+ Meer informatie

Prof. Quispel kapittelt orgel bij ledeboerianen

Florijn promoveert op Ledeboer-traditie

2 minuten leestijd

UTRECHT — De Utrechtse emeritus-hoogleraar prof. dr. G. Quispel vindt het vreemd dat de volgelingen van ds. L. G. C. Ledeboer het orgel hebben toegelaten in hun eredienst. Hij zei dit gisteren tijdens de promotie van drs. H. Florijn op diens proefschrift "De Ledeboerianen, een onderzoek naar de plaats, de invloed en de denkbeelden van hun voorgangers tot 1907".

In zijn kritiek refereerde de hoogleraar aan de zijns inziens gemeenschappelijk wortels van „Moskou, Dordt en Kinderdijk". Hij vroeg zich af waarom Russisch-orthodoxen en bevindelijk-gereformeerden („via Origines") wel dezelfde Tale Kanaäns gebruiken, maar niet dezelfde middelen voor de begeleiding van de gemeentezang. Volgens drs. Florijn was het gebruik van het orgel in die tijd „een vanzelfsprekendheid". Als er al gebruik moest worden gemaakt van een voorzanger, dan was dat meer door gebrek aan geldelijke middelen dan uit principe. Van een orgelstrijd is nergens sprake, zo had hij ontdekt.

Geen zending

Op de vraag van de missioloog prof. dr. J. M. van der Linde waarom de ledeboerianen „tot op Kersten" zo weinig aandacht voor de zending hebben („Ik vind wel verwijzingen naar Voetius, maar niet naar Hoornbeeck en Udemans in uw boek"), antwoordde Florijn dat de groep dermate introvert was, dat er weinig energie overbleef om na te denken over het zendingsmandaat uit Matthéüs 28. Bovendien waren er weinig eigen voorgangers.

De kerkhistoricus prof. S. van der Linde (een broer van de missioloog) verweet de ledeboeriaanse traditie „een weinig Calvijn-vriendelijke start". Volgens hem hebben schrijvers als Schortinghuis, Lampe en Tjaden („een sympathieke tobber") de groep op een eenzijdig „eeuwigheidsspoor" gezet. Volgens Florijn zijn de ledeboerianen via Van der Groe door Calvijn beïnvloed. Dat zij zo goed als geen aandacht hebben voor de schepping, schrijft hij toe aan hun visie op de „gevallen maatschappij".

Vergelijking

Prof. dr. F. J. A. de Grijs van de KTHU sloot in zijn kritiek aan op de opmerking van prof. Quispel, dat het proefschrift aan kracht had kunnen winnen door een vergelijking van de ledeboeriaanse traditie met de theologie van de Vroege Kerk. „Een historisch en internationaal perspectief zou uw pleidooi voor de Zeeuwse eigenheid een breder kader hebben gegeven", aldus de hoogleraar. Florijn zei zich in zijn onderzoek te hebben beperkt tot de Nadere Reformatie omdat die stroming bij ledeboerianen „domineert". Verder dan enkele spaarzame verwijzingen naar het Engels taalgebied (Philpot en Huntington) komt het niet.

Promoter prof. dr. O. J. de Jong overhandigde de promovendus uiteindelijk de bul. Hij memoreerde dat drs. Florijn onder meer meewerkte aan de herdenking van de Synode van Dordrecht. Florijn schreef voorts tal van biografieën voor het Biografisch Lexicon voor de geschiedenis van het Nederlands protestantisme. In het dagelijks leven is hij werkzaam in het onderwijs. Ook is hij betrokken bij de ontwikkeling van een godsdienstmethode voor lbo/ibo-leerlingen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.