of het wenselijk is dat er verschil in positie blijft bestaan tussen predikant en evangelist, en daarbij in ieder geval te betrekken het verschil in opleiding, de betrokkenheid van de kerken bij de opleiding, het verschil in wijze van beroeping tot het werk en het verschil in beloning;
f. zich te bezinnen op de vraag of de evangelist genoemd zou moeten worden bij de ‘diensten’ in art. 2 K.O.;
g. te onderzoeken op welke wijze de posities van de predikant en de evangelist gelijkgeschakeld kunnen worden wanneer het niet wenselijk blijkt dat er positioneel verschillen blijven bestaan;
2. hiervan kennis te geven aan de particuliere synode van het Oosten en de particuliere synode van het Westen.

4. Artikel 5 K.O.

De generale synode heeft kennisgenomen van
1. de instructie van de particuliere synode van het Noorden d.d. 7 april 2016 inzake art. 5 lid 5 K.O.;
2. het desbetreffende rapport van haar commissie van onderzoek en rapport;
heeft gehoord
de bespreking op de vergadering;
constateert
dat het verschillende keren voorgekomen is dat een predikant zijn eerste gemeente verliet, terwijl hij er nog geen vier jaar gediend had;
overweegt
1. dat het niet wijs is in reactie op incidenten regels aan de kerkorde toe te voegen;
2. dat als de kerkenraad van mening is dat de predikant te vroeg zijn eerste gemeente dreigt te verlaten, dit in de periode dat het beroep loopt in een gesprek met de predikant aan de orde gesteld kan worden;
3. dat kerkenraden die een predikant willen beroepen die in zijn eerste gemeente staat, zeker zullen overwegen of het verstandig is deze predikant te beroepen, wanneer die nog maar kort in zijn eerste gemeente staat;
is van oordeel
dat art. 5 lid 5 K.O. de kerken voldoende richting geeft betreffende de gewenste minimale duur van de ambtelijke bearbeiding van een gemeente;
en besluit
1. de instructie niet over te nemen;
2. hiervan mededeling te doen aan de particuliere synode van het Noorden.

5. Ondertekeningsformulieren

De generale synode heeft kennisgenomen van
1. de instructie van de particuliere synode van het Oosten, d.d. 20 mei en 25 augustus 2015 inzake herformulering ondertekeningsformulieren (bijlage 39 en 40 K.O.);
2. de instructie van de particuliere synode van het Westen, d.d. 6 april 2016 inzake hetzelfde onderwerp;
3. het desbetreffende rapport van haar commissie van onderzoek en rapport;
heeft gehoord
de bespreking op de vergadering;
constateert
1. dat er binnen verschillende kerkenraden, classes en particuliere synodes vragen gerezen zijn ten aanzien van de bewoording van de ondertekeningsformulieren; 2. dat de ondertekeningsformulieren verouderd taalgebruik bevatten;
overweegt
1. dat het, blijkens de verlegenheid die er is bij de bewoording van de ondertekeningsformulieren, goed zou zijn de formulieren te herschrijven;
2. dat de binding aan de gereformeerde belijdenis het doel is van de ondertekeningsformulieren en er daarom ook bij een eventueel positievere en minder defensieve formulering niet gerelativeerd mag worden;
3. dat in de ontmoeting met christenen die het gereformeerd belijden niet onderschrijven op bepaalde punten, de gesprekken niet als vanzelf een defensief karakter hoeven te krijgen, terwijl de bereidheid om de gereformeerde belijdenis te verdedigen tegen wat zich daartegen verzet, geheel blijft bestaan;
4. dat het goed zou zijn als nog duidelijker beschreven wordt dat de Bijbel Gods Woord is en goddelijk gezag heeft en dat het gezag van de gereformeerde belijdenis daarvan afgeleid is;
5. dat het goed zou zijn als in het ondertekeningsformulier verwezen wordt naar het bevestigingsformulier;
6. dat bijlage 12 K.O., het ondertekeningsformulier voor de hoogleraren in de theologie, vrijwel gelijk is aan bijlagen 39 en 40 K.O., en daarom ook bij de herschrijving betrokken zou moeten worden;
is van oordeel
1. dat de ondertekeningsformulieren (bijlagen 39 en 40 K.O.) herschreven dienen te worden, waarbij de inhoud helder verwoord wordt en niets van de betekenis wordt afgedaan;
2. dat de kerken gediend zouden zijn met uitleg over het nut en de noodzaak van art. 52 en 53 K.O., en dus van bijlagen 39 en 40 K.O.;
3. dat het goed is te onderzoeken of de herschrijving van bijlagen 39 en 40 K.O. het wenselijk maakt ook het ondertekeningsformulier voor de hoogleraren in de theologie (bijlage 12 K.O.);
en besluit
1. deputaten kerkorde en kerkrecht de opdracht te geven de ondertekeningsformulieren in bijlagen 39 en 40 K.O. te herschrijven, en daarover te rapporteren aan de generale synode van 2019;
2. deputaten kerkorde en kerkrecht de opdracht te geven onderzoek te doen naar en uitleg te bieden over de noodzaak en de bedoeling van de ondertekening van de desbetreffende formulieren;
3. deputaten kerkorde en kerkrecht de opdracht te geven te onderzoeken of de herschrijving van bijlagen 39 en 40 K.O. het wenselijk maakt ook het ondertekeningsformulier voor de hoogleraren in de theologie (bijlage 12 K.O.) te herschrijven en indien dit naar hun oordeel wenselijk is de synode een herschreven versie voor te leggen;
4. hiervan mededeling te doen aan de particuliere synodes van het Oosten en van het Westen.

