+ Meer informatie

Kiesrecht voor de vrouw in de kerk?

5 minuten leestijd

8.

De ongehuwde vrouw en het kiesrecht.

Tot nu toe hebben we gezien, dat de verkiezing van ambtsdragers in de kerk als een daad van regeren naar 1 Korinthe 14 : 34 en 1 Timotheus 2 : 11, 12 niet toekomt aan de vrouw. Nu kan de vraag bij iemand opkomen: is er in dit opzicht nog verschil tussen | de gehuwde en de ongehuwde vrouw?

Het zal wel bekend zijn, dat er sommigen geweest zijn, die inderdaad hier verschil hebben willen maken tussen de gehuwde en de ongehuwde vrouw. Bij de ongehuwde vrouw wordt dan gedacht aan de weduwe en de vrouw, die niet tot een huwelijk komt. Men kan er dan wèl mee instemmen, dat de gehuwde vrouw niet meestemt in de kerk, maar de ongehuwde vrouw moet dit recht gegeven worden.

Nu heeft ongetwijfeld deze zaak een zijde, waarover we maar niet zó moeten heenpraten. Hier spreekt een gevoels-element. Een weduwe, die haar kinderen als vrouw moet opvoeden, zou die niet mee mogen stemmen? Een alleenstaande vrouw, die vaak eenzaam door het leven moet, zou die haar meeleven met de gemeente niet op deze wijze mogen betonen? Als we deze vragen zo stellen — en wij zullen ze niet met „ja” beantwoorden — dan voelt u toch wel, dat hier een bepaald element in ligt dat tot ons gevoel spreekt. Ik kan het goed begrijpen, dat een weduwe in de gemeente het niet zo aangenaam vindt soms na bijna een week vanaf de kansel te horen wie er gekozen zijn, terwijl de getrouwde vrouwen het reeds wisten van hun eigen mannen thuis. Feitelijk moest zoiets in een gemeente niet mogelijk zijn; als er werkelijk meeleven onder elkaar beoefend wordt, zal het ook niet gebeuren!

Nu moge het element van het gevoel hier meespelen, beslissen mag het niet. Beslissend blijft het Woord van God. Maar dan komt het bij sommigen juist! Het gaat hier uiteindelijk toch over de vraag of de Schriftplaatsen, die tegen het vrouwenkiesrecht in de kerk pleiten, enkel van toepassing zijn op de gehuwde vrouw of op de vrouw in het algemeen.

Verschillende exegeten van de laatste tijd verklaren met klem, dat in de betreffende teksten van 1 Korinthe 14 en 1 Timotheus 2 enkel de boodschap klinkt tot de gehuwde vrouw.

Denkt u maar niet, dat men verlegen staat om daarvoor een argument te vinden. Integendeel. Een keur van bewijzen wordt naar voren gebracht om aan te tonen, dat al de apostolische vermaningen ten aanzien van de vrouw in het midden van de gemeente alleen op de vrouw slaan, die gehuwd is. De onderdanigheid van de vrouw aan de man zou Paulus niet in het algemeen stellen, maar alleen bedoelen voor de huwelijksverhouding.

Daarbij weet men ook te vertellen, dat men in de dagen van Paulus de ongehuwde vrouw weinig kende. De meisjes trouwden al jong. De opvoeding van ieder meisje was ingesteld op het huwelijk. Zo had Paulus een wereld op het oog, waarin de gehuwde vrouw regel was en dacht hij ook alleen aan de verhouding in het huwelijk in alle vermaningen.

En nu zal geen voorstander de gevolgtrekkingen van deze exegeten overnemen, die verklaren, dat deze vermaningen niet gelden tegen het kiesrecht voor de vrouw en zelfs niet tegen het ambt voor de vrouw. Maar wel zal hij er op wijzen, dat Paulus in de door ons in het hart besproken teksten spreekt tot de vrouw binnen het huwelijk.

Lees maar in 1 Korinthe 14 : 35, waar de apostel de vrouwen voorhoudt, dat zij thuis haar eigen mannen moeten vragen. En al is het in 1 Timotheus 2 minder sprekend, toch lijkt het me toe, dat de apostel ook daar tot gehuwde vrouwen spreekt.

Dit alles is echter in de zaak, waarom het gaat van geen belang! Graag wil ik zelfs wel geloven, dat in de tijd van Paulus het aantal ongehuwde vrouwen naar verhouding minder was dan nu. Laat echter niemand overdrijven, denk aan de dochters van de evangelist Filippus uit Handel. 21 : 8. Vier dochters, die maagden genoemd werden. Vergeet niet, hoe vaak ook in het Nieuwe Testament over de weduwen gesproken wordt.

Daar gaat het echter niet om. De apostel wijst in beide teksten naar wat God in de schepping gegeven heeft. We hebben reeds een keer opgemerkt, dat het hier niet gaat om de omstandigheden, waarin de apostel deze vermaningen geeft, maar om de reden, waarom hij ze geeft. Die reden ligt in Gods schepping. De vrouw is uit de man. Zij is een „hulp, die als tegenover hem zij”. Dat is niet iets minderwaardigs. Hoe zou de Heere het dan gewild hebben in Zijn scheppende arbeid? Zeker, dezonde heeft hierin verwoestend gewerkt, maar in het huwelijk, dat door de vreze Gods geheiligd is, komt de oorspronkelijke bedoeling van dit hulp-zijn weer uit.

Zou nu voor de ongehuwde vrouw ineens deze scheppings-ordinantie niet meer gelden? Al komt een vrouw niet tot een huwelijk dan blijft het waar: „want Adam is eerst gemaakt en daarna Eva”. God doet Zijn eigen ordinantie niet teniet!

Daarom geen kiesrecht voor de ongehuwde vrouw. Ook voor haar gelden Gods woorden evenzeer. Nameloos groot zou de verwarring worden, als dit ooit ergens werkelijkheid werd. Waar zou de leeftijdsgrens getrokken moeten worden? God is een God van orde, óók van de orde naar Genesis 2 : 18. En wie zou het dan begeren, die Gods Woord lief gekregen heeft?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.