+ Meer informatie

Ambtstaxering en functionering

11 minuten leestijd

In een actueel artikel voor ambtsdragers — daar vroeg de redactiesecretaris om — mag de vraag wel eens aan de orde worden gesteld: hoe wordt het ambt vandaag getaxeerd en hoe functioneert het nu?

We krijgen met de taxering en functionering van ons ambt immers telkens te maken in onze ambtelijke practijk. Vele moeilijkheden en teleurstellingen hangen samen met de problematiek rond deze taxering en functionering van het ambt.

Het is duidelijk wat we onder taxering verstaan. Hoe wordt het ambt vandaag gewaardeerd? Hoe bekijkt men het ambt en zijn drager?

Nauw verbonden hiermee is de functionering van het ambt tegen de achtergrond van de scherp geconstateerde of vaag aangevoelde taxering.

Ambtsverachting

Het is tegenwoordig in de mode om het (bijzondere) ambt te verachten. Principieël gebeurt dit in de kringen van de secte en de groep, waar de nadruk valt op de bijzondere gaven, het charisma, maar waar men van de ordening tot het ambt niet wil weten. 1). Is men ambtsdrager dan moet men zijn ambt bewijzen door zijn gaven. Wie de gaven, de charismata heeft, is jure suo ambtsdrager. Hier wordt totaal verdoezeld het geweldige feit dat het ambt een instelling van Christus is; dat de Heilige Geest ambtelijk werkt; dat de kerk ambtelijk geleid wordt om de heiligen toe te rusten tot dienstbetoon.2) Het is duidelijk dat het ambt in deze kringen versubjectiveerd wordt. Het is afhankelijk van de gaven, die de betrokken ambtsdrager toont te hebben en die hebben te beantwoorden aan de normen, die men in die kringen, ook al weer op subjectieve wijze, stelt.

We komen met deze instelling t.o.v. het ambt vandaag in aanraking bij die gemeenteleden, die neiging hebben tot de Pinksterbeweging of zich misschien reeds lieten overdopen en nu voorwerp van tucht zijn. 3)

Het is echter merkwaardig dat we diezelfde ambtsverachting kenden in onze ambtelijke practijk in een heel andere hoek. De uitersten raken elkaar, ook vandaag. In extreem-piëtistische-doperse kringen kwamen we en komen we dezelfde subjectieve benadering van het ambt tegen. De persoon van de ambtsdrager, niet zozeer zijn gaven, als wel zijn bekeringsweg, is ook in deze kringen beslissend voor de erkenning van het ambt. Voldoet een en ander niet aan ongeschreven, in bepaalde streken geldende, normen, dan is de ambtsverachting acuut. De woorden, die men dan durft bezigen en de beledigingen, die men ambtsdragers dan aan durft doen, grenzen aan het ongelooflijke.

Het is deze ambtsverachting, die het staan in en het bedienen van het ambt, vandaag niet tot een vreugde maken voor velen. Er zijn ambtsdragers, die zich persoonlijk beledigd gevoelen in plaats dat ze deze smaad leggen in de handen van Hem, uit Wiens hand ze hun ambt ontvingen.

Niet uit principiële motieven, maar uit practische overwegingen stamt de ambtsverachting, die we tegenkomen in allerlei opmerkingen van de uiterst critisch ingestelde moderne mens, die dominees en ouderlingen — diakenen kent hij niet eens meer! — waardeloze figuren vindt, die zichzelf onsterfelijk belachelijk maken; museum-exemplaren zijn in een moderne wereld. Er zou een boek te schrijven zijn over „Het ambt in de litteratuur.” Een groot percentage van de aangehaalde schrijvers zou blijken de ambtsverachting in de hand gewerkt te hebben.

Uit deze situatie moet mede verklaard worden de moeiten, die we hebben met de bezetting van de bijzondere ambten. Het aantal theologische studenten daalt ook in Nederland onrustbarend. Kerkeraadsverkiezingen leveren in vele kerken grote moeilijkheden op. Mij zijn gevallen bekend waarin eerst een werving van candidaten plaats vindt voor men candidaten gaat stellen en aan de gemeente presenteert.

In een tijd vol ambtsverachting zal de liefde tot en de begeerte naar het schone 4) werk niet recht opbloeien.

Ambtsverkrachting

Uit reactie tegen, alsmede als gevolg van deze ambtsverachting zien we nu tegelijk ook een soort ambtsverkrachting zich openbaren, die met zorg vervult en de ambtsverachting niet bestrijdt, maar juist bevordert.

We noemen enkele vormen van deze ambtsverkrachting, die helaas geen studeerkamermogelijkheden zijn.