6. Artikel 78 en 80 K.O.

De generale synode heeft kennisgenomen van
1. de instructie van de particuliere synode van het Westen, d.d. 6 april 2016 inzake onderzoek art. 79 en 80 en bijlage 44 K.O.;
2. het desbetreffende rapport van haar commissie van onderzoek en rapport;
heeft gehoord
de bespreking op de vergadering;
constateert
1. dat in art.79 K.O. gesproken wordt over ‘openbare grove zonde’ zonder dat daarbij iets gezegd wordt over de vraag hoe die zonde openbaar is geworden;
2. dat in de artikelen 79 en 80 K.O. niet gesproken wordt over factoren die mogelijk tot de ‘openbare grove zonde’ geleid kunnen hebben;
3. dat er in art.73 K.O. voor gemeenteleden wel aandacht is voor heimelijke zonden, maar dat in de artikelen over tucht over ambtsdragers deze aandacht niet voorkomt;
4. dat er in de artikelen geen mogelijkheid bestaat voor een tijdelijk op non-actief stellen na beleden schuld, waarna na een bepaalde periode weer een beroepbaarstelling kan volgen;
overweegt
1. dat er verschillend geoordeeld kan worden over zonde die openbaar is gekomen doordat iemand is betrapt of ontmaskerd én zonde die openbaar is geworden doordat iemand zelf tot inkeer is gekomen, de zonde heeft beleden en vergeving ontvangen heeft;
2. dat omstandigheden, (psychische) ziekte en andere factoren die mogelijk van invloed zijn geweest op het handelen van de predikant, meegewogen dienen te worden in een eventueel besluit tot schorsing of afzetting;
3. dat de formulering van art. 80 K.O. (‘behoren gestraft te worden’) weinig ruimte laat voor het meewegen van allerlei factoren;
4. dat het mogelijk is dat een ambtsdrager een zonde belijdt die niet openbaar is of hoeft te worden;
5. dat de behandeling van tuchtzaken doorgaans in comité plaatsvindt, waardoor eerder gevonden wijsheid veelal niet toegankelijk is, met als mogelijk gevolg dat in vergelijkbare situaties verschillend opgetreden wordt;
6. dat een breder instrumentarium dan de kerkorde nu biedt, mogelijk dienstig zou zijn;
is van oordeel
1. dat de kerken gediend zijn met een grondige kerkrechtelijke doordenking van bovenstaande constateringen en overwegingen;
2. dat het voor de hand ligt dat deze doordenking in eerste instantie plaatsvindt binnen het deputaatschap kerkorde en kerkrecht;
en besluit
1. deputaten kerkorde en kerkrecht op te dragen onderzoek te doen naar de volgende vragen:
a. of de huidige bepalingen voldoende duidelijkheid geven over de verhouding tussen persoonlijke belijdenis, verzoening en de voortzetting van de ambtsbediening;
b. of er naast de tuchtmaatregelen van art. 79 en 80 K.O. een breder instrumentarium wenselijk is;
c. welke mogelijkheden er zijn om kennis te nemen van eerder gevonden wijsheid in gevallen van schorsing en afzetting;
2. daarover aan de generale synode van 2019 te rapporteren en eventueel voorstellen te doen;
3. hiervan mededeling te doen aan de particuliere synode van het Westen.

