+ Meer informatie

De Christinnereis is voor jong en oud

7 minuten leestijd

42

Toen zij bemerkten, dat zij zich zo dicht bij de stad Ijdelheid bevonden, overlegden zij hoe zij er op de beste wijze zouden doorkomen. De één zei dit en de ander wat anders. Maar zij waren allen in verband met de gevoerde gesprekken dienaangaande overtuigd van de ernst van de zaak.

Eindelijk sprak Stoutmoedig: „Ik ben, gelijk gij begrijpen zult, meermalen de gids van pelgrims door deze stad geweest. En zo ben ik daar bekend met een zekere Mnason, geboortig uit Cyprus, een oud discipel, in wiens huis wij gastvrij ontvangen zullen worden. Als gij het goed vindt, zullen wij daar onze intrek nemen”.

Allen keurden dit plan goed. Tegen de avond bereikten zij het gedeelte der voorstad waar Mnason woonde, maar Stoutmoedig wist de weg naar het huis van de oude man. Zodra zij voor zijn deur stonden, klopte hij aan, en toen de oude man zijn stem had gehoord, deed hij terstond de deur open en nodigde hen binnen te komen. „Wel”, zeide Mnason, „van waar zijt gij heden gekomen?” Toen zij antwoordden dat zij van hun vriend Gajus kwamen, sprak hij: „Nu, dan hebt gij een heel eind afgelegd, gij zult wel vermoeid zijn. Komt dus binnen en zet u neder”. Stoutmoedig: „Wel mijn vrienden, weest goedsmoeds. Ik geloof, dat wij onze vriend hier van harte welkom zijn”.

„Ja”, zei Mnason, „ik heet u hartelijk welkom, en als gij iets nodig hebt, zegt het vrij uit. Wij zullen doen wat wij kunnen om het u geriefelijk te maken”.

Eerlijk: „Wat wij het meest behoefden was een goede rustplaats en goed gezelschap, en ik geloof dat wij die beiden nu hebben”.

Mnason: „Nu, de rustplaats ziet gij, wat het gezelschap betreft, dat zult gij nog moeten ondervinden”.

„Wel”, zeide Stoutmoedig, „zoudt gij zo vriendelijk willen zijn ons te zeggen waar de pelgrims mogen vernachten?”

„Zeker”, hernam Mnason. En nu liet hij hun de slaapvertrekken zien, en nadat zij zich verfrist hadden, bracht hij hen in de grote eetzaal van het huis, waar zij het avondeten zouden gebruiken, alvorens zich ter ruste te begeven. Toen zij zich genoegzaam verkwikt hadden, vroeg Eerlijk de gastheer of er nog meer gelovigen in de stad waren.

Mnason: „Wij kennen er enigen, maar het is slechts een klein getal, vergeleken met de tegenstanders”.

Eerlijk: „Zouden wij niet enkelen van hen kunnen ontmoeten? Het ontmoeten van medereizigers op de pelgrimsweg is voor de pelgrims wat het zien van maan en sterren voor de zeeman is”.

Nu klopte Mnason met de voet op de grond en zijn dochter Genade kwam binnen, tot wie hij zeide: „Genade, ga eens even zeggen bij onze vrienden Ingetogen, Heiligman, Vromevriend, Leugenhater en Boetvaardigheid, dat ik enige vrienden in mijn huis heb, die wel gaarne met hen kennis zouden maken”.

Genade ging zich terstond kwijten van haar taak en weldra waren allen gekomen en na de gewone begroetingen namen zij plaats aan de dis.

Nu nam Mnason het woord en zeide: „Mijn vrienden, gelijk gij ziet, heeft een gezelschap reizigers bij mij zijn intrek genomen. Zij hebben een verre reis gemaakt en zijn op weg naar de berg Sion. Maar wie denkt gij wel, dat deze is?” vroeg hij met de vinger naar Christinne wijzende. „Niemand anders dan Christinne, de vrouw van de Pelgrim, die beroemde pelgrim, die in deze zelfde stad met zijn broeder Getrouw zo schandelijk bejegend is”. Zij stonden allen verbaasd, zeggende: „Weinig hadden wij vermoed toen Genade ons kwam roepen, dat wij Christinne hier zouden aantreffen; dat is wel een zeer aangename verrassing”. Daarop vroegen zij naar haar welstand en of deze jonge mannen haar zonen waren. En toen zij hier een bevestigend antwoord op gaf, zeiden zij: „De Koning, die gij liefhebt en dient, make u als uw vader en brenge u eenmaal daar, waar hij thans eeuwig vrede mag genieten!”

Nu vroeg Eerlijk aan Ingetogen hoe het tegenwoordig in hun stad Ijdelheid ging.

