+ Meer informatie

Slotwoord

8 minuten leestijd

‘Hoe reformatorisch is de prediking in onze kerken anno 2017?’ Het onderwerp van de ambtsdragersconferentie is een vraag en het is een vraag die schuurt. Althans, dat doet het bij mij, omdat ik altijd geneigd ben zo’n vraag te beantwoorden. Bij het beantwoorden kom ik echter voor allerlei problemen te staan. Want wie zijn wij eigenlijk? Wat is ‘de prediking’ in ‘onze kerken’? Zijn wij als Christelijke Gereformeerde Kerken eigenlijk wel één genoeg om zulke woorden te gebruiken? En mocht dat duidelijk worden, wat is reformatorisch dan eigenlijk? Is dat preken in de lijn van Luther of van Calvijn, in het spoor van de nadere reformatie of juist naar de laatste inzichten? Of is de prediking misschien juist dan reformatorisch als ze juist vandaag door de confrontatie met de liefde van God alle andere zekerheden aan het wankelen brengt?

Nee, op deze conferentie krijgen we niet het antwoord op de vraag hoe reformatorisch de prediking tegenwoordig in onze kerken is. Ik hoop het ook niet. Aan het beantwoorden van deze vraag kleven namelijk risico’s.

We zouden het risico kunnen lopen dat we tevreden zouden zijn. Tevreden over de manier waarop er bij ons in de gemeente gepreekt wordt. Tevreden over uw eigen manier van preken. Tevreden omdat u tot de conclusie komt, dat het met het reformatorisch gehalte (wat dat dan ook mag zijn) van de prediking nog wel goed zit. Het andere risico is het tegenoverstelde. Dat zou de constatering zijn dat we zover van onze idealen zijn afgegleden dat het toch hopeloos is. De oude waarheid is verlaten, geijkte termen worden te weinig gebruikt en postmodern als we zijn, vinden we de waarheid die verkondigd wordt in de prediking niet onze waarheid.

Nee, we moesten die vraag vandaag maar niet willen beantwoorden. Laat de vraag ons maar in verlegenheid brengen. Verlegenheid omdat de gebrokenheid van de kerken en de verdeeldheid van ons kerkverband het onmogelijk maakt om een antwoord op die vraag te vinden.

Maar in die verlegenheid moet er wel worden gepreekt. En als er dan gepreekt wordt, dan zijn we wel met iets bezig dat oer-reformatorisch is. De reformatie zet namelijk in bij de prediking. Via verkondiging wordt Christus bekend gemaakt.

Volgens Luther is het Evangelie preken niets anders dan dat Christus tot ons komt en wij bij Hem worden gebracht.1 Calvijn zegt over zichzelf als prediker: “[Onze Here] heeft gewild dat ik als een trompet ben om het volk dat van Hem is in gehoorzaamheid om Hem heen te verzamelen, en dat ik bij de kudde behoor zoals de anderen. Wanneer dus mijn stem gehoord wordt, dan is dat opdat u en ik allen vergaderd zullen zijn om de kudde te zijn van God en van onze Here Jezus Christus.”2 En ook volgens Bucer moeten de dienaren Christus’ schapen dienen door hen het Woord van God te verschaffen.3 Natuurlijk, ook de voorgangers van de reformatoren preekten, maar om de Bijbel opnieuw via de prediking in de volkstaal bij de gemeente te brengen mag gezien worden als het wezen van de reformatie.

Prediking die ertoe aanzet dat men God gaat zoeken en gaat vinden, prediking die aanzet tot reformatie, tot verandering is prediking die opkomt uit het Woord en dat is ook prediking die begrijpelijk is. Hoe is dat nu, wordt er in de landstaal gepreekt? Spreken we op de kansel, op huisbezoeken en op andere plaatsen de taal van de gemeente en dan in het bijzonder ook de taal van onze jongeren?

Dit is niet alleen een taak voor de predikanten. Natuurlijk is de preken iets wat zij als eerste doen. Maar de verstaanbaarheid van een preek hangt ook samen met de opvoeding van onze kinderen. Leren we hen de taal van de Bijbel verstaan? Leren we hen bijvoorbeeld wat genade is, en leren wij ze dat wat wereld liefde noemt, wat wij soms liefde noemen, heel wat anders is of kan zijn dan wat de Bijbel liefde noemt? Is de catechese erop gericht om ze de stem van de Heere te leren verstaan?

