+ Meer informatie

OVER DE GELDIGHEID VAN GODS GEBOD naar aanleiding van Verder in vertrouwen

11 minuten leestijd

Het probleem van de wet

In het vorige nummer is met waardering gesproken over de toon van het geschrift, dat ook nu, in een tweede artikel, besproken wordt. Met name de inzet waardeer ik als een bijdrage tot een gesprek in de kring van onze kerken, vooral van de ambtsdragers. Ik ga ervan uit, dat lezers het artikel dat voornamelijk gaat over de belijdenis en geschreven is door prof. Van Genderen, hebben gelezen. Mij is gevraagd in te gaan op de beschouwingen die gewijd zijn aan de geldigheid van Gods gebod (blz. 15-24).

Reeds op de ouderlingenconferentie van april 1985 is in de discussie de prediking van de wet aan de orde gekomen. In de samenvatting van de bespreking (A.C. 1985, blz. 488) heb ik de vraag gesteld of de mogelijkheid van een andere invulling van de wet opengehouden moet worden. Ik bedoelde daarmee een andere invulling dan welke tot heden in onze kring bij het verstaan en concretiseren van de wet werd aanvaard.

Het ziet ernaar uit dat we in Verder in vertrouwen het antwoord op de toen gestelde vraag krijgen. Er wordt nu heel wat meer gezegd. Graag wil ik proberen het betoog van genoemde bladzijden in hoofdlijnen weer te geven.

De wet heeft geldigheid voor alle mensen van alle tijden en voor alle levensverbanden. De vraag is hoe het gebod in ons leven functioneert. Uit de Schrift zelf blijkt dat de geboden gegeven worden als gave van het verbond om in een gebroken wereld richting te geven ten leven. Het is eigen aan de geboden om in te gaan op onze gebroken werkelijkheid. Het gebod wil temidden van die gebrokenheid een weg ontsluiten „die de goede is, of in ieder geval de minst kwade”. Het wil ons leren te leven vanuit ons samen buigen over de Schriften, om ons te bezinnen op de weg die God ons wijst. We mogen geloven dat de HERE ons dan Zijn leiding niet zal onthouden.

Er zijn knelpunten. De eerste is dat het gebod van God niet zonder meer als gebod van God kan worden gehanteerd, waar de relatie met God niet gekend wordt. Pas dan kan het gebod ten volle tot zijn recht komen, wanneer het verstaan wordt vanuit de kennis van God, die het gebod gegeven heeft. Het gebod der liefde is ingebed in de verkondiging van het Koninkrijk van God, zoals dat door Christus gestalte krijgt. Waar de werkelijkheid van het Rijk miskend wordt, is het zicht op de goedheid van God en van Zijn gebod verduisterd. Toch mogen we ons niet aan de discussies van vandaag onttrekken. We moeten de goedheid en heilzaamheid van het gebod beargumenteren en zo het kwaad indammen en terugdringen.

Het gebod moet het leven met God en de naaste werkelijk dienen. „Daarom kan soms, in situaties die haaks staan op de goede orde van God, toepassing van het gebod zonder meer geheel aan zijn doel voorbijgaan” (blz. 19 v.). Men denke aan de boer die in bezettingstijd naar de aanwezigheid van de onderduiker-verzetsman wordt gevraagd. „Het gebod mag niet zo gehanteerd worden, dat het meer kwaad aanricht dan bestrijdt” (blz. 20).

De problematiek die in de classis Amersfoort heeft gespeeld, komt neer op de vraag „of de norm die uit deze Schriftgegevens afgeleid kan worden, ook in iedere gebroken menselijke situatie zonder meer toepasbaar is”. Het eigenlijke verschil ligt dan niet meer in de vraag naar het al of niet geoorloofd zijn van abortus provocatus „maar in de beantwoording van de vraag, hoe wij met Gods geboden in deze gebroken en ontkerstende wereld hebben te staan” (blz. 21).

De kerk moet beseffen dat er nieuwe vragen (medische ethiek, moderne bewapening) zijn opgekomen. „Bij een sterk gewijzigde situatie kan een vasthouden aan zulke oude patronen betekenen, dat het gebod van God ervan wordt weerhouden om de situatie van vandaag echt te raken.” Waar alles van boven af door theologie of besluiten van kerkelijke vergaderingen wordt vastgelegd, vervalt men gemakkelijk tot wetticisme (blz. 22).

We mogen ons niet bij de feitelijke ontwikkelingen neerleggen noch ons de normen daardoor laten aanreiken. „Aan de andere kant is het niet mogelijk Gods gebod te hanteren als een regel die wij zomaar in iedere situatie kunnen toepassen” (blz. 23). De ruimte waarbinnen beslissingen genomen (moeten) worden is veelal een spanningsveld. We nemen soms beslissingen voor het minst kwade, maar mogen ons met die situatie niet verzoenen.

