+ Meer informatie

COLUMN: U OF JIJ?

3 minuten leestijd

Een lezer vroeg om een keer aandacht te geven aan de verwarring die kan ontstaan bij de wijze waarop wij elkaar aanspreken. U of jij? Of, om het met dure woorden te zeggen: vousvoyeren of tutoyeren? Vroeger was dat geen probleem: in onderlinge contacten was een duidelijke code: je noemde elkaar pas bij de voornaam wanneer je een relatie op voet van gelijkwaardigheid met elkaar had. Eenzijdig tutoyeren deden leraren met leerlingen, en ouders met hun kinderen.

Daarin is veel verschoven. Zelf merk ik dat ik vaker dan vroeger mijn voornaam gebruik, wanneer ik mij bekend maak. Dat heeft echter (voor zover ik weet) niet te maken met verschuivende normen, maar meer met het feit dat ik, net als vele anderen, bij het doorschuiven in leeftijd meer met mijn ‘wortels’ bezig ben. Ik ben genoemd naar mijn opa en daar ben ik best trots op. Vandaar. Afgezien daarvan: wij hebben wel eens gedacht dat het gebruik van je voortmam je kwetsbaar maakte, in die zin, dat, wanneer er eens corrigerend moest worden opgetreden, er niet meer de benodigde afstand en respect zou zijn. Uit Amerika hebben we ondertussen geleerd dat dit in het geheel niet het geval hoeft te zijn: bijna iedereen spreekt elkaar daar met de voornaam aan en toch leidt het niet tot problemen in onderlinge inhoudelijke commu-nicatie. Enkele jaren geleden publiceerde het Reformatorisch Dagblad iets over veranderingen in denken inzake dit onderwerp en deed verslag van de gewoonten van een aantal hoger opgeleiden in de kring van de gereformeerde gezindte. Velen waren overgegaan tot het gebruiken van hun voornaam in het circuit waarin zij zich bewogen. En het ging uitstekend!

In de kerk

Hoe gaat dat in de kerk? Ook daar is een verschuiving waarneembaar. Pastoralia in kerkbladen worden soms met voornaam én achternaam van de dominee (of het kerken-raadslid dat deze taak op z’ich heeft genomen) ondertekend; onze redactie ontvangt soms artikelen, op die manier ondertekend (maar wijzigt dat dan in verband met de uniformiteit). Toch is het niet vanzelfsprekend, getuige een artikel in Woord en Dienst, april 2003: Ds. Hendrikse mag (móet zelfs!) Klaas genoemd worden, maar ds. Oos terwij k niet Fokkelien… De vraag - aldus mijn briefschrijver - is alleen wel, op welke manier de gemeenteleden deze gewoonte van de predikant zullen oppakken. Als hij op bezoek komt, hoe wil hij dan benaderd worden? Met voornaam en met ‘je en jou’, of toch met meer afstand, dus met ‘dominee’ en ‘u’? En - van even groot belang - hoe wil het gemeentelid zichzélf benaderd zien ?

Vaak gaat het vanzelf: een oudere predikant zal zijn jongere belijdende leden bijvoorbeeld met de voornaam aanspreken, terwijl zij dat omgekeerd niet doen. Maar soms slaat de twijfel toe… En heeft de predikant zich goed gerealiseerd dat de Nederlandse cultuur nog niet in alle opzichten aan de Amerikaanse gelijk is? De testcase is daar, waar een gesprek pastoraal spannend wordt: is er voldoende ‘afstand’ om dan inhoudelijk de gewenste diepte (bijvoorbeeld in het kader van vermaan) te behouden? Ik bewaar mooie herinneringen aan een gesprek waarin dat moest gebeuren tegenover een echtpaar van de gemeente waarmee ik inderdaad op voet van tutoyeren stond. De verhoudingen waren zó zuiver dat het een niet ten koste van het ander ging. Dan heb je iets kostbaars!

In ieder geval is het goed om, zelfs al heeft iemand zich met zijn voornaam gemeld, de vraag hoe men elkaar zal betitelen, maar eenvoudig te stellen en er niet te snel van uit te gaan, dat het wel op amicale wijze zal mogen. Dat voorkomt een hoop misverstanden.

O ja: mijn opa heette Dingeman.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.