+ Meer informatie

HET LIED IN DE EREDIENST

7 minuten leestijd

3.

Calvijn en het kerkelijk lied.

Traditiegetrouw zijn we gewend op 31 oktober aan de Hervorming te denken. Op die datum staat dan centraal de figuur van Luther. Nu past het ons aan hem en zijn werk te denken. Veel heeft hij door Gods genade mogen doen voor de Hervorming, echter moeten we bij hem niet blijven staan. Er zijn nog andere personen, die hun deel hebben bijgedragen aan het werk van de Reformatie in zijn openbaring en vooral in zijn voortgang. In dit verband denken we aan Calvijn. Zijn werk is ook van geweldige betekenis geweest en zijn invloed was en is nog groot. Ook mede door hem werd de prediking van het Woord Gods weer als genademiddel centraal gesteld. Hij heeft ook geijverd voor de mondigheid der gemeente. Vóór de Reformatie maakte in de roomse kerk de geestelijkheid de dienst uit. De priesters verrichtten de dienst voor het volk. Het grootste deel van de dienst verliep rondom het altaar, waarbij de priester met de rug naar het volk stond. De taal, die daarbij gebruikt werd, verstond het merendeel van het volk niet. Het was het latijn. De dienst werd voor het volk gehouden zonder dat het er zelf noemenswaardig deel aan had. Men was er bij. De Reformatie ging de gemeente almeer als de mondige gemeente zien, die deelneemt aan de kerkdienst. Vandaar ook het invoeren van het gezang in de gemeente. Luther was de eerste, die de gemeente liet zingen in de kerkdiensten. Toen Calvijn in 1536 predikant werd te Genève, voelde hij het als een leemte in de eredienst, dat de gemeente niet zong. Hij wist hoe de eredienst in de tempel te Jeruzalem was geweest en hoe het toeging in de door de apostelen gestichte gemeenten. De vraag leefde bij hem: „moest niet naast het door de voorganger gesproken gebed het gezongen gebed der gemeente komen, zoals het ook onder het oude verbond en in de apostolische kerk geweest was?” 16 jan. 1537 overhandigde hij — mede namens zijn ambtgenoot Farel — aan de raad van de stad een nota over de organisatie van de kerk van Genéve, waarin stond, dat de kerkeraad wilde overgaan tot het zingen van de Psalmen. Gesteld werd: het zingen hoort bij de kerk en de zang is een wezenlijk bestanddeel van de eredienst. We moeten het zingen niet beschouwen als een willekeurig toevoegsel, dat men gebruiken kan of niet. Men doet schade aan het geestelijk leven der gemeente, wanneer men de kerkzang verwaarloost en laat verschrompelen. Calvijn en Farel zagen in de gemeenschappelijke zang der gemeente het middel, waardoor de kerk der Hervorming als een herboren kerk, als een vernieuwde gemeente, het innerlijkste van haar gemoedsleven zou kunnen openbaren. Daardoor zou trouwens de gehele eredienst ook verlevendigd worden en de gemeente aktief deelnemen aan de kerkdienst. Als vanzelfsprekend moest nauwkeurig toegezien worden wat men de gemeente op de lippen zou leggen. Vandaar hun voorstel: het zingen van de Psalmen.

De Psalmen zijn, aldus Calvijn, de „ware geestelijke liederen”. Uit de psalmen konden de mensen leren wat bidden is. De paus en de zijnen hadden de gemeente van die „ware geestelijke liederen” beroofd door ze aan de priesters te geven om ze onder elkander te „mompelen”, zonder enig begrip.

In de nota treffen we nog de volgende motivering aan voor het zingen van de psalmen: „de psalmen zullen ons kunnen aandrijven om onze harten tot God te verheffen en ons in gloed te zetten, alsook om Hem aan te roepen en door lofprijzing de eer van Zijn Naam te verhogen”.

