+ Meer informatie

En allen die over Mij gesteld zijn

6 minuten leestijd

Wij leven in een onrustige wereld. Oorlogen, geruchten van oorlogen, opstanden, revoluties zijn aan de orde van de dag. Niet alleen in het buitenland, maar ook in ons eigen land laat de onrust zich gevoelen. Telkens weer worden wij gekonfronteerd met studenten-demonstraties, stakingen, rumoerige vergaderingen, schoolgebouwen worden „bezet”, ultimatums worden aan direkteuren en kuratoren verstrekt..... en zo wordt alles, en vooral de wereld van de jongeren, geïnfekteerd met het dodelijk vergif van de opstand tegen „allen, die over ons gesteld zijn”, met de venijnige bacil van de ontkenning en verwerping van het gezag door God in het leven gesteld. Hoe men het ook wendt of keert, maar dát is toch de diepe wortel, waaruit al de onrust, verwarring en verzet opkomt. Het is dan ook opmerkelijk, dat vooral het communisme, bezield met de geest van het anarchisme, een klinkende munt uit al die opstanden en verzetsorganisaties begeert te slaan.

God wordt miskend als de grote Gezagdrager! Zijn Woord wordt miskend. Zijn wet wordt miskend. Miskend wordt ook het gezag, dat God gelegd heeft op „allen, die over ons gesteld zijn” om in Zijn Naam te regeren.

Het is opmerkelijk, dat in het vijfde gebod, wanneer het gaat over het gezag, het eerste gesproken wordt over het eren van vader en moeder.

Vader en moeder worden met name genoemd, maar alle andere gezagsorganen worden hier niet uitgesloten. God heeft iets van Zijn gezag willen leggen op vader en moeder, en via het ouderlijk gezag zien wij de lijn naar het burgerlijk gezag, het overheidsgezag, het kerkelijk gezag. God vraagt eerbiediging van Zijn gezag voor „allen, die over ons gesteld zijn”

Het gezin is de cel, waar alle andere verhoudingen uit groeien. Het gezin is wel genoemd een koninkrijk in miniatuur. Geen vorst heeft meer macht dan de ouders beschikken over hun kinderen. Niet alleen de voeding maar ook de opvoeding is in hun handen gelegd. Niet alleen welke kleren de kinderen dragen, maar ook welke richting zij in het leven zullen moeten gaan. Het gezin is de bron, en alle andere verhoudingen van kerk, staat en maatschappij komen daaruit voort. Is de bron troebel dan zal de stroom het ook zijn. Van het gezin uit regeert ook de moeder mee in de kerk, en in de wereld, het is daarom niet zonder betekenis, dat de Schrift van zoveel koningen vermeldt wie hun moeder was!

De opmerking is laatst gemaakt, dat de oorzaak van allerlei losbandigheid, provo-dwaasheid en uitleving van allerlei heidense zeden vooral in het gezin moet worden gezocht. Uitlatingen van jongeren bevestigen dat vaak. Daar is in het gezin geen band, geen leiding, geen liefde, geen begrip. De kinderen moeten zelf hun weg maar door het leven zoeken, men laat de kinderen naar de moderne methode in alles vrij..... Het gevolg is dat de kinderen via bedorven lektuur, bioskoop en televisie in een gemeenschap opgroeien waar het „geen God en geen meester” al meer en meer zijn invloed laat gelden. Is het dan te verwonderen, dat er vandaag aan de dag dingen naar voren komen in de uitleving van allerlei losbandigheid en schandalige zeden, die de ouderen de haren te berge doen rijzen? Is het dan te verwonderen, wanneer het gezag in het ouderlijk huis niet meer aanwezig is, dat de miskenning van het gezag zich op allerlei terreinen van het leven laat gelden? Termen als „inspraak”, „medezeggenschap”, „mondigheid” liggen zelfs jongeren van 16 of 17 jaar reeds voor in de mond. Deze bacil werkt door, zelfs onder de kerkelijke jeugd.

Afgedacht van de „bezette” universiteiten, waar zelfs de toekomstige predikers moeten worden gevormd, denk ik ook aan de andere inrichtingen van hoger onderwijs, waar jongeren, nauwelijks de kinderschoenen ontwassen, de direkteurskamer in bezit namen, en ook zij hun ultimatum stelden. Een teken aan de wand van ons eigen kerkelijk leven is toch zeker ook wel het pamflet, dat onze jongens en meisjes werd uitgereikt na de laatstgehouden bondsdag te Rotterdam. Wij lazen daarin o.a.: „Organiseer kontaktavonden met de kerkeraad en hou je niet stil bij zo’n gelegenheid”. „Misschien is het te overwegen doopleden vanaf 21 jaar stemrecht te geven” „Roep een eigen blad in het leven, waarin je je eigen taal kunt gebruiken om je kritiek te spuien”.

„Probeer eens massaal als jeugd een visite te organiseren bij je predikant, b.v. vlak na kerktijd”.

Dat woord „massaal” spreekt hier boekdelen. Hier komt de „massa-psychologie” om de hoek gluren, waarbij de enkeling zich bloot geeft in zijn zwakheid en onbenulligheid. Men is geen persoonlijkheid, maar wil zijn persoonlijkheid(?) dan toch laten gelden in de massa. Onderzoek van de studenten-demonstraties heeft dan ook bewezen, dat 70 pct. van de studenten zich afzijdig gehouden heeft van demonstratief vertoon en slechts een 30 pct. van allerlei soorten van langharigen zich hiervoor heeft gegeven. Zo leert de psychologie de mens kennen. Wij hebben dan ook vertrouwen in een groot deel van onze jongeren, dat dezen zich niet voor allerlei infiltraties van de geest van deze tijd zullen laten gelden. Het vijfde gebod blijve juist voor onze tijd zijn volle kracht behouden: „dat ik mijn vader en mijn moeder en „allen, die over mij gesteld zijn”. alle eer, liefde en trouw bewijze, en mij hun goede leer en straf met behoorlijke gehoorzaamheid onderwerpe”.

Of er dan niet gesproken mag worden door onze jeugd? Of er dan niet gesproken moet worden mét onze jeugd? Zeer zeker! Mogelijk is dat veel te weinig gedaan. Laten wij als ouderen beginnen onze schuld in dit opzicht te erkennen. Maar dan moeten wij elkander leren vinden in de rechte weg. In erkenning en eerbiediging van het gezag, ook van het ambtelijk gezag. Wij mogen dan waarderen als onze jeugd wal meer „openheid” wenst, meer betrokken wil worden in de prediking des Woords, een gesprek wil voeren over de geestelijke dingen. Niet dus voorop gesteld om „kritiek te spuien”, neen, maar om elkander te leren vinden in de vreze Gods. Zulk een gesprek behoeft dan niet kritiekloos te zijn, maar de boventoon van zulk een gesprek zal dan zijn: onze verhouding tot de levende God. „Mijn ziel doorziet gij uw lot, hoe zult gij rechtvaardig verschijnen voor God?” Alleen daaruit kan voortkomen het gesprek over onze verhouding tot de naaste en dan verliezen wij ons niet in het modewoord van onze tijd, n.l. „seks” etc., maar „dat door onze godzalige wandel onze naasten ook voor Christus gewonnen worden”.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.