+ Meer informatie

Besprekingen van de Heilige Oorlog

7 minuten leestijd

42

Met dit woord: „Ik ben de Heere uw God, die u hebt opgevoerd uit het land van Egypte; doe uw mond wijd open en Ik zal hem vervullen,” heeft het nooddruftige volk al menigmaal vrijmoedigheid verkregen in het komen tot de troon der genade. En dat is ook door de burgers van Mensziel ter harte genomen.

Daarenboven verzochten zij ook van Hem, dat zij, zonder Hem lastig te vallen of verhindering aan te doen, onafgebroken toegang tot Hem mochten hebben, opdat ze de manier van Zijn handelingen, de versterking van Zijn paleis en Zijn koninklijke woningen zouden kunnen beschouwen en daartoe beval Hij, dat de poorten steeds open zouden staan.

Als de Vorst sprak, stopten allen de mond en gaven gehoor; en als Hij wandelde was het hun vermaak Zijn voetstappen te drukken. Naar het woord van Zijn lippen wensten zij zich te wachten voor de paden van de inbrekers. Houdende hun gangen in Zijn sporen, opdat hun voetstappen niet zouden wankelen.

Op zekere tijd richtte Immanuël voor de stad Mensziel een grote maaltijd aan. En op de dag van het feest kwamen de stedelingen van het kasteel, om te delen in de vreugde.

Hij onthaalde hen op allerlei uitlandse spijzen, die niet wiesen in de velden van Mensziel, ook niet in het ganse Koninkrijk Aardbodem, want het was spijze die van Zijns Vaders hof kwam. Tafel bij tafel stond gedekt en de gasten konden vrij en naar hartelust eten. Want telkens als er een verse tafel voor hen bereid werd, fluisterden ze elkander zachtjes toe: „Wat is dit?” Want zij wisten niet hoe zij ’t zouden noemen. Zij dronken ook van het water dat wijn geworden was en waren evenals hun Gastheer zeer vrolijk. Want Hij alleen weet de wateren van verdrukking te veranderen in wijn van zoete en zalige vertroosting. En in die vreugde mogen zij elkander ontmoeten. Ook werd er liefelijke muziek gemaakt zolang zij aten. Zo at Mensziel het brood der engelen en honing die uit de rotsen gegeven was. Het was de spijze die alleen aan ’t hof gebruikt werd en nu in overvloed voor handen was. In het gezang dat werd aangeheven werden hemelse en Gode verheerlijkende klanken beluisterd. „Welgelukzalig is het volk het welk het geklank kent; o Heere, zij zullen in het licht Uws aanschijns wandelen. Zij zullen zich de ganse dag verheugen in Uw naam en door Uw gerechtigheid verhoogd worden.”

Na afloop van de maaltijd wilde Immanuël Zijn gasten onderhouden met enige raadsels in betrekking tot de verborgenheden die door Zijn Vaders geheimschrijvers waren terneder gesteld in Zijn Boek, door de wijsheid en ’t verstand van Koning El-Schaddai en wier gelijke in geen koninkrijk zijn te vinden. Deze raadsels waren gemaakt op de Koning El-Schaddai Zelf en op Zijn Zoon Immanuël, gelijk ook op Zijn oorlogen en handelingen met Mensziel.

Immanuël legde hun ook Zelf verscheidene van die raadsels uit; en o hoe werden ze dan opgehelderd. Zij zagen daarin, wat ze nog nooit gezien hadden. Hadden ’t niet kunnen vermoeden, dat er in zo weinige en ongewone woorden, zulke bijzondere dingen vervat waren. Maar als het hun geopend werd konden zij klaar zien dat het zo was. Ja, ze konden merken dat ze een wonderlijke slag van afbeeldingen in zich hadden en als een portret waren van Immanuël. Immers wanneer zij ’t vertoog dat de raadsels bevatten lazen en daarna in ’t aangezicht van de Vorst zagen, ontdekten zij dat het één en ander zo geleek, dat ze wel moesten zeggen: „Dit is het Lam, dat de offerande, dit de Rots, dat de rode vaars, dat de deur en dat de weg,” en veel zulke dingen meer. Door al deze heerlijke onderwijzing kregen de gasten met steeds meer klaarheid te blikken in de verborgenheid der godzaligheid die groot is.