7. Bijlage 8 K.O. – Samenwerkingsgemeenten

De generale synode heeft kennisgenomen van
1. de instructie van de particuliere synode van het Westen d.d. 6 april 2016 inzake bijlage 8 K.O.;
2. het desbetreffende rapport van haar commissie van onderzoek en rapport;
overweegt
1. dat de instructie van de particuliere synode van het Westen inzake bijlage 8 K.O. geen concrete probleempunten noemt en daarmee ook geen concrete opdracht bevat voor deputaten kerkorde en kerkrecht, noch voor deputaten eenheid;
2. dat een samenwerkingsgemeente via haar afgevaardigden wel degelijk betrokken is bij besluitvorming en dat zij het recht van revisie en appel heeft als zij zich door besluiten niet recht gedaan voelt;
3. dat in de instructie het onder ‘overwegend 4’ genoemde veel verder gaat dan vorige generale synoden hebben uitgesproken;
4. dat het besluit dat in samenwerkingsgemeenten de minst ver strekkende kerkorde vigeert, nog steeds geldt en dat de instructie geen verzoek tot herziening hiervan bevat;
5. dat er in samenwerkingsgemeenten kennelijk wel een probleem ligt als het gaat om divergerende besluiten van een meerdere vergadering van de diverse kerkverbanden;
6. dat dit probleem wel aandacht verdient;
en besluit
1. de instructie als zodanig af te wijzen, maar de intentie ervan over te nemen;
2. deputaten eenheid gereformeerde belijders in Nederland de opdracht te geven om in samenspraak met deputaten kerkorde en kerkrecht te inventariseren op welke punten samenwerkingsgemeenten een probleem ervaren bij divergerende besluiten en de komende generale synode zo mogelijk met adviezen te dienen;
3. daarvan mededeling te doen aan de particuliere synode van het Westen.

8. Geregistreerd partnerschap

De generale synode heeft kennisgenomen van
1. de instructie van de particuliere synode van het Noorden ten aanzien van geregistreerd partnerschap;
2. het gedeelte van het rapport van deputaten kerkorde en kerkrecht betreffende huwelijk en geregistreerd partnerschap;
3. het gedeelte van het rapport van deputaten contact met de overheid betreffende huwelijk en geregistreerd partnerschap;
4. het desbetreffende rapport van haar commissie van onderzoek en rapport;
heeft gehoord
de bespreking ter vergadering;
is van oordeel
1. dat de bezinning op dit onderwerp van blijvend belang is;
2. dat de informatie over dit onderwerp zo actueel mogelijk dient te zijn;
en besluit
1. deputaten kerkorde en kerkrecht op te dragen een studie te verrichten naar de vraag wat de eventuele kerkordelijke implicaties zijn van de gewijzigde wetgeving ten aanzien van geregistreerd partnerschap; zo mogelijk studieresultaten van andere kerkgenootschappen hierbij te betrekken en de synode van 2019 te dienen met het resultaat van deze studie;
2. de kerken op te roepen om vooralsnog te blijven onderscheiden tussen het huwelijk en geregistreerd partnerschap;
3. actuele informatie over dit onderwerp beschikbaar te stellen aan de kerken;
4. van dit besluit kennis te geven aan de particuliere synode van het Noorden.

