+ Meer informatie

Onze eeuwige bestemming

9 minuten leestijd

Inderdaad, wij hebben een bestemming. Als we ons leven vergelijken met een reis, dan is het wel een reis die ergens uitkomt. Op een gegeven moment stopt de trein en dan zijn we aangekomen op het station waar de reis heenging. Welke bestemming hebben we dan bereikt?

Twee wegen, twee bestemmingen

Gods Woord zegt ons dat er twee wegen zijn: de brede en de smalle. Een tussenweg is er niet. Deze twee wegen voeren elk naar een eigen bestemming. De ene weg eindigt in het licht; de andere in de duisternis. In het eeuwige leven of in de eeuwige dood. In de hemel of in de hel.

Over beide bestemmingen krijgen we in de Bijbel heel wat informatie. De Heere vindt het kennelijk heel belangrijk, dat wij op de hoogte zijn van wat er na ons sterven zal gebeuren en waar we de eeuwigheid zullen doorbrengen. Met die vraag dienen we bezig te zijn, want op de eeuwige bestemming moeten we ons voorbereiden.

Veel van wat erover geopenbaard wordt komt tot ons in de vorm van beeldspraak. Zo wordt de hemel voorgesteld als het paradijs, als het nieuwe Jeruzalem, het avondmaal van de bruiloft van het Lam. De hel wordt de buitenste duisternis genoemd; de plaats waar geween is en tandengeknars, waar de worm niet sterft en het vuur niet wordt uitgeblust.

Het zijn allemaal beelden, die bedoelen diepe indruk te maken. De heerlijkheid van de hemel en het verschrikkelijke van de hel moeten ons allebei helder voor ogen staan. De grote zaligheid van hen die de hemel als eindbestemming hebben, dient ons te stimuleren om daar ook deel aan te hebben. De rampzaligheid van hen, die in de hel eindigen, is bedoeld als een prikkel om de zonde te mijden en de verzoening met God te zoeken.

Verminderde belangstelling voor de hemel

Eeuwenlang is datgene wat de Bijbel ons voorstelt over hemel en hel algemeen aanvaard geweest als realiteit. Dat hemel en hel echt zijn, werd zonder twijfel aanvaard en in de prediking kwamen deze elementen uit de Godsopenbaring vaak heel realistisch terug.

Zo is het niet gebleven. Naarmate een steeds grotere plaats werd toegekend aan het menselijk verstand met als gevolg dat de ratio ook mocht gaan beslissen over geloofszaken, werd de Bijbel meer en meer van haar gezag ontdaan. De mens, die hoe langer hoe meer autonoom ging denken, dacht te kunnen beslissen over wat wel en wat niet waar kan zijn.

Het denken over de hemel en zeker het verlangen naar de hemel, ging meer en meer plaats maken voor een op deze aarde gerichte belangstelling. De taak van de mens ligt op de aarde; daar dient hij zijn aandacht aan te geven. Hier moet het paradijs gerealiseerd worden. Naarmate deze manier van denken de mens ging beheersen, raakte de hemel buiten beeld.

Dit denken drong ook de kerk binnen. De prediking der kerk onderging er de invloed van. Wat Gods Woord zegt over onze eeuwige bestemming kwam hoe langer hoe minder aan de orde. Naarmate we ons op deze aarde gingen thuisvoelen, verloor de hemel zijn aantrekkingskracht.

Deze ontwikkeling ging veelal gepaard met een oppervlakkige manier van denken en preken over het geloof. Er kwam een geloven, dat losgemaakt werd van bekering waardoor het leven niet langer gekenmerkt wordt door de vreze des Heeren. Bij het sterven zouden de zaken dan wel in orde komen.

Kritische vragen omtrent de hel

Ook ten aanzien van de hel veranderde de belangstelling. Ook dat hing samen met de toenemende invloed van het menselijk verstand. Alle aandacht was voor de aarde met het accent op verbetering, want op deze aarde is het door alle ellende al hel genoeg.

