+ Meer informatie

PRAKTISCHE PREDIKING

9 minuten leestijd

Een probleem

Dit onderwerp is mij voorgelegd. Het werd ook omschreven als: de praktijk van het leven in de prediking. De bedoeling is duidelijk. Een preek moet praktisch zijn. Het leven van elke dag moet daarin een plaats hebben. De prediking moet ingaan op de problemen van het gewone leven.

In hoeverre dat metterdaad gebeurt of nagelaten wordt, kan ik niet beoordelen. Wel weet ik, dat er alom in de kerken gevraagd wordt om praktische prediking. De vraag om dit artikel mag als een verwoording van die behoefte beschouwd worden.

Er zitten aan het onderwerp verschillende kanten. Ik noem er enkele. Daar is in de eerste plaats de vraag naar het hoe van het onderwerp. Hoe kunnen predikanten de praktijk een plaats geven in de prediking? En welke praktijk: die van de omgang met God? Die van het gezinsleven? Die van school en werkkring? Die van christen-zijn in een geseculariseerde samenleving? Ik noem maar enkele problemen. Uit een enkele jaren geleden in Duitsland ingesteld onderzoek is gebleken dat het onderwerp arbeid en alle problemen daarvan in de preek zelden ter sprake komen. In maximaal 6% van de preken wordt over het dagelijks werk gesproken.

Een ander facet van het probleem is de verantwoordelijkheid van de predikant, het toezicht, de steun en stimulans van de ambtsdragers, en het gerechtvaardigde verlangen van de gemeente. Hoe kunnen deze drie aspecten met elkaar in harmonie worden gebracht?

Het lijkt mij het beste eerst iets over de principiële kant van de zaak te zeggen, daarna iets over de praktische kant en tenslotte iets over de drie genoemde groepen, die bij het onderwerp betrokken zijn.

Wat verstaan we eronder?

Allereerst dan de principiële kant. Onder praktische prediking verstaan we die prediking, die leiding geeft aan de praktijk van het leven van de gemeente. Dat is het leven in gemeenschap met God èn in gehoorzaamheid van Zijn geboden. Praktische prediking heeft betrekking op wat een mens ervaart, als hij tot geloof komt en als hij uit het geloof leeft. Schuld en vergeving, vernieuwing en verwachting, verootmoediging en vertrouwen zijn onderwerpen, die ter sprake komen. Hierover zal heel praktisch in de preek gesproken worden; dus vanuit de beoefening van deze zaken.

Niet levensvreemd, maar levensecht, warm en persoonlijk, midden in blijdschap en moeite, in goede en kwade dagen, zodat de trouw en de genade van God als werkelijkheid worden gepredikt en beleefd. Bij deze praktijk behoort ook de weerstand van de oude mens tegen Gods genade, ongeloof en ongehoorzaamheid die de kop opsteken. Ze worden door Woord en Geest overwonnen.

Onder praktische prediking verstaan we, dat over deze zaken niet beschouwelijk gepreekt wordt; dat er geen verhandeling over wordt gegeven, maar dat er vanuit en met het oog op de praktische beleving over wordt gesproken. En dat zó, dat de tekst het onderwerp en de aanpak bepaalt.

Rechtvaardiging èn heiliging

Wat we tot nu toe bespraken kunnen we omschrijven als beoefening van het geloof. Het houdt direct verband met de rechtvaardiging. Ook de heiliging, de christelijke levenswandel moet aan de orde komen in de prediking. We denken aan de geboden van God in Oud en Nieuw Testament, aan de vermaningen in de brieven, aan de Bergrede, aan de gelijkenissen en de redevoeringen van de Heere Jezus met het oog op waakzaamheid, weerbaarheid en een leven dat op God is georiënteerd. De Heere Jezus heeft in het zendingsbevel ook gesproken over ”het leren onderhouden wat Ik u geboden heb”. De brieven bevatten de schriftelijke uitwerking van deze opdracht. Op een prachtige manier vinden we dit alles besproken in het derde deel van de Catechismus bij de behandeling van gebed en gebod - praktisch tot en met.

Er moet wel op gelet worden, dat het verband tussen heiliging en rechtvaardiging goed wordt vastgehouden. Anders verwordt de prediking tot een stuk moralisme en christelijk activisme, waaraan het abc van de genade ontbreekt. De Catechismus stelt zo duidelijk dat het onderwerp in het derde deel niet de gelovige of de bekeerde mens is, maar Christus. Hij vernieuwt ons tot Zijn evenbeeld, nadat Hij ons met Zijn bloed heeft gekocht, ”opdat wij ons met ons ganse leven dankbaar voor Zijn weldaden bewijzen” (antwoord 86). Het leven der dankbaarheid of het praktisch christenleven is vrucht van Christus en van Zijn Geest. Juist als we dit duidelijk hebben vastgesteld, moet er ook heel praktisch over het leven van elke dag gesproken worden.

Duidelijk, zonder details

Ook nu rijst weer de vraag: hoe moet dat gebeuren? Duidelijk, zonder dat op alle details kan worden ingegaan. Een predikant zal bij de overdenking van de tekst zich steeds weer afvragen: wat betekent dit voor de praktijk van het leven? Hoe kan ik vanuit het gegeven (het onderwerp) van de tekst lijnen trekken naar het gewone leven?

Ik noem een paar gezichtspunten: wat betekent dit tekstwoord voor de omgang tussen man en vrouw, vader en moeder? Tussen ouders en kinderen? Wat zegt het voor de inzet in het gemeenteleven, voor diaconaal dienstbetoon, voor de manier waarop ik mijn werk doe en met andere mensen omga, ongelovigen en gelovcigen? Welk missionair aspect zit er aan de tekst? Hoe kan ik de gemeente toerusten tot een getuigend leven, in woord en daad? Wat betekent de tekst voor onze zelfverloochening? Hoe functioneert het kruisdragen en de navolging van Christus in de uitleg van de tekst?