9. Regeling deputaten onderlinge bijstand en advies

De generale synode heeft kennisgenomen van
1. de instructie van de particuliere synode van het Noorden d.d. 7 april 2016 inzake de regeling van deputaten onderlinge bijstand en advies;
2. het desbetreffende rapport van haar commissie van onderzoek en rapport;
heeft gehoord
de bespreking op de vergadering;
constateert
1. dat de particuliere synode verzoekt om een uitzonderingssituatie te creëren voor kerken die door het besluit van de vorige generale synode inzake korting op ondersteuning in predikantskosten niet meer kunnen voldoen aan de financiële verplichtingen jegens hun predikant;
2. dat de particuliere synode tevens verzoekt om de gevolgen van genoemd besluit van de vorige generale synode met terugwerkende kracht te repareren;
overweegt
1. dat deputaten onderlinge bijstand en advies tot taak hebben om jaarlijks opnieuw te berekenen welke steun een kerk zal ontvangen, onder andere op basis van de in dat jaar geldende, door de generale synode vastgestelde instructie;
2. dat het in het licht daarvan onjuist is te stellen dat vigerende regels mogen worden opgevat als een na te komen toezegging of belofte voor komende jaren;
3. dat een uitzonderingspositie voor bestaande gevallen een ongelijkheid in behandeling introduceert ten opzichte van nieuwe gevallen, die ongewenst is;
4. dat, wanneer een situatie als onder ‘constateert 1’ genoemd zich voordoet, voor een financiële oplossing toch in eerste instantie naar de eigen gemeente moet worden gekeken en niet naar het kerkverband;
5. dat bij de behandeling van een instructie van de particuliere synode van het Zuiden dezelfde problematiek aan de orde komt met een beter alternatief dan het nu gedeeltelijk terugdraaien van het besluit uit 2013;
is van oordeel
dat het desbetreffende besluit van de vorige synode geen aanpassing behoeft;
en besluit
1. de instructie af te wijzen;
2. hiervan mededeling te doen aan de particuliere synode van het Noorden.

10. Kleine kerken

De generale synode heeft kennisgenomen van
1. instructie van de particuliere synode van het Zuiden inzake een taakgroep tot herbezinning op steun aan kleine kerken;
2. het desbetreffende rapport van haar commissie van onderzoek en rapport;
heeft gehoord
de bespreking ter vergadering;
constateert
1. dat de generale synode 2013 moest besluiten de bijdrage aan gemeenten inzake ondersteuning van predikantsonderhoud met vijf procent te verlagen;
2. dat op basis van de huidige tendens te vrezen valt dat in de toekomst meerdere gemeenten geen (volledige) predikant kunnen onderhouden;
3. dat veel kerken de afgelopen jaren in financiële problemen zijn gekomen of zelfs moesten worden opgeheven, waarbij niet altijd duidelijk is wat de oorzaken hiervoor waren;
4. dat in het buitenland kleine gemeenten wel in staat blijken te zijn een eigen predikant te hebben, waarbij niet duidelijk is hoe dat mogelijk is;
5. dat in de plaatselijke gemeenten het belang van landelijk kerkelijk werk steeds minder wordt gezien en de nadruk meer is komen te liggen op de plaatselijke gemeente;
6. dat meerdere keren vanuit de kerken signalen zijn afgegeven dat de afdracht aan de landelijke kerkelijke kassen (te) zwaar drukt op de begroting van de plaatselijke kerk;
7. dat de kerken krimpen en de kosten niet krimpen;
overweegt
dat de vraag zich opdringt of de huidige structuur en inrichting van het kerkverband en de daaraan gelieerde prioriteitsstellingen nog wel werkbaar en verantwoord zijn casu quo blijven;
is van oordeel
1. dat de voortgang van de prediking prioriteit dient te hebben in het gemeentelijke leven;
2. dat een eigen predikant voor de prediking en de verdere bearbeiding van de gemeente van duidelijke meerwaarde is;
3. dat het onwenselijk is dat steeds meer gemeenten in ons kerkverband geen (volledige) predikant meer kunnen onderhouden;
4. dat het zinvol is onderzoek te doen naar de oorzaken van het sluiten van kerken in de Christelijke Gereformeerde Kerken in de afgelopen twintig jaar en de verwachting dienaangaande voor de toekomst en mogelijke oplossingen hiervoor (waarbij breder moet worden gezien dan financiële aspecten alleen);
5. dat het zinvol is te onderzoeken hoe kleine kerken in het buitenland kunnen voortbestaan én een predikant kunnen onderhouden;
6. dat hoezeer de ontwikkeling dat landelijk kerkelijk werk minder de aandacht heeft van de kerkleden ook betreurd kan worden, tegelijkertijd er mee gerekend dient te worden;
7. dat dit vraagt om een heroriëntatie op de inrichting van ons kerkelijke leven;
8. de vragen omtrent de offervaardigheid niet buiten beschouwing mogen blijven;
en besluit
1. een commissie van zeven personen te benoemen met verschillende expertise met als opdracht:
a. te onderzoeken waarom gemeenten in de afgelopen twintig jaar opgeheven moesten worden en welke lessen daaruit te trekken zijn;
b. onderzoek te doen naar de offervaardigheid in onze kerken en de solidariteit binnen het kerkverband, zo mogelijk in samenwerking met de commissie die vanuit het rapport van de desbetreffende synodale commissie over de minimumbijdragen wordt voorgesteld;
c. onderzoek te doen onder kerken in het buitenland waarmee onze kerken een relatie hebben en die uit veelal kleine gemeenten bestaan, hoe het mogelijk is dat kleine gemeenten kunnen voortbestaan én een eigen predikant hebben en welke aanbevelingen dit met zich meebrengt;
d. onderzoek te doen naar de mogelijkheden van heroriëntatie op de inrichting van ons kerkelijke leven;
e. onderzoek te doen naar de bekostiging van de nascholing van predikanten;
f. te onderzoeken hoe het mogelijk gemaakt kan worden dat kleine gemeenten toch een eigen predikant hebben;
g. bij het onderzoek ook de studies van de commissie doelmatigheid en de commissie zichtbaarheid te betrekken;
h. bij dit onderzoek gebruik te maken van deputaatschappen, de Theologische Universiteit Apeldoorn en zo nodig andere expertise van buiten de commissie;
i. daarover te rapporteren aan de generale synode 2019 en deze synode zo mogelijk met concrete voorstellen te dienen;
2. daarvan kennis te geven aan de particuliere synode van het Zuiden.