Ook binnen de kerk werden kritische vragen gesteld. Vragen ten aanzien van de rechtvaardigheid van de eeuwige straf. Kan zo’n zware straf samengaan met de liefde van God? Of zou het misschien zo kunnen zijn, dat bepaalde uitdrukkingen uit de Bijbel anders verstaan moeten worden? Er werden antwoorden gegeven, die – het kan helaas niet anders gezegd worden – de bedoeling van de Bijbelse boodschap ontkrachtten. De een zocht de oplossing in het universalisme (uiteindelijk worden alle mensen zalig, desnoods na een tijd van zuivering in de hel). De ander vertelde zichzelf, dat de mens uiteindelijk ophoudt te bestaan en vernietigd wordt.

Hoe men het ook wendt of keert, deze herinterpretaties geven geen eerlijke vertolking van de boodschap, die de Heere in Zijn Woord geeft. Dat is des te ernstiger, omdat het juist de Heere Jezus was, die veel over deze dingen gesproken heeft. Niet Paulus of een van de andere apostelen werd geroepen om deze boodschap te brengen; dat deed de hoogste Profeet Zelf.

Hoe komt het, dat de boodschap over hemel en hel in de kerk minder helder klinkt? Te vrezen valt, dat de veranderde manier van denken ook invloed uitoefent op voorgangers en predikanten. Helaas is het vaak zo, dat de wereld de agenda van de kerk bepaalt. Het gevolg is dat er in de prediking een tijd lang geen plaats meer wordt ingeruimd voor deze aspecten van de waarheid. De gemeente raakt er dan ook aan ontwend. Pas als de tijd rijp wordt geacht, wordt er in prediking weer wel aandacht aan gegeven, maar intussen is de interpretatie van de Schriftgegevens een andere geworden. Hier zien we dan hetzelfde gebeuren als wat er gebeurt op het terrein van de vragen omtrent schepping en evolutie.

Zijn we er intussen iets mee opgeschoten? Is het denken en spreken over onze eeuwige bestemming er op vooruit gegaan? Is het kerkelijk leven van een beter gehalte geworden? Is de mate van kerkverlating erdoor verminderd? De vragen stellen is de vragen beantwoorden. Zullen we dan maar bij de Bijbel blijven en eenvoudig naspreken wat daar staat? In overeenstemming met de interpretatie die ons in de gereformeerde belijdenis gegeven wordt?

Wat is de hemel?

In wat de Heere ons in Zijn Woord over de hemel zegt, beluisteren we het volgende. De hemel is een plaats van gemeenschap. Gemeenschap met God. Zij, die in de hemel komen, zullen Gods aangezicht zien (Openb. 22: 4). Zij zullen Hem zien zoals Hij is (1 Joh. 3:2). Op aarde was dit niet mogelijk, maar in de hemel wel. Dan zijn er geen dingen meer die deze gemeenschap verhinderen.

Behalve God zien, zullen de verlosten daar met Christus zijn (1 Thess. 4:17). Zij zullen zonder dat er onderbrekingen zijn, altijd Zijn liefde genieten. Bij de gemeenschap in de hemel hoort ook de ongestoorde gemeenschap van alle zaligen met elkaar. Er zal niets zijn, waardoor die verstoord wordt. Ook met de engelen zullen de verlosten omgang hebben. Nooit zal iemand eenzaam zijn.

De hemel is ook de plaats van de eeuwige rust. Dat zal niet een rust zijn, die bestaat in niets doen. De verlosten mogen rusten van hun arbeid (Openb. 14:13). Bedoeld is de zware arbeid, die zo zwaar viel, omdat de zonde alles zo zwaar maakte. Maar terwijl van die arbeid mag worden gerust, zullen de verlosten toch bezig zijn. Zij zullen God dienen in Zijn tempel (Openb. 7:15; 22:3). En in alles wat ze doen, zullen ze God en Christus eren.

De hemel is ook de plaats van eindeloze vreugde. Alle tranen worden afgewist (Openb. 21:4). Tenslotte zullen de verlosten in de hemel hun loon ontvangen. Dat is dan geen loon naar verdienste; het is genade-loon.

