+ Meer informatie

Genesis 2 en 3

5 minuten leestijd

15

We zouden nog terugkomen op de gedachte van prof. Oosterhoff, dat we in Gen. 2 en 3 te maken met een symbolische en niet met een historisch nauwkeurige weergave van wat eenmaal is geschied.

Wanneer er met een vis-lens een foto gemaakt wordt krijgt men een ander beeld dan wanneer van hetzelfde voorwerp een foto gemaakt wordt met een gewone lens. In het eerste geval krijgen we een foto, zoals een vis de werkelijkheid ziet. In het tweede geval, zoals wij die zien. In het eerste geval is de werkelijkheid voor ons, in het tweede geval voor een vis — een ogenblik aangenomen dat die waarneming voor een vis mogelijk zou zijn — vertekend. Maar in beide gevallen is de achtergrond, het beeld voor ogen gesteld. Daar gaat het om. Een vis zwemt in het water en hij ziet de wereld buiten hem met zijn vis-oog en zijn waarneming bedriegt hem niet. Zo is het ook met de mens.

We nemen nog een ander voorbeeld. De aarde is rond. De beste voorstelling krijgt men door middel van een globe, die alles op een juiste schaal weergeeft. Al eeuwenlang is men bezig door middel van kaarten de werkelijkheid weer te geven. Dat kan alleen bij benadering, omdat daarin nooit de factor van de ronding van de aarde kan worden weergegeven. Maar de kaarten worden zo getekend, dat men zich toch een juiste voorstelling kan maken. Men kan er op zee en in de lucht en overal mee werken en men komt tot de ervaring, dat de kaarten kloppen met de werkelijkheid. Dit is natuurlijk slechts betrekkelijk, omdat we te maken hebben met menselijke arbeid.

Hoe is het nu met de symbolische weergave van wat eenmaal is geschied? Kunnen we door een „symbolische” lens de werkelijkheid zien? En is dat dan dezelfde werkelijkheid als die te zien is met een gewone „historische” lens? Of anders gevraagd: ziet iemand, die gelooft in een symbolische weergave van de werkelijkheid die historische werkelijkheid op de achtergrond op dezelfde wijze als iemand, die gelooft, dat we in Gen. 2 en 3 een historisch nauwkeurige weergave hebben van wat eenmaal aan het begin van de mensheidsgeschiedenis heeft plaats gehad?

Het blijkt voldoende uit het betoog van prof. Oosterhoff, dat beide beschouwingen niet met elkaar in overeenstemming zijn te brengen. Iemand als de schrijver ziet het begin van deze geschiedenis anders dan iemand, die nog vasthoudt aan de letterlijke weergave van dat begin.

Dit kan worden opgemaakt uit wat prof. Oosterhoff schrijft in het gedeelte, dat we in het vorige artikel hebben aangehaald. Ieder die nauwlettend leest kan dit opmerken. Dit kan bv. ook worden opgemaakt uit wat hij schrijft over de paradijsrivieren. Die hebben hun loop gehad zoals de Heilige Geest ons dat laat beschrijven, dus letterlijk opgevat. Of ze kunnen heel anders gelopen hebben. Het was de bijbelschrijver te doen om een symbolische weergave. De werkelijkheid vervaagt en verdwijnt in de mist van het symbool. En als het goed mist zie je alles verkeerd.

Ditzelfde geldt ook bij het spreken van de slang. Het is een van twee: de slang heeft gesproken of zij heeft het niet gedaan. Zegt de letterlijke opvatting, dat zij heeft gesproken, en de symbolische van niet of mogelijk niet, dan is hier geen overeenstemming tussen beide opvattingen. Die zijn niet met elkaar te verenigen. Op deze wijze maakt men ten slotte alles in Gods Woord onzeker.

Neem nu bv. de gedachte, dat de bijbelschrijver bij zijn weergave van wat in den beginne geschiedde rekening heeft gehouden met alles wat er in de dagen van Israël aan volksgeloof rondom was, dan stuiten we op twee ernstige bezwaren.

Het eerste is, dat zo wordt gesteld, dat de Heilige Geest, de eigenlijke Schrijver, Zijn openbaring hult in het kleed van de tijd van Israël. Dat stelt de openbaring als zodanig al onzeker. We moeten de bijbel als een oosters boek zien. Zo wordt gesteld. De bijbelschrijver komt op de voorgrond. Dat is een man van zijn tijd. Hij kent de mensen aan wie of voor wie hij schrijft. Van het werk van de Heilige Geest merken we niet veel. Het heeft veel overeenkomst met opvattingen over de prediking, waarbij niet op de voorgrond staat: alzo zegt de Heere, maar de vraag, hoe de prediking kan worden aangepast aan de hoorders van onze tijd. Welke funeste gevolgen dat heeft behoeven we hier niet te zeggen. We willen blijven bij het: alzo zegt de Heere en ook bij de erkenning, dat al de Schrift van God is ingegeven. Het gaat niet om de bijbelschrijver, maar om God, Die Zich openbaart.

Ons tweede bezwaar geldt de gedachte, dat we alleen de Schrift kunnen lezen en verstaan, wanneer we het oosterse coloriet daarvan kennen. Dat wil al eerst zeggen, dat er tevoren geen, althans niet dezelfde openbaring was, maar dat laten we hier rusten. Het wil voor ons zoveel zeggen, dat eeuwenlang de Schrift niet begrepen is. Dan moeten we terug naar de opvatting van Rome, dat alleen de geestelijken de Schrift kunnen verklaren. Dat heeft ingrijpende consequenties, want dan hebben de gelovigen eeuwenlang de Schrift niet recht gelezen en nooit goed verstaan. Dat is echter niet vol te houden, omdat de Heilige Geest allen onderwijst, die op de leerschool des Geestes komen. Wat voor wijzen en verstandigen verborgen is, openbaart de Heere Zijn kinderen.

Daarom zijn er altijd eenvoudige mensen geweest, die niet van slangencultuur enz. afweten en niet veel ontwikkeling hebben gehad of zelfs naar menselijke maatstaf genomen achteraan komen, maar die er blijk van geven, dat de Heere hen onderwijst. Op de Hogeschool van de Heilige Geest, de enige Schriftuitlegger, ontvangen zij kennis van God en goddelijke zaken, zoals niet op een andere hogeschool geleerd kan worden. En ook hoogleraren hebben dit geestelijk onderwijs nodig om van God geleerd te zijn.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.