+ Meer informatie

Bij de aanvang van het nieuwe cursusjaar

11 minuten leestijd

Deze weken begint het nieuwe cursusjaar weer. Voor de kleuters en de oudere kinderen wat eerder dan voor hen die het voortgezet onderwijs gaan volgen, maar hoe dan ook de cursus 1974—1975 neemt een aanvang. Vele ouders moeten hun kind dan voor het eerst loslaten of zien vol spanning tegemoet hoe hun zöon of dochter het op de basisschool of op een school voor voortgezet onderwijs zal doen.

Dit (voor het eerst) naar school gaan van een kind betekent heel wat. De ouder moet een deel van de opvoedende taak overlaten aan een ander. Let wel: een deei ervan overlaten, niet uitbesteden. Wellicht nog meer dan toen het kind thuis was, dient de ouder zich nu met de opvoeding bezig te houden. Het blijft het kind van de ouders en het is niet het kind van de (staats)school. De chrlstenouder beloofde dan ook het kind te onderwijzen en te doen onderwijzen. Deze (doop)belofte wijst al op een nauwe relatie tussen de ouder en de school. De school is de uitvoerende macht van de ouder. Hij — de ouder — zegt hoe het moet zijn, hoe het karakter van de school dient te zijn. Daarbij is begrip voor allerlei onderwijskundige zaken die voor de leek teveelomvattend zijn om werkelijk ten diepste te worden verstaan, maar de grondtoon van het onderwijs wordt bepaald door de ouders. Dit is overigens niet iets specifieks voor het bijzonder onderwijs. Ook bij het zgn. neutrale onderwijs komt men steeds meer tot deze opvatting, getuige de vraag naar en het werk van oudercommissies en dergelijke.

Kerk
Er is een nauwe relatie tussen de ouder en de school werd hierboven gesteld. Als we ons beperken tot het protestants-christelijk onderwijs dan is deze relatie te verklaren vanuit de doopbelofte. Nu is in het verleden al onderkend dat het nooit de individuele ouder kan zijn die de school de wet voorschrijft. In de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden was het dan ook de Kerk die een toonaangevende funktie had ten opzichte van het onderwijs. Zo moesten de onderwijzers op een gegeven moment de Drie Formulieren van Enigheid ondertekenen om hun aanstelling te verkrijgen. De Kerk had dientengevolge dus ook toezicht op de handel en wandel van het onderwijzend personeel en kon de tucht over hen uitoefenen.

Deze vorm van schoolbestuur vinden we nu nog terug in de zgn. kerkeraadsscholen meestal: stichtingen waar een kerkeraad het bestuur vormt. De ouders laten hun kinderen dopen in die bepaalde kerkformatie en beamen de „voorzeide leer zoals alhier gepredikt" de rechte te zijn. Hun kinderen gaan dan ook naar een school van die kerk.
Daarnaast zijn een groot aantal gevallen waar gelijkgezinde personen uit diverse kerkformaties zich in de vorige eeuw of daarna verzetten tegen „de geest der eeuw" in het onderwijs. Zij deden dit vanuit een gemeenschappelijke belijdenis. Gods Woord was voor hen de Waarheid en de Drie Formulieren van Enigheid gegrond op dat Woord. Dit was (en is) dan ook het niet te veranderen grondslagartikel in menig statutenboekje van een Vereniging of Stichting. Ook hier dus geen particuliere ouders die het onderwijs „maken" maar — indirekt — de beleden leer der Kerk, iets wat men momenteel wel wat al te makkelijk vergeet in protestants-christelijke kringen als men aanhaalt dat de school vanouds (de vorige eeuw) in deze sektor aan de ouders heeft toebehoord.
Dat er binnen deze besturen excessen voorkwamen en voorkomen nemen we graag aan. Dat men wel eens te veel lette en let op bepaalde zaken, terwijl men bijna geen oog heeft voor het totale christelijke (bijbelse) karakter dat het onderwijs moet hebben, zal waar zijn. Wellicht werd de eerste tafel der wet voldoende gepredikt, terwijl men de tweede liberaal toepaste.
Dit alles verklaart echter niet de crisis waarin het christelijke onderwijs is gekomen. Die ligt in het omkeren van wat hierboven staat. Men weet geen weg meer met de eerste tafel der wet, waardoor het christelijke van het onderwijs steeds meer ontleend wordt aan het anders dan voorheen vervullen van de tweede tafel der wet. In dit blad is ettelijke keren hierover geschreven en het zal nog wel meer de aandacht krijgen. Vandaar dat we volstaan met deze schets.
De uiteenlopende gedachten, met name op theologisch terrein werken door op alle facetten van het leven, niet het minst op het onderwijs. We denken hier bv. aan de voortwoekerende Schriftkritiek, de standpunten over de verzoening, de mensbeschouwing en de gedachten die er heersen t.a.v. het komende Rijk Gods.