Hierna liet de Vorst de ingezetenen van Mensziel weder heen gaan. Maar wie kon zich naar waarheid voorstellen hoe het volk met dit onthaal was ingenomen. Ze waren verrukt van vreugde en opgetogen van verwondering toen ze zagen en begrepen hoe Immanuël hen onthaalde en wat verborgenheden Hij hun opende. Thuis gekomen en in stilte nederzittende, werd het een zingen van Hem en Zijn daden. Ja, zij waren nu zo ingenomen met hun Vorst dat #e zelfs in hun slaap van Hem zongen.

Ter dezer tijd was het in het hart van Immanuël de stad Mensziel in een geheel nieuwe vorm en in zodanige staat te brengen, die Hem welbehagelijk en der nu bloeiende stad Mensziel heilzaam en voordelig wezen kon. Hij verzorgde haar ook tegen opstand van binnen en overvallen van buiten. Zulk een liefde had Hij voor haar. En van haar werd gezegd: „God is in het midden van haar, zij zal niet wankelen; God zal haar helpen in het aanbreken van de morgenstond.”

Dus gelastte Hij eerst en voor alle dingen, dat de grote slingers die Hij met Zich gebracht had uit Zijns Vaders hof, toen Hij kwam om tegen Mensziel te strijden, zouden geplaatst worden op het opperste van het kasteel en op de torens van Mensziel. Want daar waren ook torens in Mensziel, torens, die daar opnieuw gebouwd waren door Immanuël sedert Hij gekomen was. Daar was ook een instrument, uitgedacht door Immanuël, dienende, om uit het kasteel stenen te werpen door Mondpoort, een instrument, dat onweerstaanbaar en nooit zonder effect was. En dat om de wonderlijke uitwerking die het had, zonder naam ging en aan de zorg van kapitein Geloof was aanbevolen, die het in zaken van de oorlog behandelde. En dat deed majoor Verstand uitroepen: „Zij zullen de heerlijkheid Uws Koninkrijks vermelden en Uw mogendheid zullen zij uitspreken, om der mensenkinderen bekend te maken Zijn mogendheden en de eer der heerlijkheid Zijns Koninkrijks. Mijn mond zal de prijs des Heeren uitspreken en alle vlees zal Zijn heilige naam loven in eeuwigheid en altoos.”

Nadat alles geschied was, riep Immanuël de heer Wil tot Zich en gaf hem bevel zorg te dragen voor de poorten, de muren en torens van Mensziel. De Prins gaf hem ook de militie in handen en beval hem op een bijzondere wijs alle oproer, samenrotting die er tegen de vrede des Konings en de rust van Mensziel vernomen mocht worden te wederstaan. Hij gaf hem ook last de Diabolisten zo hij een Diabolist vinden mocht, hier of daar in een hoek verstoken, te vatten en te arresteren, of hem ergens in een verzekerde plaats te brengen, opdat ze tegen hen procederen mochten volgens de wet. Van ganser harte heeft de heer Wil dat voor zijn rekening genomen. Immanuël heeft op de dag van Zijn heirkracht een zeer gewillig volk. Want dan is de wil des Heeren uw wilskracht, wat u standvastig doet zijn in het ijveren voor Zijn naam en zaak.

Daarna liet Immanuël de heer Verstand bij zich komen, de oude majoor, die uit zijn plaats gestoten was toen Diabolus de stad innam. Deze herstelde Hij in zijn ambt en gaf hem die plaats voor zijn ganse leven. Hij gebood hem ook een paleis te bouwen dicht bij de Oogpoort en dat in de vorm van een toren om zich te kunnen verdedigen. Ook moest hij al de dagen van zijn leven in de Openbaring der Verborgenheden lezen, opdat hij zijn ambt wel zou mogen bekleden. En zie, sprak hij tot de Heere: „Geef mij verstand en ik zal Uw wet houden, ja, ik zal ze onderhouden met mijn ganse hart. Hoe zoet zijn Uw redenen, mijn gehemelte geweest, maar dan honing mijn mond. Uit Uw bevelen krijg ik verstand, daarom haat ik alle leugenpaden.” Nijkerk.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.