+ Meer informatie

Naarde katechisatie

7 minuten leestijd

149

DE WET DES HEEREN

Vijfde gebod (4)

We zouden volgens onze afspraak in de vorige les met elkaar behandelen het gezag, dat de overheid draagt. We willen echter eerst nog bespreken het gezag, dat de KERK draagt. En dat is een DIENEND gezag.

De ROOMSE kerk voert haar gezag heersend uit. dat is wel duidelijk gebleken in de tijd van de vervolgingen, zoals in de 80-jarige oorlog. Wat is de bodem van ons land toen bedekt met het bloed van de martelaren! Rome stelt ook haar leer BOVEN Gods Woord.

Het was de zegen der reformatie van 1517, dat de Heere Zijn WOORD weer helder stelde op de kandelaar. Want de kerk heeft God tot draagster gesteld van Zijn Woord. En Gods Woord heeft alleen GODDELIJK gezag. Dat bezit niet de kerk en haar belijdenisgeschriften. Die hebben een KERKELIJK gezag. En het kerkelijk gezag is een dienend gezag. We merkten op bij het gezag, dat de ouders dragen, een OPVOEDEND gezag is en ook een dienend karakter heeft.

Het gezag, dat de kerk draagt, is ontleend aan de SLEUTELMACHT, welke Christus haar gegeven heeft, volgens Mattheus 16 : 19 „En Ik zal u geven de sleutelen van het Koninkrijk der hemelen.” Deze sleutelmacht heeft Christus niet verbonden aan de PERSOON van Petrus en van de apostelen en zoals nu van de ambtsdragers der kerk, in die zin, dat zij persoonlijk de macht hebben om op de aarde te binden, wat in de hemel gebonden is en zo ook te ontbinden, namelijk om de zonden te vergeven, maar die sleutelmacht is verbonden aan het ambt als zodanig.

Deze sleutelmacht der kerk houdt in: de verkondiging van het Evangelie en de Christelijke ban of uitsluiting, de uitoefening van de tucht. Zie Zondag 31.

De ambtelijke verkondiging van het Evangelie sluit in en sluit uit het Koninkrijk der hemelen. Deze verkondiging is enerzijds een openlijke betuiging van vergeving der zonden voor de gelovigen, zegt de Heidelberger. En met die „gelovigen” bedoelt de katechismus niet allen, die door doop of belijdenis zonder meer tot de kerk behoren, zoals men thans veelal leeraart, maar hèn, „die de beloftenis van het Evangelie met een WAAR geloof aannemen.” „Met een waar geloof” d.i. het ZALIGMAKEND geloof, de gave Gods, gewerkt door Gods Geest in het hart, door het Woord !

Die ware gelovigen zijn door bearbeiding van de Heilige Geest de „armen van geest”, de „hongerigen” en „dorstigen”. Het zijn de verslagenen van hart, de boetvaardigen, die met hun zonde en schuld voor God te doen hebben gekregen en daarom een mishagen aan zichzelf. Zie bij de tollenaar in de tempel, bij de drie duizend op de pinksterdag. En .... is ù, lezer(es) dit ook geworden? Want, waar de Heere dit geloof werkt in het hart, worden deze dingen gekend. Met de ware verootmoediging gaat dan ook gepaard „een zich met waren harte tot God bekeren.” Het zijn de vruchten vaft het geloof. En verootmoediging, boetvaardigheid, verslagenheid van het hart zijn EIGENSCHAPPEN van het ware geloof. Want alle „historische”, „tijd”- en „wonder”- geloof kent deze dingen niet. Zij gaan buiten het hart om. Ieder onderzoeke zich ten deze. Vandaar is „onderscheidende” prediking zo noodzakelijk !

Het „aannemen van de belofte van het Evangelie”, waarvan onze Heidelberger spreekt in Zondag 31, is ook niet een zogenaamd „conclusie trekken”, op de manier van: Jezus is voor zondaren gekomen. Nu, ik ben ook een zondaar .... dus is Hij ook voor mij gekomen ... dus bezit ik ook de vergeving der zonden. En dat menen toch zovelen. Wat een verantwoordelijkheid dragen de ambtsdragers en welk een misleiding is het, wanneer niet ernstig wordt gewaarschuwd en gewezen op de noodzakelijkheid van ontdekking en ontgronding van al hetgeen geen grond is voor de eeuwigheid.