Uit elkaar groeien
Dikwijls komt het voor dat binnen het bestuur van een Stichting of Vereniging of binnen het ledenbestand personen (ouders) verenigd zijn die wat hun zienswijze betreft zover uit elkaar gegroeid zijn dat hun „eisenpakketten" voor het onderwijs, onderling sterk afwijken. De nazaten van hen die elkaar in de vorige eeuw konden vinden op het fundament van Schrift en Belijdenis zijn ver uit elkaar gegroeid. Voor velen is het grondslagartikel van de Statuten ballast geworden, hoewel men het dikwijls nog wel ondertekent. Als men even kan zal men dit artikel dan ook laten vervallen of zo'n interpretatie geven dat het dan inderdaad de ouders zijn die de school regeren.
Daar waar de partijen elkaar niet veel ontlopen, ontbrandt strijd. Laten we voorop stellen dat het te wensen is dat het altijd voor de volle honderd procent om de principia gaat of ging. Al te veel komen er allerlei menselijke zaken bij.
De partijen zijn ongelijk. De ene partij tracht vast te houden aan Gods Woord en is daarmee in veler oog in het nadeel. Zij is daardoor welhaast per definitie conservatief en staat dus het moderne onderwijs in de weg; doet in wezen het kind tekort, getuige haar eisen t.a.v. de inhoud van het bijbelonderwijs, de manier waarop de christelijke feestdagen gevierd worden, het gebruik van één (Staten)bijbelvertaling, de liederen die geleerd mogen worden, het afwijzen van schooltetevisie, de methoden die gebruikt mogen worden enz. Deze lijst is uit te breiden. Ieder schoolbestuur heeft zo wel zijn eigen problematiek.
Daar tegenover staat eigenlijk... niets. In deze zin gezien dat de tolerantie gepredikt wordt. Het kind moet zich kunnen ontplooien, niet gehinderd door geboden of verboden. Vanuit een verzoende situatie moet het zich kunnen ontwikkelen tot een christen in deze wereld, moet het meehelpen het Rijk Gods op deze aarde gestalte te geven. Het moet al zoekend — met onze hulp — de weg vinden.
Wellicht zijn hier uitersten geschilderd. Zij komen voor! U kunt zich voorstellen wat het voor het personeel is om in zo'n situatie te werken, zeker als het onderwijzerskorps ook nog eens een afschaduwing van het bestuur of de leden van de vereniging moet zijn.
Op zo'n school kan uw kind terecht komen, zonder dat er een redelijk alternatief is. Is het een wonder dat we aan het begin van de cursus vragen: versta uw plicht. Als u de kans hebt houdt u op de hoogte van wat er gebeurt op school, weest waakzaam; bidt en werkt. Praat met uw kinderen over het geleerde Wijst ze de juiste weg als dat op school niet gedaan werd. Laat u niet verleiden tot ordinaire ruzies maar tracht steeds te komen met Gods Woord. Alleen op grond daarvan mag u intolerant" zijn. 't Zal gepaard gaan met een schuldgevoel; „Ja wij, en onze vaad'ren tevens."

