+ Meer informatie

WOORD EN BEELD IN DE EREDIENST

toegespitst op beamergebruik

8 minuten leestijd

Steeds vaker bevat de uitnodigingsbrief voor gastpredikanten de vermelding van de aanwezigheid van een beamer in de kerkzaal. Met vervolgens een aantal suggesties voor het gebruik. Dat past bij onze tijd, waarin bij de overdracht van informatie het visuele een grote plaats heeft. Maar past het ook bij: ‘Het geloof is uit het gehoor’?

ALLEEN EEN STEM?

In de Bijbel heeft de woordelijke communicatie van het Evangelie een principiële prioriteit. En dat niet alleen omdat er in die tijd vooral sprake was van mondelinge overlevering. Het woord en de taal is de speciale gave van de Schepper aan de mens, waardoor Hij zich met hem kan verstaan. Daarbij mag worden bedacht dat de oosterling sterker dan de westerling beseft dat een woord nooit maar een verzameling klanken is. Zeker van het woord van God geldt dat het vervuld is met scheppende kracht. Het geeft niet alleen betekenis aan een werkelijkheid, het roept een werkelijkheid op. ‘God zei: Er zij licht! - en er was licht.’ Als Mozes Israël herinnert aan de verbondssluiting op de Sinaï, zegt hij: ‘Er was alleen een stem.’ (Deut. 4:12).

Tegelijk is het beeld nooit afwezig geweest. We vinden in het Oude Testament een veelheid aan visualiteit. Denk aan de tabernakelsymboliek. Er zijn profetische tekenhandelingen (bijvoorbeeld Jesaja met zijn ‘beamer’: 8:1-4), die overigens wel vervolgens met woorden worden uitgelegd en toegepast. Het tweede gebod verbiedt een afbeelding van God te maken. Een afbeelding legt namelijk een werkelijkheid vast en de werkelijkheid van de Here God onttrekt zich aan elke vastlegging. Mensen, dieren of dingen mogen wel afgebeeld, mist niet tot aanbidding. Dat die verleiding er toch steeds is, blijkt in de geschiedenis van Israël. Mozes mocht in de woestijn een koperen slang maken (Num. 21: 4-9), in de Koningentijd werd daarmee afgoderij bedreven (2 Kron. 30 en 31).

HET LEVENDE BEELD

In de menswording van het Woord geeft de Here God toch een Beeld van zichzelf (Kol. 1:15). Veel oudtestamentische symboliek vindt haar vervulling in de Here Jezus. De tabernakel bijvoorbeeld (Hebr. 9). Er is ook bij de Here Jezus van alles te zien: wonderen en tekenen. Hij stelt zelf de zichtbare tekenen van doop en avondmaal in. Vaak wordt in een pleidooi voor visuele hulpmiddelen bij de verkondiging gewezen op de gelijkenissen van Jezus. Daarin worden inderdaad allerlei beelden opgeroepen maar op zichzelf blijven gelijkenissen wel een vorm van beeldend spréken. Als Petrus een heerlijk moment in de omgang met de Here ‘vast wil leggen’, klinkt het van de hemel: ‘Hoort naar Hem!’ (Mat.17:5).

Intussen overvragen we het bekende woord van Paulus ‘Zo is dan het geloof uit het horen en het horen uit het Woord van Christus’ (Rom.10:17), als we daarmee de discussie over verbaal en visueel beslist willen zien. Het gaat er in die tekst om of het ongelovige Israël wel voldoende gelegenheid heeft gekregen om tot geloof te komen. Jazeker, want het heeft ruimschoots het Woord van Christus mogen horen. Daarop zal het de eeuwen door aan blijven komen, maar om de weg te banen voor het Woord heeft de Geest vele pijlen op zijn boog. Paulus zelf hoopt dat in elk geval zijn eigen leven een plaatje is bij zijn prediking (Fil.4:9).

Dit lijkt dus de lijn van de Schrift: de overdracht met woorden heeft prioriteit maar het beeld kan helpen om aandacht te trekken, openheid te bewerken, en om de verkondiging inhoudelijk te ondersteunen. Zou de diepste achtergrond hiervan niet zijn, dat de Geest de hele mens op het oog heeft en via alle zintuigen een weg zoekt voor Gods Woord naar ons hart?

HET OOG WIL OOK WAT

In de vroege kerk werd royaal gebruik gemaakt van symboliek. Zo diende in de catacomben van Rome de Ichtusvis als herkenningsteken voor de christenen. De betekenis van beelden werd medebepaald door het feit dat er veel analfabetisme was en doordat het Woord in het Latijn klonk. Beelden, iconen, muur- en altaarschilderingen werden de ‘boeken der leken’.

De grootste zegen van de Reformatie in de 16e eeuw was de herontdekking van het Woord. De Bijbel kwam beschikbaar in de landstaal en het Latijn werd in de eredienst teruggedrongen. De gereformeerde kijk op de verhouding van w(W)oord en beeld vinden we in zondag 35 van de Heidelbergse Catechismus.

Toch hebben ook de reformatoren ruimte gelaten voor een ondersteunende functie van het visuele bij de woordverkondiging. Interessant is de opvatting van Calvijn. Hij zegt voor zijn eigen tijd het visuele in de eredienst te willen beperken tot wat de Here zelf daartoe gaf: de sacramenten van doop en avondmaal. Maar hij zei zich te kunnen voorstellen dat de kerk in een andere tijd een grotere plaats geeft aan het beeld of de afbeelding (Institutie IV, 3 en 10).