Allereerst kan men het ambt zo accentueren dat men ver-ambtelijkt. Het ambt wordt beslist verkracht en daarmee ontkracht 5).wanneer men het ambt los gaat maken van de Heilige Schrift en de Heilige Geest. 6) Alle nadruk valt dan op het feit: wij zijn ambtsdragers. Wij hebben Christus’ gezag uit te oefenen. U hebt zich aan onze woorden te onderwerpen. Men geeft de indruk: wij kunnen als ambtsdragers niet dwalen. Uit reactie tegen de ambtsverachting is deze mentaliteit volkomen begrijpelijk, maar ze is funest voor de rechte ambtsbediening. Deze sterke nadruk op en deze verheerlijking van het ambt is in lijnrechte strijd met het wezen van het ambt 7). We zullen ons dat goed bewust moeten zijn. Juist door dat men zijn ambt forceert, maakt men het beslist krachteloos voor hen onder wie het ambt dient te functioneren. Vergeten we niet dat het ambt slechts gegeven is om te dienen en nooit op zichzelf staat. Het is altijd een bewijs van grote zwakheid wanneer men de klemtoon zo sterk gaat leggen op eigen dominee-, ouderling- en diaken-zijn. Maar men verkracht zijn ambt ook — en dat gevaar ligt ook voor de hand — wanneer men met zijn ambt gaat spelen, zich feitelijk schaamt voor zijn ambt en nu laat uitkomen hoe vlot en modern men wel is en hoe ver men, ondanks zijn ambt, durft te gaan. Het is niet te zeggen welke onberekenbare schade men op deze wijze aan het ambt, de kerk en de zaak van Christus aanricht. Men wil dan alles zijn en alles doen behalve ambtsdrager zijn. Men heeft overal belangstelling voor en weet overal over mee te praten. Maar als een dominee van dit type de ziekenhuiszaal heeft verlaten meesmuilt de buitenkerkelijke: was dat een dominee?; mooi nummer, maar ik heb niet gemerkt dat er een dominee is geweest. Of als een ouderling van dit soort de deur weer uit is en het huisbezoek achter de rug is, is de algemene opmerking: zijn dàt nu ouderlingen tegenwoordig?

Als ik dan kiezen moet, geef me dan die oude geheide broeder maar, waar je voor zat te beven, maar je wist tenminste: hier spreekt iemand met geestelijk gezag.

Ook onder deze ambtsverkrachting lijdt de gemeente. Men begrijpe goed: vlotheid van omgang is een belangrijke zaak om ingang te krijgen. Maar ook de moderne mens wacht tenslotte op het wezenlijke — wat het ambt tot ambt maakt. En is dat niet het geheim van het ambt dat er iets van de waarheid van en de omgang met God in door moet stralen? Is dat nog niet altijd de onbewuste voorsprong, die de ambtsdrager heeft: hij vertegenwoordigt Gods zaak; daarom eerbied voor hem? Laat hij Gods zaak dan ook vertegenwoordigen. Een heel andere vorm van ambtsverkrachting is te signaleren in de slaafse onderwerping van het ene ambt aan het andere. Met opzet zeg ik net zo. Men heeft het ook wel eens zo gezegd: de heerszucht van het ene ambt over het andere. Hier duikt het begrip dominocratie op: de dominees regeren de kerk en hebben het grootste en hoogste woord. Op grond van allerlei ervaringen meen ik het zo te moeten stellen: waar dit het geval is, daar zijn in de regel de ouderlingen en diakenen daar zelf de schuld van, omdat ze zich al te gemakkelijk en vanzelfsprekend onderwerpen aan de dominee, die het wel zal weten, omdat hij zo goed preekt en zo’n beste man is en iedereen het zegt. Komt dat practisch niet meer voor? Meer dan u denkt. Maar er iets mis, grondig mis. 8)

En wat u zegt van classicale vergaderingen, waar de dominees bij elkaar zitten als het denkend deel der kerk en de ouderlingen aan een andere tafel om te horen wat het de heren predikanten belieft als hun mening te geven en die dan te volgen?

Hier is ambtsverkrachting, die op den duur schadelijke gevolgen heeft voor Christus’kerk.

Ambtsverwachting

Mogen we van het ambt en de bediening van het ambt nog iets verwachten in de geschetste situatie.

Ik meen van wel als we drie vragen ons telkens maar stellen en goed voor ons zelf beantwoorden.

1. Wat doen we? Ouderling zijn en dus ouderlingenwerk. Of: diaken en dus diakenwerk. Ja, allemaal waar. Maar hoe zien we dat werk dan? Alles wat we als ambtsdrager doen — in welk ambt ook — is het ambt van Christus bedienen. De mensen moeten in ons werk iets van de gestalte van de grote Ambtsdrager zien oplichten. Zo bouwt Christus Zijn Kerk en zo komt Zijn Koninkrijk. In dat licht moeten we ons eenvoudige ambtswerk zien. We mogen het met verwachting verrichten. Wat is het heerlijk om predikant te zijn en Gods eeuwige woorden te mogen doorgeven. Wat is het een voorrecht om als ouderling de gemeente in te gaan en Christus’ kerk te besturen. We doen eeuwigheidswerk. Hoe klein menselijk het ook vaak is, toch mogen we ambtsverwachting hebben.

