+ Meer informatie

De conferentie van het C.O.G.G.

8 minuten leestijd

De gereformeerde gezindte heeft haar contactorgaan. De afkorting hierboven wordt gehanteerd om dit instituut aan te duiden: Contactorgaan van de Gereformeerde Gezindte. Ieder jaar wordt er — zo veel het mogelijk is — een conferentie gehouden. Ook dit jaar was dit het geval. „De blije werelt” te Lunteren, het conferentie-oord dat onder de gereformeerden een speciale bekendheid geniet vanwege de synoden die daar gehouden worden, zag op donderdagavond 9 april j.l. vele bezoekers binnenkomen, die op dezelfde avond reeds een gedegen referaat te verwerken kregen, waarover zij de volgende dag breedvoerig van gedachten zouden wisselen.

Spreker voor deze gelegenheid was prof. dr. J. Douma, hoogleraar aan de Theologische Hogeschool der Gereformeerde kerken. Naar de vakken die hij doceert wordt hij de ethicus van Kampen genoemd, van vrijgemaakt Kampen binnen verband, wel te verstaan, want synodaal Kampen heeft ook zijn eigen ethicus, prof. dr. G. Th. Rothuizen, zoals ook Amsterdam VU en Amsterdam SU ieder hun eigen ethici hebben en trouwens iedere universiteit of hogeschool. Merkwaardig, deze vakmatige aanduiding, die men in de pers altijd tegenkomt, wanneer men de mensen wil onderscheiden van hun mede natuur- en tijdgenoten.

Er was sprake van blijdschap dat prof. Douma de uitnodiging had aanvaard om in Lunteren voor het C.O.G.G. te komen spreken. Inderdaad ontmoet men in hem een vakman, in de beste zin van het woord, d.w.z. een man die zijn ambt of ambacht (men zegt dat het eerste van het laatste is afgeleid) als een roeping verstaat en die ook bevoegd is om het uit te oefenen. De bedoeling van zijn voordracht was om te wijzen op de ethische kwesties, die binnen de gereformeerde gezindte een grote rol spelen bij de kerkelijke gescheidenheid. Dikwijls kan men mensen ontmoeten, die, wanneer het gaat om de leer een grote mate van eenstemmigheid aan de dag leggen, maar zodra het gaat om de toepassing van de dingen die onder ons volkomen zekerheid hebben, in vele groepen uiteengaan. In die zin is de ethiek een scheidende factor binnen de volksgroep, die zich aan de gereformeerde belijdenis hecht verbonden weet. De beléving van het geloof wordt in een zodanig grote verscheidenheid gevonden, dat het beslist de moeite waard moet zijn om over deze dingen eerlijk en open met elkander van gedachten te wisselen. Daarom was men blij, dat prof. Douma zich bereid had verklaard om op de conferentie van de gereformeerde gezindte het woord te voeren.

Die blijdschap werd zeker niet verkleind, omdat men in hem een vertegenwoordiger mocht ontmoeten van die kerken, die zich in een nauwe binding aan de belijdenis op een vrij zelfstandige manier, zonder zich veel om binnenlandse oecumenische contacten te bekommeren, ontwikkeld hebben. Er is wat moeite gedaan om ook de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt binnen verband bij het werk van het Contactorgaan van de Gereformeerde Gezindte te betrekken. Maar het is tot nu toe niet gelukt. Juist daarom stemde het velen tot blijdschap, dat prof. Douma, zij het geheel voor eigen verantwoordelijkheid, op de conferentie aanwezig was.

Het onderwerp waarover hij gesproken heeft was: „Gereformeerde ethiek: fiasco of perspectief”. Zijn betoog was helder. De trant van spreken was zonder poging om door fraaiheid in zegswijzen zonder meer te boeien. Het boeiende zat in de zaak zelf, de zaak van de gereformeerde ethiek, waarvan velen in onze tijd geen enkel heil meer verwachten, maar waarvan prof. Douma ons de blijvende actualiteit wist aan te wijzen.

Tegenover de verschillende theologieën „van de tweede naamval” (theologie van de revolutie, van de geschiedenis, van de politiek, van de vrijheid e.d.) plaatste prof. Douma de theocentrische, antithetische eschatologische ethiek van de rechtvaardiging door het geloof. Wezenlijke aspecten van deze ethiek zijn die van de vreugde, van de bescheidenheid, van de ongedeeldheid en van de openheid. Vooral in het aanduiden van deze karakteristieken was de spreker duidelijk en indringend.

Het liet zich aanzien, dat de bespreking (in een forum, zoals gebruikelijk is) zich zou toespitsen op de vragen rondom de kerkelijke verhoudingen. Een uitspraak van prof. Douma lokte dit ook uit: de zondagse kerkgang is wezenlijk voor een gemeenschappelijke ethiek in de week. Gereformeerd gezind is nog niet gereformeerde gezond. Op die kwestie is men breed ingegaan, zoals te verwachten was. In menig handboek voor de ethiek vindt men terecht aanwijzingen omtrent de noodzakelijkheid van het lidmaatschap van de kerk — en zouden velen die naar Lunteren waren gekomen om de behandeling van dit onderwerp mee te maken ook niet gedacht hebben: wat is de ethiek van en bij een kerkelijk conflict. Ja, hoorde men in het verleden niet dikwijls de uitdrukking in een kerkelijke procedure rond de vrijmaking en ook rond de open brief: er is een ethisch conflict! Geen wonder dus, dat men bijzonder gespitst was, toen het ging om déze vraag: hoe ziet prof. Douma de kerkelijke situatie!