Tot zover de vrij brede weergave van het betoog. Ik meen hiermee aan het geschrevene recht te hebben gedaan.

Enkele punten onderstreep ik:

- Gods gebod is er voor alle mensen in alle tijden in alle levensomstandigheden.

- De werkelijkheid van de zonde verduistert het zicht op de goedheid van Gods gebod.

- We moeten aan hedendaagse discussies deelnemen en de goedheid en heilzaamheid van het gebod beargumenteren.

- Door toepassing van het gebod zonder meer in een zondige werkelijkheid kunnen we juist aan het doel van het gebod voorbijgaan.

- Een veralgemening van het gebod is in zo’n zondige situatie niet mogelijk. Het gebod wijst ons soms de weg naar het minst kwade. Dat is daar het geval, waar we vanwege de gebroken relatie met God het gebod niet zonder meer als gebod van God kunnen hanteren.

- Kernvraag is: hoe staan we met Gods gebod in een gebroken en ontkerstende wereld.

In deze samenvatting heb ik niets anders gezegd dan in de weergave staat. Ik heb de problemen wat toegespitst en op een rijtje gezet.

Laat ik nu eerst op enkele punten mogen wijzen,die ik onduidelijk vind en mij met vragen laten zitten.

Vier vragen

1. Met name het tweede gedeelte gaat sterk uit van de situatie waarin God niet (meer) gekend wordt. Is de mening dat we met het gebod soms het minst kwade moeten bewerken, alleen van kracht in een geseculariseerde samenleving; of is de gemeente zozeer in deze samenleving ingebed en er door bepaald, dat ook voor haar beslissingen geldt: ze moet het minst kwade realiseren? Met andere woorden: gaat de gemeente die God mag kennen in Zijn genade en de wet als het gebod van het verbond, anders met de wet om dan christenen in de geseculariseerde wereld met de wet (moeten) omgaan? De grote nadruk op de afwezigheid van de kennis van God en op de weerstand tegen Zijn gebod, mag doen verwachten dat het er in de gemeente anders uitziet. Toch zie ik van een eigen gemeente-ethiek geen spoor! Ik vind dit een betreurenswaardig tekort. Het komt er dan op neer dat de gemeente voor het functioneren van het gebod zich in belangrijke mate bepaald weet door de geseculariseerde samenleving.

De samenleving waarin de gemeente van het Nieuwe Testament verkeert, was een heidense samenleving. Toch bemerk ik daar niets van een probleemstelling als welke Verder in vertrouwen voor de functionering van het gebod beslissend acht. Krijgt de geseculariseerde situatie hier niet als vertrekpunt een beslissende functie?

2. Terecht zeggen de schrijvers dat Gods gebod voor alle mensen van alle tijden en in alle omstandigheden geldt. Hoe is het dan begrijpelijk dat, als je dit gebod gehoorzaam doorvoert, je aan het doel van het gebod voorbijgaat, of dat het gebod de situatie van vandaag niet echt raakt?

Wie dit laatste stelt, doet aan de geldigheid van de eerste stelling nogal wat af. Ik begrijp heel goed, dat de schrijvers worstelen met de gebrokenheid van het leven. Maar waaraan ontlenen zij het recht de geldigheid van de wet te laten inperken door de gebrokenheid van het leven?

In de eerste plaats moet gezegd worden dat deze gebrokenheid alleen vastgesteld en gemeten kan worden aan de hand van het gebod. Dat geldt overigens evenzeer voor het spreken over „de goede orde van God” (blz. 19). Ook daarvoor is het gebod de maatstaf.

Gaat God met Zijn wet een paar stappen terug, als we stuiten op de door ongehoorzaamheid aan de wet veroorzaakte gebrokenheid van het leven? Laat God van Zijn wet (nogal) wat vallen, als Hij stuit op onze zondige werkelijkheid? Wie daarop ja zegt, gaat ervan uit dat God Zijn wet wijzigt, halveert (of hoe men het ook noemen wil), als blijkt dat zij niet doorvoerbaar is. Maar je kunt toch de geldingskracht van het gebod niet in stukken delen, bijvoorbeeld door haar te halveren?

Ik begrijp heel goed dat de schrijvers op concrete situaties doelen. In de ethiek kennen we het voorbeeld van de boer die door Duitsers ondervraagd wordt, als een botsing van plichten. Er zijn twee plichten die men vanwege de gebrokenheid van ons leven, niet tegelijkertijd kan vervullen. Men moet deze botsing van plichten echter niet zo uitleggen, dat het gebod van God dan vraagt, het minst kwade te doen! Men moet erkennen dat men de ene plicht niet kan vervullen, omdat de andere er in de gebrokenheid boven uitgaat. Men moet in een concrete situatie Gode meer gehoorzaam zijn dan de mensen. Dat Gode gehoorzaam zijn is niet het minst kwade! Het is dat wat God vraagt, omdat mensen eisen stellen die ze niet zouden mogen stellen.