Doordat Calvijn al spoedig verbannen werd uit Genève, kwam er eerst van de invoering van de psalmen in de eredienst nog niets terecht. In Straatsburg, waar Calvijn tijdens zijn verbanning verbleef, ging de gemeente al spoedig na zijn komst de psalmen zingen. Vluchtelingen hadden berijmde psalmen uit Parijs meegebracht. Calvijn werkte ook voor het verschijnen van een psalmbundel. Een kleine bundel werd samengesteld in de franse taal. In 1539 verscheen het eerste gereformeerde psalmboek te Straatsburg, waarin achttien psalmen en drie gezangen opgenomen waren, met name de lofzang van Simeon, de berijming van de Tien geboden en van de Twaalf Geloofsartikelen. Enkele psalmen waren van Calvijn zelf, maar de meeste van de franse psalmberijmer: Clément Marot. Ook had Calvijn voor de berijming kontakt met Theodorus Beza. Een man met Godsvreze en dichterlijke gaven. Begrijpelijk, dat Calvijn, die de talenten van zijn jeugdige vriend kende, er bij hem op aandrong, dat hij de nog ontbrekende honderd psalmen in dicht zou brengen. Calvijn was in dit opzicht zelfs zo ongeduldig, dat hij Beza de kopij als het ware onder de handen vandaan haalde. Zo schreef hij in 1551 aan Viret: „Als Beza een paar psalmen gereed heeft, laat hij dan niet wachten met ze mij op te zenden. Dring er toch bij hem op aan, dat hij er enkele zendt door de eerste koerier de beste”. Beza’s werk was echter geen haastwerk. Hij had eerst een grondige studie van de psalmen gemaakt, ze in het Hebreeuws bestudeerd, daarna in het latijn en vervolgens in het frans vertaald, tenslotte van proza in poëzie overgebracht.

In 1562 verscheen een volledige bundel van berijmde psalmen te Genève. 47 van Marot en 103 van Beza. Aan de gezangen werd nog toegevoegd het berijmde gebed des Heeren en enkele gezangen, die rechtstreeks aan de Schrift ontleend waren. Nu was er nog één zaak: het op muziek zetten. Hiervoor wist Calvijn twee komponisten te vinden: Maître Pierre en Louis Bourgeois.

Calvijn gaf dus aan de gemeente het kerklied: de psalmen. De psalmen waren voor Calvijn alles. Hij wilde ze alleen een plaats geven in de eredienst. Aan het vrije lied werd geen plaats toegekend. Geen liederen voldeden volgens hem beter dan de psalmen aan de bestemming van het kerkgezang. De historikus Prof. Nauta merkt op: „Het is zeer beslist niet zo, dat Calvijn eigenlijk in gedachte zou gehad hebben op den duur naast de psalmen ook vrije liederen aan de kerk te geven, maar dat omstandigheden buiten zijn wil daarin vertraging en verhindering gebracht zouden hebben. Er is geen enkele objektieve aanwijzing, die tot een dergelijke opvatting grond oplevert. Ook als men zijn uitlegging van plaatsen als Efeze 5 : 19 en Kol. 3 : 16 raadpleegt, vindt men niets van die aard. Het merkwaardige is juist, dat terwijl men op verschillende plaatsen geen bedenking had vrije liederen in de kerkzang op te nemen en dit ook in de Duitse kerk te Straatsburg gebeurde, Calvijn zich welbewust beperkt heeft tot het lied, aan de Schrift ontleend. De psalmen waren naar zijn gedachte onovertrefbaar”. Laten we hier nota van nemen, gezien het feit, dat de drang naar het vrije lied ook in onze kerken leeft.

Van Calvijn zelf lezen we, in de voorrede, die het psalmboek inleidt: „Het is nodig aandacht te schenken zowel aan de melodie als aan het lied zelf. Wat het laatste betreft is het zaak niet enkel eerbare, maar ook heilige liederen te hebben, liederen, die ons zijn als prikkels om ons op te wekken God te bidden en te prijzen. Zijn werken te overdenken, opdat wij Hem liefhebben, vrezen, eren en roemen. Nu, wat Augustinus zegt is waar, dat namelijk niemand iets zingen kan Gode waardig, tenzij hij het van Hem ontvangen heeft; ook wanneer wij overal rondgetrokken hebben om hier en daar te zoeken, zullen wij geen betere liederen vinden noch meer geschikt om dat te doen dan de psalmen van David, welke de Heilige Geest bij hem heeft gezegd en gevormd. En daarom, wanneer wij ze zingen zijn wij zeker, dat God ons de woorden in de mond legt, alsof Hij Zelf in ons zong om Zijn roem te verheerlijken. Daarom vermaant Chrysostomus zowel mannen als vrouwen en kinderen om zich te gewennen die te zingen, opdat het zij als een overdenking om zich met het gezelschap der engelen te verenigen”.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.