Nu, wat deze vraag betreft heeft hij de conferentie niet in het onzekere gelaten. Zijn visie op de kerkelijke situatie was duidelijk. Zij werd zonder om wegen uit de doeken gedaan. Zij bevatte niets waarover men in het onzekere zou moeten zijn. Het was bovendien de hantering van een maatstaf, die waarlijk op deze conferentie wel indruk mocht maken, ik bedoel de maatstaf van de confessie. Me dunkt, dat wanneer wij open staan voor een schriftuurlijk-confessioneel geluid, we ons door zijn zienswijze zeker aangesproken moeten voelen. Spreekt onze confessie ook maar één woord over een verdeelde kerk zoals wij die vandaag kennen? En gevoelt ieder, die werkelijk confessioneel wil leven niet, dat op geen enkele wijze de kerkelijke situatie voor het forum van het nederlandse volk te verdedigen is? Dat zij ook niet aannemelijk gemaakt kan worden voor jongere mensen, die b.v. in een open brief aan de conferentie dat ook ronduit gezegd hebben.

Ik moet zeggen, dat het getuigenis van prof. Douma dienaangaande een diepe indruk gemaakt heeft op menige conferentieganger. En toch klopte er iets niet. Toch zou er méér gezegd moeten worden, dan er toen, daar, door hem en door anderen is gezegd.

Prof. Douma zelf nam door de applicatie grotendeels terug wat hij confessioneel zo zuiver had gegeven. Zijn toepassing klopte niet op de preek. Zij deed mij te ouderwets aan, alsof er nog een tussenzang tussen zat en alsof we opeens in een heel andere wereld waren. Want mét de confessie sprak hij machtige dingen. Maar in de toepassing sprak hij: gij, gij, niet ik ben die man. Althans zo kan men het uitleggen. Prof. Douma was coulant aan het adres van de Christelijke Gereformeerde Kerken, scherp ten opzichte van de Gereformeerde Kerken, terecht, vanwege hun confessionele onduidelijkheid om het wat voorzichtig te zeggen. Hij sprak niet of weinig over de vrijgemaakten buiten verband en wees, toen het „verlossende” woord gesproken moest worden naar de Gereformeerde Bond in de Hervormde Kerk. Geen wonder dat ir. Van der Graaf er boven op sprong en met een wat al te globale tekening ging spreken over het „leven” dat na de Afscheiding en na de Doleantie in de Hervormde Kerk was achtergebleven, en waaruit geconcludeerd werd, dat dit dus niet een dode kerk kon zijn. Natuurlijk zou daarover heel veel te zeggen zijn. Soms zit er leven in een kerk haarsondanks, denk maar aan wat Calvijn over Rome schreef. Maar het zou te ver voeren om daarop nú in te gaan.

Hét grote thema, dat overeindstond aan het einde van de conferentie was: de onmacht van onze situatie. En nu mogen wij niet doen, wat naar mijn gedachte prof. Douma, misschien ook in de onmacht van zijn situatie gedaan heeft, nl. naar een ander kijken. En zeggen: zij moeten het doen.

Bij sommigen leefde aan het einde van de conferentie de vraag: doen we er wel goed aan, wanneer het op deze manier gaat? Wat is de baat van het uitstallen van eigen kerkelijk standpunt ten overstaan van velen, die er alleen zijdelings begrip voor kunnen opbrengen in het beste geval, maar die voor de rest hun eigen gang weer gaan. En welke zijn de gevolgen van het organiseren en het bezoeken van dergelijke contactbijeenkomsten, waarvan men er naast het C.O.G.G. nog een hele rij kan opnoemen? Versluieren zij misschien ook iets? Leiden zij de aandacht ook mogelijk af van datgene, wat voor onze kerken het eerstnodige is?

Contacten naar buiten kunnen contactstoornissen naar binnen op geen enkele manier vergoeden, wel verdoezelen. Terwijl men zich in het beste geval verheugt over eenstemmigheid met broeders en zusters van de gereformeerde gezindte, of met broeders en zusters van een ruimere evangelische gezindte, kon het wel eens gebeuren, dat we de gezindheid van de Here Christus ten opzichte van broeders en zusters in het eigen kerkelijke leven vergeten, of we hebben er geen tijd voor, want een mens is ten slotte ook maar beperkt. Wij, wij zijn die kerken, waar het confessionele kerkbegrip werkelijk beleefd moet worden. Zou het Contactorgaan van de Gereformeerde Gezindte een middel kunnen zijn, waardoor wij dit éérstnodige zouden vergeten, dan zouden we er verder mee van huis komen. Ik bedoel maar dat we de hele zaak schriftuurlijk, confessioneel, ethisch en met toepassing op onszelf moeten beleven. Voor ons begint de oplossing van het kerkelijke vraagstuk binnen de gereformeerde gezindte met een voluit beleven van het gereformeerde belijden aangaand de Kerk in eigen kerken. Eerst dán kunnen we, ook wat dit betreft met vrede zingen:

’k Heb ándren al de rechten van uw
mond
met lust verteld, hen vlijtig onderwezen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.