+ Meer informatie

Schoonheid in de natuur

5 minuten leestijd

Vele vacantiegangers hebben geen oog voor het schone in de natuur. Ze zoeken bos en heide op of toeven op het strand, omdat. . . . ja, omdat zo velen daar zijn; het is er een gezellige drukte. Niet zo velen zoeken de ongerepte natuur om ver van de woelige wereld tot zich zeil te komen: deze zoeken de stilte. Typisch is ook, dat oude steden een bezoek krijgen en oude gebouwen zeker niet worden vergeten. Zou het daar vandaan komen, dat de mensen terug gezet wensen te worden uit het bruisende leven van vandaag in de rustige sfeer van eeuwen geleden? Velen, die dagelijks verkeren in een schoon landschap en die geregeld langs de oude bouwwerken lopen, zien het schone niet meer en kunnen niet begrijpen, wat zo velen trekt. Ze snappen niet, wat er toch eigenlijk te zien is aan die oude kerk en dat bouwvallige kasteel, want zij lopen er gedachteloos aan voorbij. Het is het heimwee naar de tijd, toen alles er zo rustig naar toe ging en er gezapig werd geleefd; het is een vlucht uit de werkelijkheid van het jagen en rennen van de moderne samenleving.

Velen zijn dan ook al lang uitgekeken in eigen land: het buitenland, dat is nog eens wat! Eensdeels is dit wel te verklaren, omdat het oog nooit verzadigd wordt van zien, maar anderzijds is het een teken, dat ze het schone niet kunnen waarderen in de eigen, kleine bedoening. Zij, die echt rust zoeken voor lichaam en geest, kunnen stil gezet worden bij een golvend korenveld, bij de verwilderde groei van een duinlandschap; ze kunnen lange tijd luisteren naar het jubelen van een leeuwerik, naar het spelen van de wind in de toppen van de bomen of naar het ruisen van de altijd-zingende zee.

„Wij volgen 't strand en zien het wonder aan: de wolken zwieren in de lucht als vanen, hun schaduw blauwt de blanke waterbanen, waarop de verre, bonte zeilen gaan.

De lucht, de wolken, zee en zand en duinen, de zachte zon, wier schijn het al vereent, zij vieren kleuren als ons droomen leent aan parelmoer in onderzeesche tuinen.

Het sneeuwig schuim in blanke vlokken stuift van golven kantelend waar eigen kracht stuit op de zandbank, tot een stille vracht in vlakke vloeiing vredig verder schuift.

Let op die laatste regel. We hebben het kantelen van de golven wel gezien, en als dan de kracht van de watermassa is gebroken op het strand, dan stroomt er nog water zachtjes verder. Door de alliteratie (die vele v's achter elkaar) en door het kalme rhythme zien en horen we de golfslag uitslaan op het strand.

Wat de dichter tot nu toe heeft genoemd, is de gewaarwording van iemand, die het mooie in de natuur aanschouwt en die het in woorden kan uitdrukken. Maar in het slotvers komt het prozaïsche naar voren. Hier drukt de dichter uit, hoe het gaat met hen, die wel de zee hebben opgezocht, maar die niet goed weten waarom; die een rustig hoekje uitgezocht hebben om daar niets anders te doen dan zich bruin te laten branden door de zon; die van het gedurige beweeg van de woelige zee niets zien en van het oneindige van de watermassa niets bemerken, nog veel minder stilstaan bij de Schepper, Die alle dingen uit het niet heeft voortgebracht, door enkel te spreken: Er zij....! In deze vier regels drukt de dichter dit uit:

Twee karren komen langzaam doof het zand, zij houden stil, twee mannen stappen uit en harken vlug en licht den schelpenbuit, dien vloedgolf achterliet op 't vaste strand..

Lees nu de eerste drie coupletten en daarna het laatste, en duidelijk zal het grote verschil te horen zijn. Die coupletten zijn van Th. van Ameide, waarvan vorige keer iets is gezegd. Willem Kloos ziet de zee als volgt:

De zee, de zee klotst voort in eindeloze deining, O' de zee, waarin mijn ziel zichzelf weerspiegelt ziet; de zee is als mijn ziel, in wezen en verschijning,

zij is een levend schoon en kent zichzelve niet. En Boutens:

Vlakke middagzee plooit even Aan beur rand in vlotte reven Van het dode tij: Ruischingen als ademhalen, Die in langre stilten dalen, Murmelen voorbij.

Lichtdoorvloeide neevlen kleuren Al de kimmen die zij beuren Bij het hemelsche gezicht, Dat de schepen die er gleeën Langs de verre stille zeeën, Zweven in 't verwolkte licht.

De schoonheid in de natuur zag ook heel goed de dichter Jan Luyken, maar deze zag meer dan natuur: hij trok er een les uit voor het leven.

Tk zag de schoonheid en de zoetheid aller dingen En sprak: „Wat zijt gij schoon!" Toen hoorde mijn gemoed: „Dat zijn wij ook, maar Hij, van wien wij 't al ontvingen, Is duizendmaal zo schoon en duizendmaal zo zoet!"

Is hier de zon, gelijk een bruidegom gerezen, Zo schoon en blinkende op het hoogste van de dag, Wat moet Uw aangezicht dan klaar en helder wezen! O God, mijn schoonste Lief, dat ik U eenmaal zag!

INDEX.

Th. van Ameide - Verzamelde gedichten

W. Kloos - Verzen

P. C. Boutens - Stemmen

J. Luyken - Jezus en de ziel

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.