11. Rentmeesterschap en duurzaamheid

De generale synode heeft kennisgenomen van
1. de instructie van de particuliere synode van het Westen ten aanzien van rentmeesterschap;
2. de bevindingen en adviezen van deputaten onderlinge bijstand en advies in deze zaak;
3. het desbetreffende rapport van haar commissie van onderzoek en rapport;
heeft gehoord
de bespreking ter vergadering;
constateert
1. dat de kerken als rentmeesters zeker op een goede en bewuste manier met de schepping moeten omgaan en daarom positief moeten staan ten opzichte van initiatieven om een ‘groene kerk’ te zijn;
2. dat de instructie gaat over mogelijke belemmeringen in de regelgeving van deputaten onderlinge bijstand en advies in relatie tot duurzaam kerk-zijn;
overweegt
1. dat deputaten aangeven sympathiek te staan ten opzichte van rentmeesterschap en duurzaamheid;
2. dat deputaten hebben laten zien dat ze in de praktijk soepel omgaan met de regels;
3. dat deputaten waarschuwen voor allerlei aparte regelingen;
4. dat deputaten geen voorstander zijn van regelingen met terugwerkende kracht;
is van oordeel
1. dat we als kerken positief moeten staan tegenover initiatieven aangaande zorgvuldig rentmeesterschap;
2. dat de instructie berust op het misverstand dat de huidige regelgeving van deputaten onderlinge bijstand en advies belemmerend werkt om tot duurzame investeringen te komen;
3. dat het huidige financiële beleid niet belemmerend werkt voor concrete stappen die kerken wensen te zetten met het oog op duurzaamheid;
4. dat de huidige regelgeving van deputaten onderlinge bijstand en advies op dit punt geen revisie behoeft;
en besluit
1. deze instructie niet over te nemen maar wel uit te spreken het nemen van initiatieven aangaande zorgvuldig rentmeesterschap dringend in de aandacht van de kerken aan te bevelen;
2. en daarvan mededeling te doen aan de particuliere synode van het Westen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.