2. Waarom doen we het? Hier moeten we een strenge keur aanleggen voor onszelf. Een preekstoel kan onze eigenliefde zo strelen; een ouderlingenbank ons gewichtig maken; een collectezak kan ons een zeker aureool verlenen. Sommigen vinden hun ambtelijke prestaties heimelijk een goed werk, dat bijzondere beloning verdient. Of ook: men sust zijn geweten bij gebleken tekortkomingen in het persoonlijk leven, dat men toch zoveel voor Christus’ kerk doet. We bedienen ons ambt — goed gezien — niet om onszelf of om de mensen, maar om Christus Zelf, Die ons — middelijk! — roept tot het ambt. Wij zijn Hem verantwoording schuldig. Van Hem is onze ambtsverwachting.

3. Hoe doen we het? Hier worden zeer gevarieerde antwoorden op gegeven. Sommigen doen het al zuchtend hun leven lang; anderen draaien er hun hand niet voor om. Het karakter speelt in beide gevallen een grote rol. M.a.w. onze aanleg is van betekenis. Maar daarom temeer moeten we in een tijd van ambtsverachting en -verkrachting, toch wel ons ambtswerk doen in de rechte verwachting dat Christus het door ons wil doen. Dat bewaart voor een minderwaardigheidscomplex. Dat bewaart niet minder voor hoogmoed en trots en hardheid. Wat brengen wij er nog vaak weinig terecht. Wat geven we onszelf in onze onhebbelijkheden vaak weg en wat vertonen we weinig de gestalte van Christus. Hoe dichter bij Christus, hoe beter ambtsdrager.

Hoe meer we uit Hem bediend worden, hoe beter ons ambt functioneert.

Twee citaten mogen dit artikel besluit. Wanneer we uit de daarin uitkomende visie leven zullen we het ambt goed taxeren en zal het recht functioneren.

Calvijn schreef eens aan Madame de Budé: „Ge vraagt mij of ge, eenmaal in Genève aangekomen, in het vervolg rekenen moet op een rustig leven. Ik moet eerlijk bekennen: neen. Want zolang wij op deze aarde wonen, moeten wij als vogels op de tak leven”.9)

Dezelfde Calvijn heeft beleden: „Omdat ik van God ben en niet van mijzelf, ben ik steeds bereid om mij te laten gebruiken waar het Hem goeddunkt mij te roepen”.10)

1) Vgll. rapport 2 van Commissie VIII. G.S. 1962, sub 1d: „Wanneer men in de „Pinkstergroepen de klemtoon legt op het charismatische leiderschap houdt dit in, dat de ambtsdrager beoordeeld wordt naar de maatstaven, die men hiervoor aanlegt. Niet het ambtelijk gezonden zijn door de Koning der kerk, noch het Woord van de Koning, waarmee de ambtsdrager heeft te komen, is beslissend, maar het al of niet deelhebben aan de charismata. Hier dreigt een kerkverwoestend subjectivisme. De orde der kerk wordt veracht. Het is een miskenning van de kerk als instituut en van de ambten, in haar ingesteld.”

2) Efeze 4: 12

3) Zie Besluitenboekje G.S. 1962, sub 17.

4) 1 Tim. 3: 1. „Het door de Grieken minderwaardig geachte begrip dienst is door Christus juist in het centrum der zedelijke waardering gezet”, Dr. E. L. Smelik in „De wegen der kerk”, pag. 47/8.

5) Vgll. prof. J. Hovius over verkrachten en ontkrachten van de Kerkorde in „Het verband tussen onze Belijdenis en onze Kerkorde”, pag. 25.

6) Vgll. dr. P. Prins in het verzamelwerk „De Heilige Geest”, hoofdstuk „De Heilige Geest en het ambt”, pag. 329/330.

7) Vgll. dr. G. C. Berkouwer, Het werk van Christus, pag. 67: „Daarom is alle ambtsverheerlijking een contradictio in terminis en men moet haar niet bestrijden door devaluering van het ambt, maar door tegenover zulke ambtsverheerlijking te stellen het wezen, de waarheid van het ambt, dat in Gods souvereiniteit is gegrond”.

8) Vgll. de ernstige waarschuwing van ds. S. van Velzen: „De ouderling, die slechts de Leraar volgt en toestemt wat deze doet, zonder zelf overeenkomstig des Heren Woord de macht en het gezag, hetwelk hem van God geschonken is, te gebruiken, zonder zelf de zaken te onderzoeken, te handelen en alles mede uit te voeren, wat tot de regering der gemeente behoort, die ouderling maakt zich schuldig aan ontrouw en meineed tegen God en de gemeente”, aangehaald door Prof. dr. G. M. den Hartog in „Handboek voor de ouderling”, pag. 54.

9) J. D. Benoit, Calvijn als zielzorger, pag. 179.

10) idem pag. 187.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.