HET OOG WIL TEVEEL

We zouden ons kunnen afvragen of onze tijd niet zo’n andere tijd is. Het gaat wat ver om in onze tijd te spreken van een nieuw analfabetisme maar het is wel een feit dat de boekhandel het moeilijk heeft en niet alleen vanwege Bol.com. Het geschreven woord heeft aan kracht ingeboet, het gesproken woord nog meer. Wie nu nog informatie wil overdragen, kan niet meer om het mutimediale, en in elk geval visuele, heen.

Intussen maakt wetenschappelijk onderzoek duidelijk dat beelden, binnenkomend in onze hersenen, minder ‘weerstand’ ondervinden dan gesproken of geschreven woorden. Beelden vragen minder bewuste aandacht. Ze kunnen emoties raken zonder ‘verstandelijke’ verwerking. Intussen bepalen die emoties in onze tijd veel keuzes. Goed is wat goed ‘voelt’. Meer en meer ook in de kerk. Maar de Here vraagt naar ons hart als het centrum van heel ons leven. En dan is het beeld te vluchtig en gemakkelijk ook teveel.

Er is ook wel een kentering waarneembaar. Door allerlei gefotoshop en trucage wordt nu ook het beeld gewantrouwd. In het bedrijfsleven zie je een voorzichtige herwaardering van het levende en vooral warm gesproken woord boven de gelikte powerpointpresentatie. In de PKN schijnt men terug te komen van een al te dominant gebruik van de beamer in de eredienst.

Het geloof in God de heilige Geest mag ons het vertrouwen geven, dat ook in een visuele cultuur het verbaal verkondigde Woord kracht zal hebben. Naarmate de cultuur van onze plaatselijke gemeente er ruimte voor geeft, kan in dienst van de verkondiging gebruik worden gemaakt van visuele ondersteuning. Wij moeten ons in elk geval van de valkuilen bewust zijn.

WAT ZIET MIJN OOR?

Visuele elementen zijn er in onze kerken sowieso: gebrandschilderde ramen, kunstwerken, scheepsmodellen, kanselkleden, bloemen. Ook van uniforme ambtskleding gaat een sprake uit. En nu is er dus de beamer.

Het minste van het spanningsveld van woord en beeld zal zich doen gelden als de beamer alleen gebruikt wordt als digitaal psalmbord. Maar alleen daarvoor wordt hij meestal niet aangeschaft. Gewoonlijk gaat het minstens ook om het projecteren van liedteksten en te lezen Schriftgedeelten.

Dat heeft onmiskenbaar voordelen: niemand hoeft nog zich te ergeren aan lezing uit een andere Bijbelvertaling dan die men zelf in handen heeft, we zijn af van het gesleep met liedbundels en zingen met opgeheven hoofd klinkt een stuk voller. Er zijn ook wel nadelen: deze praktijk kan gemakzucht bevorderen en toenemende moeite om zijn weg te vinden in het eigen Bijbeltje. Wie christelijk liedteksten wil projecteren, moet auteursrechten betalen. En er worden in de eredienst nog weer meer afhankelijk van techniek.

Een stap verder gaat de ondersteuning van de prediking met tekst op het scherm: de puntverdeling van de preek, steekwoorden van de verdere uitwerking, geci-teerde Bijbelteksten enz. Ook dit kan dienstbaar zijn om er, al luisterend, beter ‘bij te blijven’. Gevaar is dat de prediking betogerig wordt, een aaneenschakeling van oneliners, aan- en inkleding van wat op het scherm te lezen is. Misschien kan in dit opzicht wel zinvol onderscheid worden gemaakt tussen de prediking van ‘vrije stof’ en die in leerdiensten. Als onze leerdiensten weer meer worden wat ze van oorsprong zijn (gemeentebrede catechisatie-uren) zou beamergebruik meer gepast kunnen zijn en ook breder als zodanig ervaren worden.

Spannend wordt het bij de ondersteuning van de prediking met afbeeldingen of bewegende beelden. Er is ook in dat opzicht wel weer verschil. De gesignaleerde gevaren doen zich minder voor bij objectieve afbeeldingen (landkaart, model tabernakel, olijfboom, olielamp). Als het gaat om de afbeelding of verbeelding van Bijbelse figuren of geschiedenissen is het van groot belang of duidelijk is dat het om een (één) interpretatie gaat. Dat is bij een schilderwerk duidelijker dan bij een filmfragment. Hoe meer ‘naar het leven’ des te nauwer steekt het. Het ‘opleuken’ van een povere preek met flitsende beelden zal sowieso niet werken.

HET PRIMAAT VAN HET GELOVIG LUISTEREN

We keren terug naar het begin. Omdat het de Here zelf behaagd heeft Zich het duidelijkst te openbaren op de wijze van de spraak, de taal en het woord, mag ook voor ons het luisteren, horen en verstaan het meest passende instrument blijven om Hem te kennen en steeds beter te leren kennen. ‘Spreek, Here, uw knecht hoort’ (I Sam.3:10) en: ‘Wie oren heeft, die hore wat de Geest tot de gemeente zegt’ (Opb.2 en 3). Als het aankomt op onze roeping om het Woord van de Here bij het hart van mensen te brengen, kan beamergebruik dienstig zijn. Al blijft het geloof naar een mooie uitdrukking van Calvijn ‘zien met je oren’.

Ds. Schenau (1960) dient de kerken sinds 1989 en staat momenteel in Goes

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.