Ten aanzien van de vraag wie in de hemel zullen komen, geeft de Schrift diverse antwoorden, die elkaar aanvullen. Het zijn degenen, die geschreven zijn in het boek des levens des Lams (Openb. 21:27). Zij worden ook aangeduid als degenen die gewassen zijn in het bloed van het Lam (Openb.7:14). Nog weer een andere benaming is dat zij overwonnen hebben en volhard hebben tot het einde (Openb. 21:7; Matt. 24:13).

Zij zijn degenen die gekocht zijn door Christus en die door Hem vergeving van zonden ontvingen en die met een waar geloof de beloften van het Evangelie hebben aangenomen en die geheiligd zijn door de Heilige Geest. Daar ligt het criterium. Voor hen is het vooruitzicht schoon. In de moeiten van het leven op aarde is dit het blij vooruitzicht, waardoor ze bemoedigd worden.

Wat is de hel?

Ook ten aanzien van de hel maakt Gods Woord ons het een en ander duidelijk. De hierboven al genoemde beelden, waarmee de hel wordt aangeduid, spreken alle van straf, vergelding. In de hel worden de zonden bezocht. Dat gebeurt ook op aarde al wel, maar de zonde is zo ernstig, dat tijdelijke straffen niet voldoende vergelding zijn; Gods toorn eist ook eeuwige straf.

Dit maakt de hel tot een vreselijke plaats. Een plaats van eeuwig straf lijden en verstoken zijn van elk blijk van Gods gunst. Zo concluderen we uit de gelijkenis van Lazarus en de rijke man in Luk. 16.

Wie zullen daar zijn? Ook op die vraag geeft Gods Woord verschillende aanduidingen, die elkaar aanvullen. Zij zijn het, die God niet kennen en het Evangelie ongehoorzaam zijn (2 Thess. 1:8). Zij zijn de ergernissen en die ongerechtigheid doen (Matt. 13:41,42). In Openb. 21:8 worden ze aangeduid als vreesachtigen, ongelovigen, gruwelijken, doodslagers, hoereerders, tovenaars, afgodendienaars, leugenaars. Allemaal openbare zondaars.

Er zullen er echter ook zijn, die helemaal niet in grote zonden hebben geleefd. Er zullen er zijn, die zelfs dachten binnengelaten te worden, omdat ze allerlei goede dingen van zichzelf kunnen opnoemen. Toch zegt Jezus hen: Ik heb u nooit gekend. Hun godsdienst was kennelijk iets dat buiten hun hart omging. Geveinsden, onoprechten.

Het weten, dat er zo’n plaats is, moest de mensen aansporen, om alles te doen om aan het dreigend gevaar te ontkomen. Vandaar dat Paulus spreekt van de schrik des Heeren (2 Cor. 5:14). Zondaren tot bekering brengen was zijn doel. De ernstige boodschap van de hel is ook nodig om Gods kinderen aan te sporen tegen de zonde te strijden. Om standvastig te zijn in verzoekingen. Ook om vergevingsgezind te zijn. Om dankbaar te zijn voor de hun verleende verlossing.

De boodschap omtrent de hel is niet bedoeld om mensen schrik aan te jagen, maar wel om mensen tot eerlijk zelfonderzoek te brengen. God behandelt ons eerlijk. Hij maakt ons geen dingen wijs. Maar Hij wil wel, dat wij Hem ook eerlijk behandelen en dat we Hem niets wijs maken. Ook onszelf moeten we niets wijs maken. Wat we nodig hebben is waarheid in het binnenste.

Zeker, God komt met heerlijke beloften. Die zijn oprecht bedoeld. Maar wat God ook oprecht bedoelt is de keerzijde van elke belofte en dat is de opdracht: Gelooft Mij en laat uw geloof zich in de werken openbaren. Zo wordt de zondaar zalig en zo wordt God verheerlijkt.

Ds. Den Butter is emeritus predikant en woont in Veenendaal.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.