Anderzijds zal de troost van de belofte van het Evangelie niet worden ervaren dan in de weg van het „aannemen des geloofs”. Dit aannemen gaat gepaard met ootmoed, met een kinderlijk vertrouwen, stervend aan en afziende van alles, wat van de mens is en met een overgave van het hart aan de Heere, een zich verlaten op Zijn Woord en belofte. Het aannemen van de belofte van het Evangelie geschiedt dan naar mate de Heere licht geeft over Zijn belofte, over Christus en Zijn borgwerk en dit alles in de ziel wordt geopenbaard en verklaard. Daartoe is versterking van het geloof nodig en dit doet ook de Heilige Geest, door Woord en sacrament.

De verkondiging van het Evangelie is anderzijds een openlijke verkondiging en betuiging, dat de toorn Gods en de eeuwige verdoemenis ligt op alle ongelovigen en die zich niet van harte bekeren, zo verklaart de Heidelberger.

Merkt u wel op, dat de Katechismus bij de ongelovigen noemt: en die zich niet van harte bekeren. Velen denken, dat Gods Woord in de kerk komt tot allen, die we als gelovigen moeten beschouwen door doop en belijdenis, door een wandel, welke zich kenmerkt door slechts uiterlijke godsdienstplichten, maar die vreemd is aan waarachtige bekering. Ja, dan zijn er ook ongelovigen, zo redeneert men, dat zijn de onverschilligen of buiten-kerkelijken. Ook weer zulk een verschrikkelijke misleidende beschouwing. Neen, de Katechismus noemt ook: „en die zich niet van harte bekeren.”

Ontzaggelijke gedachte: op die allen blijft de toorn Gods en de eeuwige verdoemenis liggen ! Ach, men zegt wel eens: ik kom de kerk uit, zoals ik er ben ingekomen. Dit kan zo zijn als de mede-oorzaak hiervan ligt in een prediking, die als een samenraapsel is van vertelsels, een voorstelling van allerlei uitwendige zaken, die de kern van Gods waarheid niet raken, die de ziel leeg laten of misleiden. En dat is erg, wanneer zo de mensen terug moeten keren naar huis Maar wanneer de verkondiging van Gods Woord het wee doet horen, zoals de Heere dit eist van elke prediker, het wee over allen . . . die zich niet van harte bekeren, dan gaan die de kerk niet uit, zoals zij er in gekomen zijn. O, mocht dat toch eens diep doordringen, wat het zeggen wil, dat de toorn Gods en de eeuwige verdoemenis op hen ligt. Want de verkondiging zal toch zijn één van beiden: òf tot een oordeel of tot een voordeel! O, wat erg, wanneer men de kerk uitgaat en het heeft over allerlei dingen, die geen waarde hebben, over aardse dingen Ja, wanneer men rustig doorleeft alsof er geen eeuwigheid aanbreekt, terwijl toch de dood ieder uur wenkt, want er is maar één schrede tussen ons en de dood ! O, lees Ezechiël 33. Daarin stelt de Heere het zo ontroerend voor hoe het bloed op diens hoofd zal zijn, die het geluid der bazuin zal horen, maar die zich niet laat waarschuwen en hetzelfde geldt van hen, die niet waar-schuwen Dan zal het bloed van de hoorders van de hand der predikers geëist worden

Diep ernstig is dus de verkondiging van het Evangelie, de uitoefening van de sleutelmacht. Doe Gods Geest het ons verstaan. Zij of worde het toch onze bede: o Heere, laat Uw Woord voor mij mogen zijn tot een eeuwig voordeel, heilig U het aan mijn hart.


„Heer’, ai, maak mij Uwe wegen
door Uw Woord en Geest bekend.
Leer mij, hoe die zijn gelegen
en waarheen G’Uw treden wendt.”


„Zend Heere, Uw licht en waarheid neder, dat die mij leiden, dat zij mij brengen tot den berg Uwer heiligheid en tot Uwe woningen!”

E.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.