Het is onmogelijk dat een predikant alle details uit het leven van gemeenteleden behandelt. Het is anderzijds noodzakelijk, dat er zo praktisch gepreekt wordt, dat mensen hun eigen situatie in de preek herkennen. Naar mijn gedachte is het een voorrecht van reformatorische christenen dat ze zelf met de preek aan het werk moeten. Een stuk uitwerking en toepassing moet door henzelf worden gemaakt.

Dat is overigens alleen mogelijk als het Woord met hen aan het werk is. Ons bezig zijn met het Woord is ten diepste altijd vrucht van Gods bezig zijn met ons! Als het goed is, zal de kerkganger in gedachten mee-preken.

Je hoort als predikant na afloop ook wel eens de opmerking: Ik dacht wel dat u daar zou uitkomen. Je hoort ook wel eens de terechte teleurstelling: Jammer dat u dat er niet bij betrokken hebt.

De gemeente moet zich in de preek herkennen. Zij wil haar eigen leven bij de uitleg van de tekst betrokken weten. Met deze opmerking bedoel ik niet te zeggen dat de gemeente uitgangspunt of norm is. Beide zoeken we in het Woord van God. De preek moet een praktische spits naar de mensen in de kerk hebben. Om het maar eens heel gewoon te zeggen: het moet niet maar een theoretische beschouwing of een uitlegkundige verhandeling zijn, waarbij je ’toehoorder’ kunt zijn. Je moet in je ziel en in je zijn geraakt worden. Het is mijn zaak, die daar in de preek aan de orde is, moet een kerkganger tijdens en na afloop van de dienst (kunnen) zeggen.

Hoe moet een predikant dat doen? In de schetsen die sinds enkele jaren op de praktische preekcolleges aan de studenten ter hand gesteld worden, staat de laatste tijd een rubriek ”Punten die in de preek verwerkt moeten worden”. Ik noem nu de vijf punten die in de laatste schets over Zondag 17 worden vermeld. Deze zondag behandelt het heilsfeit van Christus’ opstanding.

1. Heeft de opstanding van Christus een ruime plaats in de persoonlijke geloofsbeleving? Zijn we niet meer bezig met de geestelijke betekenis van het heil dan met de lichamelijke opstanding van Jezus?

2. Wat betekent het voor onze persoonlijke geloofsbeleving dat Christus de tweede Adam is?

3. Hoe beleeft een mens het opgewekt worden tot een nieuw leven?

4. Hoe verdraagt zich dat nieuwe leven met het feit dat we nog zondaren zijn?

5. Zouden we de verwachting van de opstanding ook pastoraal als troostmotief kunnen gebreuiken, als we te doen hebben met ernstig en ongeneeslijk zieken?

Het gaat mij er niet om dat dit de enige vragen zijn die je bij een preek over Zondag 17 kunt bedenken. Er zijn ook nog andere vragen te stellen. Ze zijn misschien nog wel meer ’to the point’ te formuleren. In elk geval is het hierboven geformuleerde een poging om praktische hulp te bieden bij het maken van een preek.

Op de colleges wordt er ook voortdurend aan herinnerd dat een predikant de praktische noodzaak van de preek leert zien in de omgang met gemeenteleden. Trouw en intensief pastoraat levert praktische preekstof op. Dan hoort de predikant welke de vragen zijn. Hij zal proberen daarop in te gaan in de prediking.

Een handreiking van de ambtsdragers

Hier hebben met name de ouderlingen, maar toch ook de diakenen, een taak. Zij mogen in liefde en om te helpen toch wel eens een handreiking doen? Zij kunnen wijzen op vragen of problemen die juist in het verband van een bepaalde tekst aan de orde (hadden) kunnen komen. Een dominee die zulk een handreiking afslaat, is wel erg overtuigd van eigen voortreffelijkheid. Het volgen van Jezus betekent dat we altijd bereid moeten zijn te leren, ook door wat gemeenteleden ons voorhouden of aanreiken, ’t Is wel de toon die de muziek maakt. Het is een voorrecht om als beginnend predikant mensen om je heen te hebben, die bijna op vaderlijke wijze je helpen in het praktisch preken. Naar mijn gedachte is het nodig dat een predikant met zijn kerkeraad en gemeente voeling houdt over zijn preken. Ik besef dat hier een risico aan vast zit. Onwelwillende criticasters kunnen zo de gelegenheid aangrijpen om hun gal te spuwen en de predikant pijn te doen.

Toch moet er een weg te vinden zijn om op een goede, christelijke manier over het praktische aspect van de prediking te praten. Laat het eerst eens in een (kleine) kring van kerkeraadsleden gebeuren; daarna in een kleine kring van gemeenteleden. Het resultaat zou kunnen zijn dat kerkeraads- en gemeenteleden meer onder de indruk komen van de moeite van het maken van een preek. Het resultaat zou ook kunnen zijn dat de predikant zich er nog meer op toelegt praktisch te preken. Als er over de opvatting van praktisch preken tussen predikant en kerkeraad (gemeente) verschil van mening is, dan moet daarover gesproken kunnen worden.

Hoe men ook over het hier besprokene denkt, praktische prediking is van wezenlijke betekenis voor de kerk. De predikant moet ingaan op de vragen van de gemeente. Het kan ook zijn dat hij tot vraag moet maken wat voor een aantal gemeenteleden (nog) geen vraag is. De prediking moet een geestelijke krachtcentrale zijn in het leven van de gemeente. Dat zal alleen het geval zijn, als de prediking praktisch is.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.