Mijn moeite is dat de schrijvers de indruk wekken dat heel de ethiek en heel ons handelen alleen maar bestaat uit zulke botsing van plichten. Dan wordt het abnormale maatstaf voor elke beslissing. Hoe zou Paulus in zijn brieven echter zo concreet hebben kunnen gebieden en verbieden. Het nieuwtestamentische ethos zou er heel anders uitzien, als het volgens dit model was opgezet.

Ik kan me niet vinden in de gedachte dat Gods gebod ons leert er het minst kwade van te maken. Als wij niet anders meer kunnen doen dan het minst kwade, moeten we ons daarvoor niet op het gebod beroepen. Dat leert ons nooit kwaad doen. Het leidt ook nooit tot kwaad doen (zoals helaas wel gesuggereerd wordt). Voor kwaad doen kan men zich nooit op het gebod beroepen. Men zegt wel dat wij mensen soms er niet onderuit kunnen om vuile handen te maken. Wie deze stelling met een beroep op het gebod verdedigt, zegt impliciet, dat God Zelf vuile handen maakt door van mensen te vragen wat hun (eigenlijk) verboden is.

3. Waar God niet gekend wordt, kan het gebod niet zonder meer als gebod van God gehanteerd worden. Wat wordt hiermee bedoeld? Willen de schrijvers zeggen, dat ongelovige mensen oorsprong en bedoeling van Gods gebod niet onderkennen? Willen zij bovendien zeggen dat de wet van God in het kader van het Evangelie gepredikt moet worden, om echt van harte aanvaard en verstaan te worden? Op deze vragen zou ook ik bevestigend willen antwoorden.

Maar wat moet er gebeuren, als mensen dat Evangelie niet aanvaarden, als zij zich niet tot God bekeren en de wet afwijzen? Heeft de wet dan geen geldingskracht meer? De schrijvers hebben de onvoorwaardelijke geldingskracht toch juist in het begin beleden!

Waar blijft de reformatorische gedachte van de usus politicus, dat wil zeggen van het gebruik van de wet in het samenleven van burgers, ook als velen, verreweg de meerderheid van hen niet gelooft?

We stuiten hier op hetzelfde probleem als bij de tweede vraag. Neemt God dan Zijn wet terug, omdat mensen Hem niet erkennen? Daarvan kan toch geen sprake zijn. Waar blijft de gemeente met haar getuigenis als ze in een ontkerstende wereld zegt: zolang jullie het Evangelie niet geloven, kunnen wij met de wet niets doen; of zullen we van de wet zoveel afdoen dat we het minste kwaad bewerken? Hoe komt dat minst kwade tot stand? Niet aan de hand van de wet, maar naar de mate waarin het een geseculariseerde samenleving belieft zich nog iets van de wet aan te trekken. Doch dan bepaalt de gebroken samenleving en de zondige mens, hoever het gebod van God nog geldig is. Voor die geldigheid moet echter juist de gemeente het opnemen. De nogmaals te citeren stelling dat „het gebod van God niet zonder meer als gebod van God kan worden gehanteerd waar de relatie met God niet gekend wordt”, lijkt mij - in het licht van de praktische consequenties - dan ook in strijd met de manier waarop de Reformatie over de wet, haar betekenis en hantering gesproken heeft.

4. Wat wordt bedoeld met de stelling dat de wet niet in iedere gebroken menselijke situatie zonder meer toepasbaar is? Ik kan ermee instemmen dat we in verband met de toepassing van de wet de situatie biddend moeten onderzoeken (Fil. 1 : 9-11 ; Col. 1 : 9-11). De strekking lijkt mij in het kader van het hele betoog echter een andere; namelijk deze dat de gebroken situatie mede bepaalt wat het gebod van ons vraagt. Dit type-ethiek staat bekend als situatie-ethiek. Dat wil zeggen: We weten nooit precies wat God van ons vraagt. Pas in de situatie en vanuit de kennis van de situatie, gaan we weten wat God vraagt. De mogelijkheid dat het gebod ervan weerhouden wordt de situatie te raken, past als uitdrukking precies in het kader van een situatie-ethiek. Het is met name de situatie-ethiek, die de onder andere aan onze Hogeschool voorgedragen ethiek het verwijt van wettisisme maakt.

Hierbij laat ik het. Het komt me voor dat er aan de in Verder in vertrouwen voorgedragen stellingen grote praktische consequenties zitten. Het lijkt me goed dat de schrijvers ingaan op de door prof. Van Genderen en mij gestelde vragen en gedane suggesties.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.