Reformatorische school
In veel gevallen werd een andere weg gekozen. Men onttrok zich aan het Verenigings- of Stichtingsverband en kwam tot de oprichting van een nieuwe — Reformatorische — school. Ook dit jaar gaan er een aantal van start bv. Leiderdorp, Vriezenveen, Puttershoek, Amersfoort, Ridderkerk; zowel voor het kleuter- en basisonderwijs als voor het voortgezet onderwijs.
Het lijkt alsof deze scholen de wind mee hebben. Zij rijzen als paddestoelen uit de grond. Zij zijn echter ontstaan door tegenwind of nog erger: door allerlei wind van leer. In wezen is het een treurig verschijnsel, een baken in de zee van ontkerstening en verwereldlijking.
Een baken in zee. Dat moeten deze scholen zijn. Zij zullen waar moeten maken wat onderwijs gegrond op Gods Woord betekent. Als hun oprichting alleen maar een terugtrekken op eigen vertrouwd terrein was, is het mis en staat eenzelfde ontwikkeling als bij het onderwijs dat men verliet voor de deur. 't Is niet zo dat, nu we eigen scholen hebben, alle invloeden van buiten af die we bestreden hebben automatisch verslagen zijn. We brengen immers ons eigen hart mee?
De mensbeschouwving was een van de kardinale breekpunten met het protestantschristelijke onderwijs. Welnu laten we dan nu niet de houding aannemen van „er te zijn". Is het niet voluit Bijbels dat we er hier nooit zijn? Met het innemen van Reformatorische stellingen hebben we de aandacht op ons gevestigd. Laten we dan geen aanstoot geven door betweterig te doen, maar ook niet door allerlei zaken in ons onderwijs door te laten sijpelen die er, hoewel keurig verpakt, eigenlijk niet in horen. Laat ons ten volle proberen te bedenken en te beleven wat het is „in de wereld en niet van de wereld" te zijn.

Verantwoordelijkheid
Een ouder die denkt dat zijn kind „goed" zit op een reformatorische school heeft het mis en werkt mee aan de afbraak van dit onderwijs. Juist hij dient te beseffen dat de school een deel van de opvoeding overnam. Juist hij dient zich op de hoogte te houden van wat er gebeurt. Juist hij dient te bedenken dat de verantwoordelijkheid van de opvoeding in de eerste plaats thuis ligt.
Ook de Reformatorische school is van de ouders, maar dan vanonder de dekmantel van een gemeenschappelijke belijdenis: Heere Uw Woord is de Waarheid. Dat geeft medeleven, dat geeft gebed.

De ouder die dit leest kan op een van de twee fronten staan. Midden in de „schoolstrijd" met het gevaar van verbittering, te grote tolerantie, kwelling van het geweten, uiteindelijk van het verzaken van de doopbelofte. De ander staat in de rust van een Reformatorische school. Met het gevaar van zelfgenoegzaamhieid, van niet meer geïnteresseerd zijn, van afschuiven van verantwoordelijkheid, uiteindelijk van het verzaken van de doopbelofte.
Er werd een gebedsdienst voor het protestants-christelijk onderwijs belegd. Was het onderwijs bij u al een onderwerp van gebed, bij u privé, maar ook in de gemeente?
Er zullen openingsbijeenkomsten van onze scholen gehouden worden. Ook daar wordt het jaar geopend met gebed. Blijft het daarbij? Dan is het fout. Laat het voor ons niet gelden: doe wel naar hun woorden, maar niet naar hun werken.
Laat ons dan het schooljaar beginnen, voortzetten en eindigen met de vraag: Waarmede zal de jongeling zijn pad zuiver houden? We weten het antwoord: Als hij dat houdt naar Uw Woord. Dat ons gebed dan gedurig zij, in welke situatie dan ook: Maak mijn voetstappen vast In Uw Woord en laat geen ongerechtigheid over mij heersen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.