Ingetogen: „Gij kunt nagaan dat het hier in kermistijd een vreselijke drukte is. Het kost ons dan zelfs grote moeite om rust en vrede des gemoeds te smaken. Wie in zulk een plaats leeft gelijk deze en in een omgeving als de onze, moet wel zonder ophouden biddende en wakende zijn, want wij zijn steeds in gevaar” Eerlijk: „En hoe zijn uw buren jegens u gezind?”

Ingetogen: „Zij zijn heel wat bedaarder dan vroeger. Gij weet welk een lot de Pelgrim en Getrouw hier hebben ondergaan, maar in de laatste tijd heerst hier toch een gematigde geest. Ik houd het er voor, dat het vergoten bloed van Getrouw hun als een last op het geweten drukt, want sedert zij hem verbrand hebben, schijnen zij beschaamd te zijn en veroordelen niemand meer om zulk een wreed lot te ondergaan. In die dagen durfden wij ons niet openlijk op straat vertonen, maar nu kunnen wij dit ongehinderd doen. Toen was een belijder van de Waarheid overal gehaat, maar nu is in sommige wijken van de stad de godsdienst zelfs in ere gekomen”.

Uit de gesprekken, die gevoerd werden in het huis van Mnason, hebben wij het mogen beluisteren dat de nagedachtenis des rechtvaardigen tot zegening is. In de stad Ijdelheid leeft het getuigenis, dat de Pelgrim en Getrouw mochten geven van de Waarheid, nog in vele harten voort. Getrouw heeft het zelfs met zijn bloed mogen bezegelen dat de Heere het waardig is gediend en gevreesd te worden naar de regel van Zijn dierbaar Woord. Door de Geest der waarheid, Die van de Vader uitgaat, hebben zij van de Heere Jezus getuigd. Tegenover de leugen van de stad der ijdelheid hebben zij het met woord en daad betuigd, dat de Christus is de Weg, de Waarheid en het Leven. Deze krachtige prediking kwam de Heere tot zegen te stellen in het hart van goddeloze zondaren. Zegeningen waren ook naar Gods belofte op het hoofd van deze rechtvaardigen. Gesterkt werden zij door blijken en bewijzen van des Heeren gunst en goedkeuring.

Maar het geweld deze predikers aangedaan, bedekte de mond der goddelozen. In de eerste plaats werden zij er door veroordeeld in het geweten. De sprake van het kwaad, dat zij de prediking van het Woord hadden aangedaan, was niet tot zwijgen te brengen. En in de grote dag des gerichts zullen zij verstommen onder de majesteit van Gods heerlijkheid en rechtvaardigheid, die werd geschonden. De naam der goddelozen zal vergaan, zal verrotten, zodat de stank der ongerechtigheid eeuwig tegen hen zal getuigen.

De vijanden kunnen het niet dulden, dat de verheerlijking van Jezus Christus in gedachtenis gehouden wordt door de rechtvaardigen. Door het geloof in Hem zijn zij rechtvaardigen geworden. Hij toch is opgewekt om onze rechtvaardigmaking. Hij heeft de vloek der wet gedragen en het recht der wet vervuld. En uit kracht daarvan komt Hij door Zijn Geest Zijn wet te schrijven in zondaarsharten. De wet der liefde, zodat door het Goddelijk schrijven Zijn liefde wordt uitgestort in het hart. En uit kracht daarvan haten de rechtvaardigen de zonde en hebben zij de Heere lief in Zijn heiligheid, om, was het mogelijk, heilig voor Hem te leven. Hartelijk wordt het door de rechtvaardigen beweend, dat zij zwaar en menigmaal tegen de Heere kwamen te zondigen. Bekennen dat zij Zijn toorn en gramschap dubbel waardig zijn. Het is niet de aard van dat rechtvaardig zijn te roemen in deugd of plicht van de mens. Dat volk wil niet zalig worden met krenking van Gods recht, maar alleen door de verheerlijking van dat recht in Jezus Christus. En daar Hij opgewekt is om onze rechtvaardigmaking, krijgen zij het in het geloof te verstaan, in Hem rechtvaardig te zijn voor God. De Vader heeft Zijn offerande aangenomen door Hem te stellen in de staat der verheerlijking, liet moet ons duidelijk zijn dat het rechtvaardig zijn voor God in staat en stand, een veelomvattende betekenis heeft. Maar in al die schakeringen leeft het hart vanuit de innerlijke geloofsgemeenschap met Christus. De inlijving in Hem, Die liet hart verkreeg door het deelachtig worden van het wezen des geloofs, want dat is een gave Gods. In het wonder van dat rechtvaardig zijn, wordt de Heere eeuwig verheerlijkt.

Nijkerk

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.