Het is vooral ook de taak van een kerkenraad. Staat deze om een predikant heen? Dat kan op tal van manieren. Bijvoorbeeld door voor hem en de gemeente te bidden. Door een predikant waar dat nodig is hulp en handvatten te bieden, opdat hij Christus bij de gemeente kan brengen. Durven we een predikant er bijvoorbeeld op aan te spreken als Bijbelse onderwerpen te weinig of te eenzijdig aan de orde komen? En aan de andere kant, zijn we er voor diegenen uit de gemeente die zich aan de prediking onttrekken? Als het waar is wat Luther zegt, namelijk dat waar het Evangelie gepreekt wordt, Christus tot ons komt en wij bij Hem gebracht worden, dan moet het ons ernst zijn en dan moeten we het ernstig vinden wanneer leden zich aan die gemeenschap onttrekken.

Als er zo wordt gepreekt en als het ons doel is om niet alleen reformatorisch te spreken maar ook tot reformatie aan te zetten, dan is er wel een risico. Als predikant en als kerkenraad word je kwetsbaar. Preken in de landstaal draagt eraan bij dat de preken begrepen worden, en die prediking zal vragen oproepen, deze zal confronterend zijn, schurend zelfs. Meer nog, Bijbelse Christus’ prediking zal een struikelblok en een dwaasheid zijn (1 Korinthe 1,23). En dan niet alleen voor Joden en Grieken, maar ook voor de Schriftgeleerde en de heiden in mijn eigen hart. De Bijbelse boodschap kost je iets. Deze boodschap botst op verlangens die je kan hebben, deze gaat in tegen je eigen wijsheid, tegen mijn redeneren. En dat hoort erbij. Want het alternatief is dat de prediking mooi klinkt, maar deze wordt niet begrepen en men gaat onveranderd weg. Of er wordt naar de mens gepraat en ook dat brengt geen verandering in mensenlevens teweeg. Als de prediking geen dwaasheid en geen struikelblok meer is, dan moeten we er bang voor zijn dat we onze eigen wijsheid aan het uitdragen zijn. Dat is een wijsheid die afbreuk zou doen aan de inhoud van het kruis (1 Korinthe 1,17). Het kruis waaraan de Heere Jezus Zijn leven heeft gegeven en waardoor er überhaubt een gemeente is.

Prediking is reformatorisch, en het is reformatorisch omdat het teruggrijpt op de bron, op het Woord zelf. Prediking is Bijbels. God wil door de prediking, die in de ogen van velen dwaasheid is, tot geloof brengen en mensen redden. Door de prediking mogen we verwachten een doorwerking van de reformatie, als een beweging die de kerk teruggebracht heeft bij de Schrift en via de Schrift door de Geest bij Christus. Want in de prediking gaan de Schriften open. Waar die openvallen, daar is er een beweging van het woord naar de gemeente. Dat is meer dan van de spreker naar de hoorder, dat is van het Woord naar het hart.

En zo kan het zijn, dat de Bijbelse prediking er toe brengt om midden in de wereld te gaan zingen. Door de duivel aangevochten en met schuld bedekt zeggen: God is ons een toevlucht (Psalm 46,2). Dwaasheid! Ja, maar die dwaasheid bevat een kracht van behoud. Een dergelijke levenshouding en zo’n prediking zal vragen oproepen. Want midden in de aanvechting, in de zonde en schuld, midden in de ellende kan er dan worden gezongen. Want in die wereld met al zijn vragen mag men weten: wij zijn niet alleen. Er mag gewezen worden op de sterke held die ons ter zij staat. “Fragst du, wer der ist? Er heißt Jesus Christ”.1 De prediking laat mensen vragen naar Christus en wijst op Hem.

Hoe reformatorisch is de prediking in onze kerken anno 2017? Ik weet het niet. En ik denk dat we het antwoord op deze vraag niet zullen vinden. Teleurstellend voor een slotwoord? Ik denk het niet, want het is reformatorisch om terug te keren tot de bron. En aan het einde van deze conferentie horen we vanuit een van de laatste verzen: Geef het op en weet dat Ik God ben. Maar ook met zijn belofte die daarop volgt: Ik zal geroemd worden onder de heidenvolken, Ik zal geroemd worden op de aarde (Psalm 46,11). En om dat te bereiken wil Hij de preken en werken van zondige mensen in Zijn dienst gebruiken. En die mensen die durven dat alleen omdat Hij Zijn Woord gegeven heeft. Want als je als mens met het Woord gaat, dan mag je weten De HEERE van de legermachten is met ons; de God van Jakob is voor ons een veilige vesting.

Drs. Den Boer is predikant in Nijkerk.


1 SELDERHUIS, Herman J., Luther (Apeldoorn: Banier, 2016), 274.
2 COTTRET, Bernard, Calvijn (Kampen: Kok, 2005), 298.
3 BUCER, Martin, Over de ware zielzorg (Kampen: De Groot Goudriaan, 1991), 61.


1 Regels uit het tweede couplet van de berijming van Psalm 46 door Luther. Zie: Evangelisches Kirchengesangbuch (Göttingen: Vandenhoeck & Ruprecht, 1985), 265.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.